Sophie
Sophie Sophie


Vraag nu een
GRATIS
proefnummer aan!

Vraag nu een gratis proefnummer aan!
Missie
Soφie is een uitgave van de Stichting voor Christelijke Filosofie. Zij biedt een intellectuele uitdaging door kritisch na te denken over actuele onderwerpen, geïnspireerd door de christelijke traditie.

Redactie
ing. P. de Boer
dhr. A. Deddens
mevr. drs. E.J. van Dijk
mevr. drs. M. Doornenbal
mevr. drs. R. Ebbers-van Aalst
dr. J. Ester
drs. I.D. Haarsma
prof. dr. J. Hoogland
dhr. A. Janse
dr. ir. R.A. Jongeneel
mevr. drs. D.G. Rots
dr. P.H. Vos
dr. K. van der Zwaag
De redelijkheid van de religieuze ervaring PDF Print Email
Written by   

Michiel Leezenberg snijdt in zijn boek Rede en religie een interessant thema aan. Hij beschrijft als filosoof religie in het algemeen, maar wel met een sterk accent op het christendom en in mindere mate op de islam. Hij wil zelf geen stelling nemen. Dat is gebruikelijk in studies over religie vanuit de godsdienstwetenschap. Voor het doel waarvoor het boek is geschreven kan men deze opzet geslaagd noemen. Het wil namelijk discussies in het voortgezet onderwijs losmaken. Een studie over godsdienst vanuit een ‘buitenperspectief’, vanuit een neutraal wetenschappelijk standpunt, kan ook een nadeel hebben. Deze kan te weinig aandacht besteden aan het ‘binnenperspectief’, aan de overtuiging van de gelovige zelf.

In het zomernummer van Beweging is op Leezenbergs boek ingegaan door Henk Geertsema en wel op het thema geloof als vorm van kennis, terwijl het onderwerp moraal en geweld door Pieter Vos en Ieke Haarsma in het najaar is besproken. Ik geef een beschouwing naar aanleiding van Leezenbergs begrip religieuze ervaring (65-80).

Religieuze ervaring: enkel een emotie of gevoel?

Voordat de auteur met zijn beschrijving van de religieuze ervaring begint, is al beslist dat religie in redelijk opzicht geen sterke papieren heeft (53). Na het hoofdstuk over ‘kennis en geloof’, dat gaat over religieuze opvattingen bespreekt hij onder meer de religieuze ervaring (hoofdstuk drie). Het gaat dan om gevoelens zoals die uitgedrukt worden in ‘een verlangen naar verlossing of vertrouwen in een kosmische morele orde’ (65). Religie is volgens Leezenberg eerder een emotionele dan een cognitieve behoefte. Ervaring wordt zo opgevat als emotie of gevoel in plaats van als kennis. Vervolgens geeft de auteur informatie over die wijsgerige stroming die bij uitstek de ervaring centraal stelt: de fenomenologie van Heidegger en Gadamer e.a. (67-71). Ik merk hierbij op dat deze filosofen ervaring niet gelijkstellen met emoties zoals Leezenberg doet. Leezenbergs omschrijving van religieuze ervaring als emotie of gevoel sluit vooral aan bij die van William James voor wie in de religieuze ervaring emotie centraal staat. James wil echter het kennisaspect van godsdienst niet ontkennen. Volgens hem bevat onze passievolle natuur namelijk ‘inzicht gevende passies’. Leezenberg behandelt ook kritiek op James’ opvatting van religieuze ervaring zoals bijvoorbeeld die van Charles Taylor. Taylor bekritiseert het eenzijdige accent dat de protestant James legt op de innerlijkheid van de ervaring. Dat gaat ten koste van de rol van de gemeenschap van de gelovigen. Volgens Taylor bestaat religieuze ervaring niet zozeer in innerlijke overtuigingen als wel in collectieve rituelen en belevingen (79).

Leezenberg schrijft een leerboek, waarbij het gaat om het geven van informatie, zoals hier over de religieuze ervaring. Toch komt ook zijn eigen standpunt naar voren als hij religieuze ervaring opvat als gevoel of emotie (53) en als hij schrijft dat de ‘subjectieve religieuze ervaring geen objectieve rechtvaardiging (behoeft): mijn ervaringen zijn onherleidbaar de mijne, en daar kan niemand wat aan doen’ (65). Ik plaats enkele kanttekeningen bij Leezensbergs opvatting en beschrijving van religieuze ervaring.

