De ziel van Europa – steeds meer los van christelijke verankering

Boekbespreking, De ziel van Europa - steeds meer los van christelijke verankering

De meeste mensen geloven dat ze een ziel hebben, maar bijna niemand kan uitleggen wat het is, luidt de eerste zin van het boek van Ole Martin Høystad, emeritus hoogleraar culturele studies aan Telemark University in Noorwegen. Hij geeft een scherpe analyse van het begrip ‘ziel’ in de cultuurgeschiedenis.

Ziel is de uitdrukking van iets diep persoonlijks. In de gehele geschiedenis is de ziel het prisma geweest waardoor de mens en zijn leven gezien en begrepen werden. Het appel van Socrates aan de burgers van Athene om voor de ziel te zorgen en de boodschap van het christendom om de ziel te hoeden, hebben volgens Høystad de grondslag gevormd voor de manier waarop we in onze cultuur naar de mens kijken. De ziel werd beschouwd als uitdrukking van de individuele persoonlijkheid, als de persoon zelf.

De schrijver vermoedt dat de idee van het bestaan van zoiets als de ziel waarschijnlijk is ontstaan als een antwoord op het mysterie van de dood. Het gaat dan vooral om de vraag of er leven na de dood is. Met name vanaf de middeleeuwen kenmerkte het christendom zich door de angst voor de eeuwige verdoemenis. Gaandeweg de geschiedenis wordt deze gedachte ter discussie gesteld. De ziel wordt steeds minder metafysisch en religieus opgevat en in de nieuwe wetenschap van de psychologie geherinterpreteerd tot psyche. Tot zover de grondlijn van het boek.

Talloze figuren passeren de revue. Homerus bijvoorbeeld ziet de mythische ziel als een antwoord op de vraag wat er met de mens gebeurt na zijn dood. De ziel is als een schaduw van zichzelf. Bij Socrates en Plato is de ziel daarentegen het zelf van de persoon, de drager van rede, de enige blijvende waarde van de mens.

Vooral bij Plotinus krijgt de ziel een vooraanstaande plaats. De ziel heeft contact met de hogere geestessferen. Daarmee wordt de ziel tot een kernbegrip van het westerse mensbeeld. Maar bij Plotinus moet de ziel zichzelf verlossen uit de kerker van het lichaam. Hij spreekt niet van verlossing en genade van buitenaf. In de christelijke middeleeuwen wordt de algemene filosofische opvatting van de ziel als een begrip in een rationeel theoretisch systeem afgelost door een religieus perspectief.

Het moderne individualisme is volgens Høystad een product van de middeleeuwse christelijke zorg voor de ziel, die per definitie een individuele ziel is en de verlossing van het individu betreft. De aandacht voor de individuele ziel en de persoonlijke schuld ontwikkelde zich vooral via de christelijke biechtcultuur, die in de twaalfde en dertiende eeuw opkwam. De ziel is iets wat aangeboren is, door God gegeven, iets wat de dood overleeft.

Dat is volgens zowel het christendom als de islam het geval. Ook bij de islam is het lot van de ziel de eenheid met God. Daarbij gaat het om lichaam en ziel, de gehele mens die herschapen wordt, wat een soort ideale verlenging is van het beste van dit leven, met alle materiële en zinnelijke geneugten. Maar dan wel alleen voor de uitverkorenen. “Vrede en verlossing van de ziel zijn er alleen voor degenen die jouw juiste geloof delen”, aldus Høystad.

Moderne tijd

In de moderne tijd is de ziel losgekomen van een religieuze verankering. Descartes speelde daarbij een beslissende rol: hij vertegenwoordigde de overgang van de goddelijke, onsterfelijke middeleeuwse ziel naar de abstracte, denkende ziel als synoniem voor het moderne zelf, het denksubject met bewustzijn. De substantie van de ziel is afgenomen, in de zin van een immateriële waarde. Dat gebeurt door de Engelse en Schotse empiristen. De ziel (soul) wordt verwezen naar het domein van geloof en religie, terwijl mind haar plaats inneemt als drager van rede en kennis.

Van enorm belang was Darwins evolutietheorie die met één dodelijke klap de idee vernietigde dat de mens naar Gods beeld geschapen was, aldus Høystad. “De oorsprong van de mens ligt in de natuur, niet in een bovennatuurlijke instantie in het hiernamaals.” Terwijl de ziel van Plato tot Kierkegaard ten koste van het leven verheven werd, wordt de verhouding anders na de darwinistische revolutie: de mens is ook een dier, zo luidt het nieuwe inzicht.

