Warning: Memcache::addserver() expects parameter 2 to be long, string given in /home/httpd/vhosts/sophieonline.nl/httpdocs/libraries/joomla/cache/storage/memcache.php on line 84
Griekse denken werkte desastreus door in christelijke theologie
Griekse denken werkte desastreus door in christelijke theologie Print
Written by   

Het Griekse denken is niet neutraal, maar heeft desastreus doorgewerkt in de christelijke theologie. Dat blijkt in de scholastiek in de Middeleeuwen en de tijd na de Reformatie, de zogeheten gereformeerde scholastiek. Dat stelt drs. C. Ouwendorp in een lijvige studie Jeruzalem en Athene. Een blijvende worsteling in de theologie. Zijn remedie behelst een antwoord vanuit de reformatorische wijsbegeerte.

Ouwendorp (71), woonachtig in het Veluwse Stroe, is voor de meeste lezers van Sophie een onbekend figuur, hoewel hij weleens in Philosophia Reformata publiceerde. Hij is een typisch voorbeeld van een autodidact die zich in zijn vrije tijd – hij had jarenlang samen met zijn broer een tegelzettersbedrijf – verdiepte in de filosofie. Hij studeerde op latere leeftijd pedagogiek en filosofie, onder meer aan de Vrije Universiteit, en is zijn leven lang bezig met het bestuderen van het grensgebied tussen filosofie en theologie.

Zijn boek is één systematische onderbouwing van de stelling dat het Griekse denken via de tussenstap van de scholastiek – in haar middeleeuwse én gereformeerde variant – een desastreuze invloed heeft uitgeoefend op de gereformeerde theologie. Het zijn vooral de Griekse noties van de zijnsleer, het causale denken en het intellectualisme die ervoor gezorgd hebben dat de theologie behept is met een in feite heidens Godsbeeld, zo stelt Ouwendorp. Niet de bijbelse God die een relatie aangaat met mensen, door middel van het Woord en door het geloof in Christus, maar de abstracte, onbewogen God van Aristoteles, de in zichzelf Zijnde, de Eerste Beweger en Eerste Oorzaak, is kerk en dogmatiek binnengeslopen en heeft ook de prediking gestempeld.

Substantiebegrip

De grote boosdoener is volgens Ouwendorp het substantiebegrip bij Aristoteles. Het substantiebegrip is volgens de schrijver door de Grieken opgeworpen om het probleem van ‘zijn’ en ‘worden’ op te lossen, iets waar de Grieken sterk mee worstelden. Plato constateerde dat alles in de werkelijkheid aan verandering onderhevig is. Niets blijft aan zichzelf gelijk. Toch wil hij vasthouden aan de leer van Parmenides dat een ding altijd aan zichzelf gelijk blijft, anders zou je niet kunnen spreken over de identiteit van de dingen door de tijd heen. De dingen zouden dan onkenbaar zijn. Nu zocht Plato het vaste, het onveranderlijke, in een transcendent rijk van ideeën. Dat is de ware werkelijkheid. Deze wereld is daar een verschijning van.

Volgens Ouwendorp is hierdoor de tegenstelling tussen ‘zijn en ‘schijn’ of tussen ‘wezen’ en ‘verschijning’ in het leven geroepen. Van het wezen (de essentie) van de dingen kan gezegd worden dat het achter de verschijnselen ligt, dat het een denkproduct is, dat het onkenbaar is en vooral dat het onveranderlijk en tijdloos is.

De scholastiek leunt volgens Ouwendorp sterk op de Griekse natuuropvatting. Het gaat hier om het wezen of de essentie van de dingen. In die zin is het substantiebegrip metafysisch van aard. ,,Plato’s theologie is een zijnstheologie die geen ruimte laat voor een God die handelt met mensenkinderen. De God van Aristoteles, de Onbewogen Beweger, is niet alleen de doeloorzaak, maar ook de bewegende oorzaak van de kosmos. Doordat het goddelijke de ultieme beweger is, is er dan ook niets wat God bewegen kan. Het aristotelische causaliteitsbegrip is in vrijwel elk onderdeel (locus) van de theologie toegepast.’’

Ouwendorps bezwaar tegen de scholastiek is dat Gods onveranderlijkheid conform het Griekse denken wordt afgeleid uit zijn eenvoudigheid. ,,Het Griekse denken spreekt ontologiserend, speculatief, substantialiserend en intellectualistisch over God. God is dan een Zijnde. De scholastiek spreekt over God als het hoogste Zijn. Het gaat dan niet om God die de zondaar in zijn Woord tegemoet treedt en tot ons spreekt, maar wie Hij in zichzelf is. De Griekse Godsleer weet niets van de bijbelse God die zich in Christus door zijn Woord heilshistorisch openbaart in een wereld verloren in zonde en schuld. En omgekeerd weet de Bijbel niets van een God zoals Hij in zichzelf is en als zodanig buiten de openbaring kenbaar is.’’

De scholastiek werd lange tijd gezien als een soort huwelijk tussen het christelijk denken en de Griekse metafysica. Daarom had deze stroming een negatief imago in de christelijke kerk gekregen. Volgens Ouwendorp steunen de Griekse en scholastieke wijsbegeerte voor hun waarheidsvinding op het ontologisch fundament dat de structuur van de werkelijkheid voor alles redelijk is. ,,Waarheid wordt tot logisch-redelijke waarheid geproclameerd en in de scholastiek als een sjabloon over bijbelteksten gelegd. Waarheden worden zo primair logische, tijdloze waarheden die in zoverre ook voor geloofsonafhankelijke waarheden moeten doorgaan.’’

