Sophie
Sophie Sophie


Vraag nu een
GRATIS
proefnummer aan!

Vraag nu een gratis proefnummer aan!
Missie
Soφie is een uitgave van de Stichting voor Christelijke Filosofie. Zij biedt een intellectuele uitdaging door kritisch na te denken over actuele onderwerpen, geïnspireerd door de christelijke traditie.

Redactie
ing. P. de Boer
dhr. A. Deddens
mevr. drs. E.J. van Dijk
mevr. drs. M. Doornenbal
mevr. drs. R. Ebbers-van Aalst
dr. J. Ester
drs. I.D. Haarsma
prof. dr. J. Hoogland
dhr. A. Janse
dr. ir. R.A. Jongeneel
mevr. drs. D.G. Rots
dr. P.H. Vos
dr. K. van der Zwaag
Een zielloos pleidooi voor de vrije wil PDF Print Email
Written by   

Daniel Dennetts naturalisme is gespleten, is de stelling van Leon de Bruin. Enerzijds pleit Dennett hartstochtelijk voor het belang van de vrije wil, tegen het wetenschappelijk wegverklaren ervan. Anderzijds gebruikt hij de wetenschap om al het bovennatuurlijke uit te bannen.

Daniel Dennett is ongetwijfeld een van de meest invloedrijke denkers van dit moment. Daarnaast is hij een van de weinige filosofen die zich ook buiten de eigen discipline doet gelden. Dennett staat erom bekend wars te zijn van ‘interne’ wijsgerige discussies en moeilijk specialistisch jargon. Zijn werk is vrijwel zonder uitzondering interdisciplinair van karakter. Klassiekers als Consciousness Explained, The Intentional Stance en Darwin’s Dangerous Idea hebben gretig aftrek gevonden bij filosofen en wetenschappers van diverse snit, en ook het recentere Breaking the Spell en Freedom Evolves zijn uitdrukkelijk voor een breder publiek bestemd.

In dit artikel wil ik dieper ingaan op Dennetts positie als het gaat om de relatie tussen filosofie en wetenschap. Ik zal betogen dat deze positie op z’n minst ‘instabiel’ genoemd kan worden. Enerzijds pleit Dennett hartstochtelijk voor het belang van de vrije wil, het bewustzijn en moraliteit, en trekt hij fel van leer tegen diegenen die beweren dat deze eigenschappen uiteindelijk wegverklaard zullen worden door de wetenschap. Anderzijds gebruikt Dennett de wetenschap om al het bovennatuurlijke uit te bannen, en te argumenteren voor een onttoverd wereldbeeld dat vrij is van religieuze invloeden. Dit leidt tot een ‘gespleten naturalisme’, dat als het ware klem zit tussen religie en wetenschap en zich aanpast naargelang Dennett één van deze twee op afstand probeert te houden. Ik zal dit nader illustreren aan de hand van een analyse van Dennetts pleidooi voor de vrije wil en zijn visie op de relatie tussen lichaam en geest.

Dennett over de taak van de filosofie

Volgens Dennett is het de taak van de filosofie om te onderhandelen over twee verschillende mensbeelden: het manifeste mensbeeld en het wetenschappelijke mensbeeld. Het manifeste mensbeeld toont ons de mens zoals deze zichzelf tegenkomt in het alledaagse leven, als een wezen met bewustzijn en een ‘innerlijke dimensie’, een wezen dat handelt op basis van intenties, overtuigingen en verlangens en hierin een zekere vrijheid ervaart, en een wezen dat beschikt over morele zintuigen en besef heeft van goed en kwaad. Het wetenschappelijke mensbeeld toont ons de mens zoals we deze leren kennen door de wetenschap. Hier maken natuurwetten de dienst uit, is de mens ‘overgeleverd aan de zwaartekracht’ en lijken belangrijke menselijke eigenschappen simpelweg herleid te kunnen worden tot een samenspel van brein, lichaam en omgeving.

Sommige filosofen stellen dat het primaat van ons denken dient te liggen bij het manifeste mensbeeld. In de Reformatische Wijsbegeerte, bijvoorbeeld, spreekt men over de theoretisch-wetenschappelijke denkhouding (de zogenoemde ‘Gegenstand’-relatie), die altijd een abstractie veronderstelt ten aanzien van de naïeve ervaring. Tegenover deze ‘naïeve realisten’ staan de zogenoemde ‘sciëntisten’, die beweren dat het wetenschappelijke mensbeeld superieur is aan het manifeste mensbeeld, met haar illusies over de vrije wil, het bestaan van de ziel en wat dies meer zij. De Amerikaanse psycholoog Dan Wegner claimt bijvoorbeeld het volgende: ‘Het gevoel dat je bewust opstaat en naar de andere kant van de kamer loopt, en achteraf weet dat jíj dat bewust wilde – dat gevoel is sterk en overtuigend, maar niettemin een illusie.’