De negentiende eeuw was de eeuw van de natuurwetenschappen die ook met wetenschappelijke verklaringen kwam voor de ziel. Dat gebeurde in de psychologie (die de ziel in psyche veranderde) en de psychotherapie (Freud, met aandacht voor neurosen en psychosen). Nietzsche ziet de opwaardering van de ziel en haar verankering in een wet over eeuwige verlossing of eeuwig lijden, als een psychisch middel om het lichaam te onderdrukken. Er is volgens hem een ‘nieuwe ziel’ nodig, verankerd in het leven op aarde, niet in het hiernamaals, het transcendente.

In het themanummer ‘de Ziel’ van Psyche & Geloof (2018) zien we hoe de ziel is verdwenen in de psychologie en psychiatrie. De literatuur spreekt er niet meer over. De spirituele dimensie is verdwenen, het geheimenis waaraan we aarzelend een naam geven: de ziel. De ziel als het principe dat beweging verklaart en iets van een samenhangend geheel moet verklaren, is verdwenen. Herman Westerink zegt dat de psychologie zich aan het eind van de negentiende eeuw meer en meer heeft ontwikkeld in de richting van een wetenschap die het menselijk gedrag bestudeert om zich vervolgens te ontwikkelen in de richting van de studie van het menselijk brein. Onze tijd staat volgens klinisch psycholoog en psychotherapeut Arthur Hegger vijandig tegenover de gedachte dat we belichaamde zielen zijn. We zoeken naar een materialistische verklaring van onze psychische activiteit. Hegger stelt dat mind de plaats van ziel heeft ingenomen. Maar is de mind terug te voeren tot hersenactiviteit? Hoe zit het met de vrije wil en met ethische beslissingen? Neurobiologen, neurofysiologen en psychologen concentreren zich op de afzonderlijke vermogens van het organisme van de mens. Het menselijk genoom, ons DNA, is inmiddels in kaart gebracht. De neurowetenschappen zijn sinds jaren in opmars en voorspellen dat in 2025 ons brein ontrafeld zal zijn.

De overgang van ziel naar psyche is volgens Høystad de meest radicale verandering in het begrip van de ziel sinds de overgang van de christelijke middeleeuwen naar de renaissance en Verlichting. Nu geven de psychologie en psychiatrie de toon aan en weten we steeds meer dat de ziel geen substantiële eenheid meer is met een wezenskern, maar heterogeen is, een constructie van onze cultuur en omgeving, steeds meer een uiting van onze onschendbaarheid, onze kwetsbaarheid en onze breekbaarheid.

Faust

Het is onmogelijk om alle personen in dit rijke werk te noemen: Augustinus, Dante, Montaigne, Kant, Goethe, Kafka, James Joyce, Freud, Nietzsche, Wittgenstein. In Goethes Faust is de ziel het object van het drama, terwijl Faust het subject is. De belangrijkste vraag is: kan Faust in houding en handeling zo moreel en persoonlijk leven dat zijn ziel verlost kan worden van het lijden en al het kwade waar Mefistofeles voor staat? Goethe ontvouwt deze tragedie als een kosmisch drama tussen hemel en hel. Hemel en hel zijn voor Goethe echter geen werelden aan gene zijde, maar metaforen voor wat er in dit leven gebeurt met en tussen mensen. De ziel is niet langer dezelfde als in heidense tijden of de christelijke middeleeuwen. De ziel is verstrengeld met het lichaam en verwikkeld in een strijd tussen de elementen.

De mens is in Faust een geestelijk leven dat in denken en houding streeft naar verheffing tot een hogere geestelijke toestand. Daarbij is de liefde, het Ewig-Weibliche, de stuwende kracht naar de verlossing, zo blijkt vooral uit het tweede deel van Faust. Goethes diepe overtuiging is dat iets in hem de dood zal overleven, iets wat hij ziel noemt, wat zich kan verheffen en geestelijker en meer geest-lijkend kan worden. Høystad: “De genade wordt verleend vanwege de liefde, de verlossende macht, groter dan de mens, die het leven in stand houdt als een scheppende en eeuwig vernieuwende en verzoenende kracht.”

