Een filosofische geschiedenis van de inhaligheid

Hebzucht lijkt in onze tijd genormaliseerd, greed is good. Hoe kunnen we ons er tegen te weer stellen en hoe moeten we onze markteconomie inrichten en onderhouden? Roel Jongeneel doet een studie.

 

Hebberige bankiers en speculanten waren schuldig aan de economische crisis van 2008, als je toenmalig minister van financiën Wouter Bos mocht geloven. Al snel sloeg de teneur om. Was de burger echt alleen maar een willoos slachtoffer geweest van egoïstische graaiende financiële elites? Had die burger zich niet laten inpakken met hypotheken, aandelen, levenspolissen, met de belofte van het grote geld?

Onder de noemer toename van consumentenvertrouwen deed de politiek intussen wel een beroep op individuele hebzucht om de economie na de crisis aan te zwengelen. Premier Rutte ‘beval’ de Nederlander niet bij de pakken neer te zitten, maar een nieuwe auto of een huis aan te schaffen. Hebzucht werd veroordeeld als oorzaak van de crisis, maar net zo gemakkelijk aangedragen als middel om de crisis te bezweren: kwaal en medicijn tegelijk.

Hebzucht, een filosofische geschiedenis van inhaligheid, van Jeroen Linssen, universitair hoofddocent sociale en politieke filosofie in Nijmegen, gaat niet zozeer over de uitingen van hebzucht, maar is een filosofische geschiedenis van het denken over hebzucht. Dat helpt om inzicht te krijgen in de maatschappelijke waardering van de hebzucht en ook om te zien welke verschuivingen daarin in de loop van de tijd zijn opgetreden. Onze houding blijkt tamelijk dubbel te zijn en Linssen bespreekt zowel de ‘voors’ als de ‘tegens’.

 

De opkomende geldeconomie (1000-1350)

Volgens Linssen kennen we deze dubbele houding ten opzichte van hebzucht al sinds de herinvoering van de geldeconomie in de dertiende eeuw. Aanvankelijk werd het ontluikende kapitalisme scherp veroordeeld door de kerk. Het benoemen van hebzucht als hoofdzonde paste bij de opkomst van een nieuwe stedelijke klasse van kooplieden, die haar maatschappelijke plek ‘toegewezen’ moest krijgen. Zoals Linssen laat zien moest de kerk echter geleidelijk aan erkennen dat handel ook voor voorspoed en vrede zorgde.

De kerk nam een duidelijke ethische positie in met de stroom aan publicaties over de lijst van doodzonden. Hoogmoed (superbia) stond in die lijst van het begin af op nummer één. Echter, na de commerciële revolutie zie je dat hebzucht (avaritia) als ondeugd aan belang wint en zelfs hoogmoed van de eerste plaats lijkt te stoten. De lijst met doodzonden is een praktisch-ethische benadering, met als doel een moreel-ethisch kader voor het samenleven te bieden. De kerkelijke ethiek is in die tijd nog ‘maatschappijbreed’. De zondenlijsten doen wat biblicistisch aan. Er is een duidelijke link met Bijbelplaatsen en met de tien geboden, al zijn er ook overeenkomsten met de klassieke Griekse traditie.

Wat ontbreekt in het debat dat Linssen schetst, is denk ik een duidelijke differentiëring. Hebzucht is een duidelijk verkeerd en egoïstisch motief, dat onder kritiek staat in de joods-christelijke traditie. Maar dat je je gaven kunt aanwenden om een boterham te verdienen, ofwel anderen kunt helpen en daarmee ook een inkomen verwerven, komt niet echt in beeld. De commerciële revolutie (periode 950-1350) en de daarmee verbonden opbloei van het economische leven had aanleiding moeten geven tot een nieuwe doordenking van de verhouding geloof en economie. Nu werden door de kerk oude ethische reflecties opgerispt en zwart-wit in stelling gebracht. Dat gaf wel helderheid, maar getuigde niet van veel onderscheidingsvermogen. De eenvoud won het van de juistheid en zorgvuldigheid. De kerk miste daarmee eigenlijk de boot en bleek niet in staat om de voor de opkomende commerciële economie zo nodige leiding te bieden. De kerk ‘verloor’ uiteindelijk niet alleen de arbeider door haar gebrek aan aandacht voor de sociale kwestie, maar lang daarvoor al de ondernemer.

 

Renaissance en reformatie (1350-1600)

Wat mij opviel in het boeiende betoog van Linssen is dat er in de renaissance ruimte kwam voor de discussie over de positieve effecten van het eigenbelang, terwijl het kompas nog steeds naar het noorden wees: hebzucht bleef in haar kern een unverfroren ondeugd. Als voorbeelden bespreekt Linssen onder andere de Dialoog tegen de hebzucht van de Italiaanse humanist Poggio Bracciolini en Utopia van Thomas More. Bracciolini schrijft een dialoog waarin drie personen het woord voeren

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.