1. Ook als men vanuit het buitenperpectief over religie schrijft, zal men op een of andere wijze recht moeten doen aan de religieuze ervaring van de gelovige. Gelovigen zullen in zake hun religieuze ervaring naar God verwijzen. Dat mis ik bij Leezenberg. Vat men religie op als betrokkenheid op religieuze transcendentie, dan is de relatie met God of het religieus transcendente onmisbaar om een ervaring een religieuze ervaring te noemen.

2. De religieuze ervaring van joden, christenen en moslims heeft doorgaans ook een cognitieve (kennis-) inhoud die ontleend is aan de heilige geschriften van hun religie. Leezenberg stelt: ‘religieuze uitspraken … geven geen uitdrukking aan opvattingen, maar aan gevoelens …. Ze beantwoorden daardoor eerder aan emotionele dan aan cognitieve behoeften …’ (65). Doordat religieuze ervaring versmald wordt tot emotie en gevoel, komt de kennisinhoud van de religieuze ervaring niet aan de orde.

3. Leezenberg slaat de redelijkheid van de religieuze ervaring niet hoog aan. Is het zo dat de religieuze ervaring niet redelijk te rechtvaardigen is?

Ik wil (kort) een alternatieve visie geven op religieuze ervaring zoals ik die uitvoerig heb ontwikkeld in mijn Is geloven redelijk? Eerst geef ik een omschrijving van religieuze ervaring; vervolgens wijs ik op de godsrelatie en tenslotte zeg ik iets over de redelijkheid van de religieuze ervaring. Ik doe dit als theoloog vanuit het binnenperspectief, vanuit mijn eigen traditie, die van het christelijk geloof.

Wat is religieuze ervaring?

Ervaring geeft in algemene zin het proces aan van onze ontdekkende omgang met de werkelijkheid. Ervaring doen we op in het dagelijkse leven thuis, op school, in ons werk, in onze hobby’s, in sport, in kunst en ook in religie. Op de terreinen waar wij ervaring hebben, ontwikkelen wij een gedragspatroon. Zo spreken we van beroepservaring of ervaring in een bepaalde sport. Ervaring komt zo tot stand door oefening. Dat geldt ook voor de religieuze ervaring die geoefend wordt door rituelen thuis, door deelname aan de kerkdienst of door meditatie en gesprek. Religieuze ervaring omschrijf ik als een proces, als een duurzame ervaring waarin een gedragspatroon wordt ontwikkeld om de wereld religieus te interpreteren, te beleven en als aanzet tot bepaalde handelingen zoals bijvoorbeeld het doen van gerechtigheid of daden van naastenliefde. Allen die zich min of meer gelovig beschouwen hebben wel zo’n duurzame ervaring.

Duurzame religieuze ervaringen moeten onderscheiden worden van plotselinge, directe religieuze ervaringen. Mozes had zo’n directe godservaring bij de brandende braamstruik, Jesaja een roepingsvisoen, Jezus een doopervaring en hij ‘zag’ op de berg van de verheerlijking Mozes en Elia, Paulus had een diepgaande bekeringservaring en ook charismatische ervaringen. Alle eeuwen door tot op heden komen zulke plotselinge, directe ervaringen voor. Daarover schreef James zijnVarianten van religieuze beleving (1902) en het dagblad Trouw deed maandenlang verslag van vaak directe religieuze ervaringen (http://meer.trouw.nl/religieuze-belevenissen).

Sommige gelovigen hebben deze ervaringen, maar andere gelovigen niet. Allen kennen ze echter de duurzame religieuze ervaring waarover ik boven sprak. Zonder deze is geloven in feite onmogelijk. Ik beperk me tot deze vorm van religieuze ervaring.