Volgens Dennett dient de filosofie te laten zien hoe deze twee mensbeelden, die op gespannen voet met elkaar staan, uiteindelijk toch kunnen samengaan. Bijvoorbeeld door bepaalde aspecten van het manifeste wereldbeeld te verhelderen en te laten zien hoe deze wetenschappelijk onderzocht zouden kunnen worden. Veel van Dennetts eigen werk kan worden gezien als een poging om een actieve bijdrage te leveren aan deze wisselwerking. Een mooie illustratie hiervan is het artikel ‘Beliefs about beliefs’, dat hij in 1978 schreef voor het vooraanstaande tijdschrift Behavioral and Brain Sciences en dat aan de basis heeft gestaan van het onderzoek naar de Theory of Mind – een van de meest populaire onderzoeksprogramma’s in de ontwikkelingspsychologie.

Naturalisme of sciëntisme?

Tot nu toe heb ik over ‘het’ manifeste mensbeeld geschreven, alsof er een uniforme visie zou bestaan die alle belangrijke aspecten van het menselijk bestaan omvat en waarover filosofen een principeakkoord hebben bereikt. Maar dat is zeker niet het geval. In het manifeste mensbeeld van Dennett is bijvoorbeeld een centrale plaats ingeruimd voor de vrije wil. Tegenover hersenwetenschappers als Dick Swaab en Victor Lamme verdedigt Dennett de stelling dat de vrije wil ‘echt’ bestaat, ondanks het feit dat experimenten zoals die van Benjamin Libet lijken te suggereren dat onze handelingen niet het gevolg zijn van bewuste intenties maar van onbewuste hersenprocessen. Voor God lijkt er in Dennetts manifeste mensbeeld echter geen ruimte te zijn. Aan de ene kant is dat niet zo vreemd. Dennett is een uitgesproken atheïst en een supporter van de ‘Brights-beweging’, die zich sterk maakt voor een wereld die vrij is van religieuze invloeden. Daarnaast wordt hij gerekend tot een van de ‘Vier Ruiters van het Nieuwe Atheïsme’ (een tamelijk bizarre verwijzing naar het bijbelboek Openbaringen), samen met Richard Dawkins, Sam Harris en Christopher Hitchens. Aan de andere kant valt het echter moeilijk te ontkennen dat geloof in God voor het overgrote deel van de mensheid een belangrijke, zo niet de belangrijkste rol speelt in het alledaagse leven. Deze bewering kan men zelfs op empirische gronden staven. Maar ze past niet in het manifeste mensbeeld dat Dennett voor ogen heeft.

Dennett is een overtuigd naturalist. Hij beschouwt de mens in al zijn facetten als een natuurlijk fenomeen, een product van biologische en culturele evolutie. Volgens het naturalisme dient het manifeste wereldbeeld gevrijwaard te worden van bovennatuurlijke krachten en mystieke elementen. Maar Dennett kan deze naturalistische visie bijna geen kracht bijzetten zonder zich te wenden tot de wetenschap. In Breaking the Spell, bijvoorbeeld, waarin hij religie probeert te verklaren als een natuurlijk fenomeen, wordt veelvuldig een beroep gedaan op wetenschappelijk onderzoek, met name in de evolutionaire psychologie. En hoewel Dennett genoeg filosoof is om te beseffen dat dit hem geen ‘bewijs’ tegen het bestaan van God oplevert, is het niet moeilijk om tussen de regels door te lezen dat hij religie eigenlijk maar onzin vindt − een vorm van zelfbedrog.

De vraag is niet zozeer of Dennett nu gezien moet worden als agnost in plaats van als atheïst (zoals zijn ‘mederuiter’ Richard Dawkins, die recentelijk uit de kast kwam). Waar het om gaat is Dennetts dubbelzinnige houding ten aanzien van de wetenschap. Zolang we ons concentreren op de vrije wil is Dennett een tolerante naturalist, die elke vorm van sciëntisme afwijst en volhoudt dat onze alledaagse ervaring in overeenstemming kan worden gebracht met welk wetenschappelijk onderzoek dan ook. Echter, zodra de focus verschuift naar religie en religieuze overtuiging verandert dit naturalisme radicaal van gedaante en wordt de wetenschap in stelling gebracht om de religieuze waan van de dag te ontkrachten. Hier schuurt naturalisme heel dicht aan tegen sciëntisme.