Kierkegaard heeft het religieuze en psychologische op adembenemende wijze met elkaar verbonden. Het gaat Kierkegaard om de dood en de verlossing van de ziel, aldus Høystad. Dat er een opstanding uit de doden is en dat onsterfelijkheid het oordeel is, is volgens hem stiefmoederlijk behandeld in de literatuur over Kierkegaard, terwijl deze zelf vond dat dit het belangrijkste onderdeel was in zijn eigenlijke christelijke werk, in vergelijking met de werken die hij onder pseudoniem schreef. Høystad: “Daarom komt in zijn hele oeuvre de vraag van de onsterfelijkheid van de ziel terug, de sprong in of naar het geloof in de hoop op eeuwige zaligheid, met geloof als doel en middel.”

Hoe belangrijk de ziel bij Kierkegaard is, lezen we in een bundel religieuze redevoeringen Het goede komt van boven van Kierkegaard, met daarin een verhandeling over de tekst: “Verwerf je ziel in je geduld” (Lucas 21:19). ‘Ziel’ is hier genomen in de zin van ‘de tegenstrijdigheid van het tijdelijke en het eeuwige’. Kierkegaard doelt hier op de innerlijke en eeuwige gerichtheid van de mens op God die hij vanaf zijn geboorte meedraagt maar die botst met zijn gerichtheid op deze wereld. De mens heeft een ziel maar moet die tegelijk verwerven, dat wil zeggen onderhouden en innerlijk toe-eigenen. Doet hij dat niet dan verliest hij zijn ziel aan de wereld en gaat hij werkelijk verloren.

Het verwerven van de ziel in geduld is precies haar tegenstrijdigheid én roeping. Scherp geformuleerd: “Zij (= de ziel) moet tegelijkertijd bezit zijn en verworven worden, ze behoort de wereld toe als onwettig bezit, ze behoort God toe als waarachtig bezit, ze behoort de mens zelf toe als bezit, dat wil zeggen, als het bezit dat hij zich moet verwerven. Als hij haar werkelijk verwerft, verwerft hij dus zijn ziel bij de wereld vandaan, hij verwerft haar van God, door zichzelf.”

Niet van God los

Onthullend schrijft Høystad over nazitopman Adolf Eichmann dat het hem totaal ontbrak aan zorg voor zijn ziel. Hij had net zomin een geweten als een ziel. Hij was geen sadist, maar een nieuw type crimineel, een bureaubeul. Of hij een ziel had? Het ontbrak hem aan een innerlijke soevereine instantie, aldus Høystad. Hij is de holle en lege mens, al zou hij dan een ziel hebben, deze heeft geen enkele diepte en substantie van betekenis. Toen Hanna Arendt tot het mysterie van Eichmann probeerde door te dringen, vond ze geen bodem en geen diepte, alleen oppervlakte.

Intussen is duidelijk geworden dat de moderne westerse cultuur weggegroeid is van de wortels van het christendom. De christelijke visie op de ziel, onsterfelijkheid en God is voor een belangrijk deel verloren gegaan. Toch blijkt de mens niet van God los, wat vooral duidelijk is in de moderne literatuur. De versmalling van de ziel tot psyche heeft de religieuze gerichtheid van de Europese cultuur volgens Høystad geen goedgedaan. Maar ondanks de teloorgang van de ziel door de ontkenning van de onsterfelijkheid, het hiernamaals of door de wetenschap van de psychologie, overleeft de ziel, schrijft Høystad, dankzij de christelijke invloed in de Europese cultuur die tot uiting komt in het reeds eerder genoemde individualisme.

Høystad geeft met zijn beschrijving van het concept ziel eigenlijk een dwarsdoorsnede van de Europese cultuurgeschiedenis. Dat onderstreept de overstelpende rijkdom van dit boek. Gaandeweg besef je hoe afgeplat onze cultuur is geworden. Maar diep op de bodem lijkt de ziel toch weer niet verdwenen te zijn en is zij een bron van nieuwe inspiratie, ook van christelijke denkbeelden. Daarom eindigt dit boek toch met sprankjes hoop, hoezeer de koude wind van de secularisatie de ziel in tal van opzichten letterlijk heeft kaltgestellt.

Zo ziel-loos is onze cultuur ook weer niet als het erop aankomt.

Naar aanleiding van

Ole Martin Høystad, De ziel. Een cultuurgeschiedenis, Amsterdam, 2018
Søren Kierkegaard, Het goede komt van boven, Amsterdam, 2018
Psyche & Geloof. Themanummer: de Ziel, bij het afscheid van Piet Verhagen als hoofdredacteur; 29e jaargang, nummer 1, maart 2018

Sophie 08e jaargang nr. 3 - juni 2018