Het is duidelijk dat de directe religieuze ervaring vaak met heftige emoties gepaard gaat. Heeft de duurzame religieuze ervaring ook met emotie te maken? De theoloog Schleiermacher heeft dat fraai aangegeven als hij religie een plaats geeft in de antropologie. Hij wijst erop dat er iets vooraf gaat aan ons kennen, voelen en handelen en dat noemt hij ‘gevoel’ of ‘onmiddellijk bewustzijn’. Dat is de zetel van de religie, de plaats van de ‘godsaanraking’. Schleiermacher vindt het woord gevoel zelf niet zo gelukkig omdat het vaak als emotie wordt opgevat. Hij bedoelt er het hart mee dat volgens de bijbel de zetel van de religie is. Schleiermacher geeft zo aan dat religie de bron is van al onze levensuitingen niet alleen van het voelen, maar ook van het kennen en het handelen. Daarom is geloven altijd een zaak waarop heel de mens is betrokken. Het gaat om een ultimate concern, om een zaak die men het allerbelangrijkst vindt.

Religieuze ervaring is niet los verkrijgbaar, maar komt altijd binnen een context voor. In het christelijk geloof is de religieuze ervaring nooit de bron van het geloof maar alleen het medium ervan. De bron van het geloof is de openbaring, via bijbel en liturgie, via natuur of kunst, via gebeurtenissen of ontmoetingen met mensen waarin iets oplicht van God. Gelovigen zijn getuigen van iets. Alles samen nemend zie ik drie aspecten in de duurzame religieuze ervaring: 1. de godsaanraking 2. een inhoud: het getuigenis 3. zij betreft de hele persoon, het hart, de emotie, het verstand en het handelen.

De relatie met God

Godsdienst beschrijven vanuit een buitenperspectief zoals Leezenberg doet is lastig. Hoe moet je wetenschappelijk de godsrelatie, waarvan de moslim of de christen getuigt, beschrijven? W. Proudfoot lost dat in zijn studie over religieuze ervaring (Religious Experience)op door de religieuze ervaring eerst te beschrijven vanuit de gelovige en diens godsrelatie. Vervolgens voegt hij er een wetenschappelijke verklaring aan toe. Vanuit de wetenschap willen Proudfoot en andere godsdienstwetenschappers religie verklaren vanuit de historische omstandigheden. Religie kan bijvoorbeeld verklaard worden als een uitweg voor ellende (Freud) of meer individueel-psychologisch vanuit de behoefte aan een vaderfiguur (Freud). Ik beschouw zulke verklaringen als reductionisme, dat wil zeggen dat het verschijnsel religie slechts gedeeltelijk verklaard wordt of teruggebracht wordt tot een deelaspect. De mogelijkheid dat God de oorsprong is van de religieuze ervaring wordt niet serieus genomen.

Omdat het een feitelijk gegeven is dat mensen religieuze ervaringen hebben, directe en duurzame religieuze ervaringen, meen ik dat het redelijk is om in principe van de betrouwbaarheid van zulke getuigenissen uit te gaan. Ik ga ervan uit dat het inderdaad God (of het religieus transcendente) is dat de oorsprong van zo’n ervaring is. De vraag is dan hoe je de godsrelatie zo kunt beschrijven dat ook anderen die zo’n relatie willen betwisten, tenminste de beschrijving ervan begrijpen. Daarvoor gebruik ik als theoloog de filosofie en wel de fenomenologie.

Onze relaties met mensen zijn intentioneel. We richten ons op iemand anders en die ander richt zich op ons. In de godsrelatie is dat anders. God is immers niet een ‘individu’ met wie we een relatie aangaan. Er is tussen mens en God een grens, maar dat is een grens vanuit ons gezien en niet vanuit God die ons immers omvat, zoals psalm 139 laat zien, ‘U omsluit mij, van achter en van voren’. Er is een parallel tussen de religieuze ervaring en de esthetische ervaring. Een schilderij kan ons zo treffen dat we ons ‘aangeraakt’ voelen. De relatie is a-symmetrisch: wij worden aangeraakt. Onze gerichtheid op het schilderij wordt doorkruist door wat het schilderij ons aanbiedt. Iets soortgelijks gebeurt in de relatie met God. De godsrelatie is niet intentioneel zoals dat het geval is in intermenselijke relaties. Om het a-symmetrische karakter te benadrukken zou ik de godsrelatie trans-intentioneel willen noemen: ze doorkruist onze intenties.