Religie als natuurlijk fenomeen

Ik wil niet beweren dat we Dennett moeten bestempelen als een doorgewinterde sciëntist. Maar misschien toch wel als een ‘gelegenheidssciëntist’ of als iemand die een ‘gespleten naturalisme’ verdedigt. Het is namelijk niet duidelijk waarom de vrije wil wel tot het manifeste mensbeeld gerekend dient te worden en religie niet. Beide zijn het onderwerp van empirisch onderzoek. Waarom dient religie te worden wegverklaard en de vrije wil niet?

Deze vraag is des te prangender in het licht van evolutionair-psychologisch onderzoek naar de oorsprong van religie en religieuze overtuigingen. Dennett is een fervent aanhanger van het zogenoemde ‘indoctrinatiemodel’, dat stelt dat mensen religieuze overtuigingen hebben omdat ze deze van anderen hebben overgenomen. Volgens het indoctrinatiemodel moeten religieuze overtuigingen gezien worden als ‘memen’ (een term die Dennett heeft overgenomen van Dawkins). Memen zijn de culturele dragers van ideeën en symbolen die zich voortplanten door middel van spraak, schrift, gebaren, rituelen en andere op imitatie gebaseerde praktijken. Ze zijn geen product van natuurlijke selectie, maar parasiteren slechts op onze ‘cognitieve hardware’.

Recente studies in de ontwikkelingspsychologie suggereren echter dat het indoctrinatiemodel fundamenteel onjuist is. De psycholoog Jesse Bering (de auteur van Het Godsinstinct, dat ik overigens niet kan aanraden) liet jonge kinderen bijvoorbeeld kijken naar een voorstelling waarin een muis werd opgegeten door een grote alligator. Vervolgens stelde hij hun vragen over het lichamelijke en het geestelijke welzijn van de muis. Hoewel de kinderen begrepen dat het lichaam van de muis was opgehouden met functioneren, dachten ze dat de geest van de muis nog volop actief was – ze waren ervan overtuigd dat de muis nog steeds bepaalde gedachten, gevoelens en verlangens had. In een follow-upstudie liet Bering zien dat dit gedrag niet gerelateerd was aan verschillen in religieuze opvoeding. Dit is precies het tegenovergestelde van wat men zou verwachten op basis van het indoctrinatie-model. Onderzoek van de psychologe Deborah Kelemen laat verder zien dat jonge kinderen geneigd zijn om te redeneren in termen van intelligent design, en doelgerichte verklaringen zoals ‘de wolk is gemaakt om te regenen’ verkiezen boven naturalistische verklaringen – bijvoorbeeld dat regenen nu eenmaal iets is wat een wolk toevalligerwijs doet. Kelemen noemt kinderen daarom ‘intuïtieve theïsten’ met een natuurlijke aanleg voor religie, ongeacht hun opvoeding.

In tegenstelling tot het onderzoek naar de vrije wil lijkt hier dus geen conflict te bestaan tussen het wetenschappelijke mensbeeld en het manifeste mensbeeld. Sterker nog, het wetenschappelijke mensbeeld lijkt in dit geval te pleiten voor een manifest mensbeeld waarin religie en religieuze overtuiging een natuurlijke plek krijgen toebedeeld. De vraag is of Dennetts manifeste mensbeeld openstaat voor correcties naar aanleiding van dit soort onderzoek (dat overigens letterlijk en figuurlijk nog in de kinderschoenen staat).

Tussen lichaam en geest

Dennetts gespleten naturalisme komt tevens tot uiting in zijn visie op de relatie tussen lichaam en geest. Dennett is zeker geen ‘wij zijn ons brein’-reductionist, die denkt dat alle menselijke eigenschappen kunnen worden gereduceerd tot onze grijze massa. In plaats daarvan vergelijkt hij de menselijke geest met de software van een complexe computer. De nadruk ligt hierbij op de verschillende functies die de software mogelijk maakt, en niet zozeer op de hardware waarop deze draait. In principe kunnen zulke functies namelijk in verschillende systemen gerealiseerd worden, en of deze nu bestaan uit biologische zenuwcellen of siliconenchips doet er niet toe. Dit maakt dat de geest niet gereduceerd kan worden tot het brein. Tegelijkertijd houdt Dennett echter vol dat er niet zoiets bestaat als een (al dan niet onsterfelijke) menselijke ziel − de computermetafoor van de menselijke geest dient uitsluitend in materialistische termen begrepen te worden. Hij manoeuvreert zich ook hier dus weer precies tussen religie en wetenschap.