Eerherstel

In de tweede helft van de vorige eeuw herleefde volgens Ouwendorp de scholastiek door de introductie van de taalanalytische filosofie. Niet de Griekse metafysica, maar een methodisch denken zou kenmerkend zijn voor de scholastiek. Het redelijk denken is echter niet los verkrijgbaar, zo betoogt Ouwendorp. Een methodisch-theoretisch denken kan het niet stellen zonder de zijnsvraag, dus zonder een ontologie, en geen ontologie is neutraal.

De schrijver heeft het vooral gemunt op de zogeheten Utrechtse School, de daaraan gelieerde werkgroep Oude Gereformeerde Theologie en de Amerikaanse theoloog Richard A. Muller (Grand Rapids). Zij allen benadrukken de continuïteit tussen de middeleeuwse scholastiek, de Reformatie en de postreformatorische orthodoxie. Ouwendorp gaat regelmatig met Muller in discussie, argumenteert veelal vanuit de reformatorische wijsbegeerte, die het denken in oorzaak-gevolg en natuur-genade corrigeert vanuit Gods scheppingswet en die het geloof niet ziet als een zelfstandige substantie, maar als creatuurlijke gerichtheid op God (of een afgod). Tegenover de zijns- en analogiegedachte stelt iemand als A. Troost dat het menselijk kennen gericht is op de Woordopenbaring. Het geloof is geen donum superadditum (zoals gebruikelijk in de rooms-katholieke traditie), geen ingegoten substantie (een ‘habitus’, die zich uit in ‘actus’), maar een creatuurlijke functie die volop verweven is met andere functies in de mens.

Ouwendorp roept op tot terugkeer naar Calvijn en de Reformatie. De reformatoren keren zich regelmatig tegen de ‘scholastici’. Fundamenteel hier is de breuk met het klassieke schema van natuur en genade, dat vooral in de Rooms-Katholieke Kerk ingang heeft gevonden. Ouwendorp: ,,Volgens Calvijn is God zelf niet aan de scheppingswet onderworpen. We kunnen dan ook niet over God en schepsel spreken vanuit een overkoepelende zijnsidee zoals dit in de scholastiek gebeurt. God is dan ook nooit, met eerbied gesproken, een uitvergrote mens die de menselijke deugden op een volmaakte wijze bezit.’’

Ouwendorp voelt zich in een aantal opvattingen gesteund door de nieuwe dogmatiek van Gijsbert van den Brink en Kees van der Kooi, maar kon deze niet meer verwerken in zijn boek. ,,Ik kom hier dezelfde punten van kritiek op het Griekse denken tegen. De auteurs nemen hun uitgangspunt in de leer van de Drie-eenheid, waarin God als Vader zich in Christus tot ons wendt. Men spreekt voortdurend over God als Vader en dat impliceert een relatie. Het gaat in deze dogmatiek dan ook nergens over God als een in zichzelf Zijnde die schuilgaat achter zijn openbaring.’’

Ouwendorps boek getuigt van een enorme belezenheid, in zowel de Griekse en middeleeuwse filosofie, als in de gereformeerde en moderne theologie. De kracht van dit boek is dat het in de lijn van Dooyeweerd en Troost (met wie hij zich zeer verwant voelt) de wijsgerige vooronderstellingen van de gereformeerde theologie c.q. scholastiek blootlegt. Hij laat overtuigend zien dat wijsgerige begrippen nooit zonder meer overgenomen kunnen worden uit een context die vreemd is aan het christelijk geloof. Hij laat hier en daar voorbeelden zien hoe abstracte en afstandelijke Godsbeelden en een daarmee verbonden onbijbelse verkiezingsidee pastorale problemen veroorzaken en mensen in een geestelijke crisis brengen. Een deterministisch Godsbeeld is nauwelijks meer te vermijden, zo is zijn stelling.

Ouwendorps boek bewijst dat wijsbegeerte nooit neutraal is. De filosofie is de dienstmaagd van de theologie, maar het blijkt soms wel een lastige dienstmaagd te zijn, die de neiging heeft om de dienst in huis uit te gaan maken, zo schrijft hij. Ouwendorps kritiek wordt gedeeld door een breed gezelschap, zoals H. Dooyeweerd, A. Troost, H.M. Kuitert, W.H. Velema, C. Graafland, B. Loonstra, W.J. Ouweneel en vele anderen wier opvattingen hij op zelfstandige wijze verwerkt. Dit boek is gedurfd, omdat het de handschoen opneemt tegen een gevestigde gereformeerde scholastieke traditie die, volgens Ouwendorp, door allerlei spitsvondige onderscheidingen en foutieve wijsgerige vooronderstellingen het zicht op de Bijbel is kwijtgeraakt. Met dit boek zijn we voorlopig nog niet klaar.

Naar aanleiding van

drs. C. Ouwendorp, Jeruzalem en Athene. Een blijvende worsteling in de theologie, uitg. Eburon, Delft, 2012; 459 blz.; € 34,50.