De redelijkheid van de religieuze ervaring

Leezenberg acht een redelijke rechtvaardiging van de religieuze ervaring niet goed mogelijk. Hij vat religieuze ervaring op als emotie of gevoel. Dat is een versmalling van het begrip religieuze ervaring zoals we zagen. Laten we ons de vraag stellen of de religieuze emotie niet redelijk zou kunnen zijn. De psychologie en de filosofie van de emotie hebben sinds James een hele ontwikkeling doorgemaakt (De Sousa, Goldie e.a.). Tegenwoordig erkennen velen dat emoties cognitief kunnen zijn. Neem woede. We zijn woedend op iemand om een bepaalde reden. Onze woede verdwijnt, als we horen dat we ten onrechte iemand hebben verdacht van hetgeen we als onrecht beschouwen. Ook religieuze emoties hebben een ‘object’. Mensen danken God voor de geboorte van een kind. Waarom zou dat een onredelijke emotie zijn?

Als we de religieuze ervaring opvatten als duurzame ervaring zoals ik doe, kan dan sprake zijn van de redelijkheid van religieuze ervaring? Daarvoor moet ik aangeven wat onder redelijkheid is te verstaan. Leezenberg wijst erop dat de rede tegenwoordig in verband wordt gebracht ‘met manieren van redeneren en het geven van redenen, ofwel van het logisch verantwoorden van en rechtvaardigen van opvattingen’ (19). Dit voetspoor volgend, ga ik uit van een opvatting van redelijkheid die we in het dagelijks leven gebruiken. Onder redelijkheid versta ik dat het in het algemeen redelijk is om een overtuiging te accepteren, tenzij er goede redenen zijn om op te houden met te denken dat die overtuiging waar is. Daarbij erken ik de mogelijkheid van het geven van positieve redenen voor de eigen overtuiging, indien daarom wordt gevraagd. Kunnen we spreken over de redelijkheid van de religieuze ervaring? Daarover zou ik meer kunnen zeggen dan hier mogelijk is. Elders ben ik daar uitvoerig op ingegaan. Hier beperk ik mij tot het volgende voorbeeld.

De religieuze ervaring van christenen heeft zoals gezegd een kennisinhoud. Christenen getuigen dat ze heil ervaren in Christus van Godswege. Het is een zaak van redelijkheid om te vragen of zo’n getuigenis betrouwbaar is. Dat doen we ook in andere situaties als het gaat om een getuigenis. Getuigenissen spelen in de samenleving en in de wetenschap een grote rol. De rechtbank dient de betrouwbaarheid van getuigenissen en van getuigen te onderzoeken. Op grond daarvan komt de rechter tot een oordeel of iemand die aangeklaagd is, al dan niet schuldig is. De historicus dient getuigenissen over gebeurtenissen uit het verleden te beoordelen op hun betrouwbaarheid. Zo is het ook een eis van redelijkheid om de betrouwbaarheid van het kenniselement van religieuze ervaringen te onderzoeken. Is het getuigenis van de Evangeliën over Jezus betrouwbaar? Zeker is de religieuze ervaring subjectief. Geloven is meer dan alleen een getuigenis op haar redelijkheid beoordelen. Maar dat laat onverlet dat in geloven en in religieus ervaren ook een aspect zit dat redelijk kan worden beoordeeld, namelijk de historische betrouwbaarheid van het Jezusverhaal.

Geloof is redelijk en ‘meer dan redelijk’. Omdat geloof ook redelijk is, kan in de openbare sfeer een gesprek gevoerd worden met andersgelovigen over hun en over de eigen religie. Maar dan moeten we ook vanuit het binnenperspectief naar het buitenperspectief gaan. De eigen religieuze ervaring kan dan al dan niet een redelijke verantwoording krijgen.

 

Zie voor de verwerkingsvragen en de huiswerkopdracht www.bewegingonline.nl

 

Prof. dr. Wessel Stoker doceert godsdienstwijsbegeerte en esthetiek aan de VU. Hij publiceerde onder meer Is geloven redelijk? Een geloofsverantwoording, Zoetermeer: Meinema 2004.

 
Sophie