Hoeveel ruimte laat deze benadering voor het bestaan van de vrije wil? Enerzijds suggereert het manifeste wereldbeeld volgens Dennett dat de mens onmiskenbaar een zekere mate van vrijheid geniet in zijn handelingen. Anderzijds, zo stelt hij, toont het wetenschappelijke mensbeeld aan dat de mens tot op het bot gedetermineerd is door de wetten van de natuur en dat alles wat er gebeurt volledig kan worden verklaard op basis van voorafgaande feiten, gebeurtenissen en processen. Lukt het Dennett om deze twee mensbeelden met elkaar in overeenstemming te brengen in zijn visie op de relatie tussen lichaam en geest?

Dennett is een zogenoemde ‘compatibilist’: hij beweert dat determinisme volledig verenigbaar is met het bestaan van de vrije wil. Net zoals de meeste compatibilisten definiëert hij de vrije wil als het ontbreken van een psychologisch besef van dwang. Het mag dan zo zijn dat ons hele doen en laten van tevoren is bepaald, zolang we niet beperkt worden in ons denken en ons gedrag kunnen rechtvaardigen op basis van onze overtuigingen, intenties en verlangens, beschikken we over een vrije wil. We kunnen ons afvragen of deze vorm van compatibilisme houdbaar is in het licht van het huidige onderzoek in de cognitieve neurowetenschappen en de sociale psychologie. De psychologe Simone Schnall heeft bijvoorbeeld laten zien dat mensen geneigd zijn minder strenge morele oordelen te vellen wanneer ze even daarvoor hun handen hebben gewassen of wanneer ze achter een ordelijk in plaats van een rommelig bureau zitten. Dit soort experimentele bevindingen zijn problematisch voor de compatibilist in zoverre ze de indruk wekken dat niet alleen ons handelen, maar ook ons denken wordt bepaald door allerlei factoren waar we geen invloed op kunnen uitoefenen. Het is voor de compatibilist geen optie om het determinisme zelf te verwerpen. De enige mogelijkheid die dan nog overblijft is om lichaam en geest als volledig gedetermineerd te beschouwen.

Echter, ook als we dit soort onderzoek buiten beschouwing laten is het niet duidelijk hoe Dennetts visie op lichaam en geest ruimte biedt aan een robuuste notie van de vrije wil. Hoe kan de geest, als ‘softwarepakket’, invloed uitoefenen op het brein, de cognitieve ‘hardware’, als dit brein volledig is gedetermineerd? In Freedom evolves besteedt Dennett bijzonder veel aandacht aan wat hij ‘evitability’ noemt: het menselijke vermogen om ongewenste gebeurtenissen te vermijden door te anticiperen op wat komen gaat. Maar dit lijkt precies om het soort onafhankelijke geest te vragen waar Dennett geen plek voor heeft. Als het noodlot beschikt, dan kan men dat toch niet zomaar ontlopen? Met name de combinatie van determinisme en naturalisme wordt Dennett hier fataal. Als naturalist is hij fel gekant tegen alles wat buiten het bereik van de wetenschappen valt. Als determinist is hij ervan overtuigd dat alles wat zich binnen de wetenschap aandient uitsluitend voortkomt uit voorafgaande feiten, gebeurtenissen en processen. Het is haast onvermijdelijk dat dit resulteert in een genaturaliseerde geest die volledig aan (natuurlijke) banden is gelegd.

Me dunkt dat de evolutie van de vrije wil hier sterk wordt afgeremd door een onnodig commitment aan naturalisme en determinisme. Het opzeggen hiervan zou niet alleen een bijdrage kunnen leveren aan een vitalere notie van de vrije wil, maar tevens ruimte kunnen scheppen voor een rijker mensbeeld. Dat lijkt me een mooie taak voor de filosofie.

Dr. Leon de Bruin is als filosoof verbonden aan de Universiteit van Bochum.

 
Sophie