Bewijst het vitamine C-pseudogen gemeenschappelijke afstamming?

Illustratie, Bewijst het vitamine C-pseudogen gemeenschappelijke afstamming?

Theoretisch bioloog en filosoof Rafael Benjamin reageert op het artikel ‘Evolutie, raar maar waar?’ van Marnix Medema dat verscheen in Soφie 2017-4.

Met belangstelling las ik in Sophie nummer 4 van 2017 het artikel ‘Evolutie: raar maar waar?’ van de bioloog Marnix Medema. In dat artikel valt hij dr. Gijsbert van den Brink bij die stelt dat de macro-evolutieleer verenigbaar is met het christelijke geloof. Van den Brink zette dit standpunt uiteen in zijn boek En de aarde bracht voort.

Onder de macro-evolutieleer wordt in deze bijdrage het paradigma (stelsel van samenhangende uitgangspunten) verstaan waarbij uitgegaan wordt van de werkelijkheid van het (zijn) ontstaan van alle planten- en diersoorten uit elkaar in de loop van tientallen miljoenen jaren, met als levend beginpunt een oer-cel. Bij deze leer wordt er dus van uitgegaan dat ook de bouwplannen aan verandering onderhevig zijn. Deze gedachte wordt ook wel de ‘transmutatieleer’ genoemd.

Het is nu niet mijn bedoeling om op de theologische argumenten in te gaan. Ook op dat gebied is er al heel veel steekhoudend weerwerk geleverd door verschillende theologen. Gedurende mijn wijsbegeerte-studie aan de VU te Amsterdam was mijn hoofdvak ‘De algemene systematische wijsbegeerte’ en specialiseerde ik mij in de door prof. dr. H. Dooyeweerd ontwikkelde Wijsbegeerte der Wetsidee bij prof. dr. H.G. Geertsema. Het hoofdvak tijdens mijn biologiestudie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht was de moleculaire biologie, met als één van de bijvakken ‘Moleculaire genetica’. Ik wil mij tot mijn vakgebied beperken en laat in deze bijdrage de theologie buiten beschouwing. Daarnaast maak ik een enkele filosofische opmerking die in direct verband staat met het denken van Dooyeweerd, en ga ik vervolgens wat uitgebreider in op hetgeen de heer Medema schrijft over het vitamine C-pseudogen, ook wel het GULO-gen genaamd, waarbij het verband met de Wijsbegeerte der Wetsidee, uit welke traditie dit tijdschrift is voortgekomen, indirecter, maar beslist niet afwezig is. Veel voor een goed begrip relevante biologische termen zijn reeds in Medema’s bijdrage uitgelegd, wat mij in het vervolg weer wat uitleg scheelt.

Het moge uit deze bijdrage blijken dat de macro-evolutieleer reeds op wijsgerige gronden principieel onverenigbaar is met de door dr. H. Dooyeweerd ontwikkelde Wijsbegeerte der Wetsidee. Maar hopelijk wordt het de lezer ook duidelijk dat de karakteristieken van het zogeheten GULO-pseudogen, anders dan de heer Medema beweert, niet kunnen fungeren als empirisch bewijsmateriaal voor een gemeenschappelijke afstamming van mens en aap, dat de data-interpretatie vanuit het macro-evolutionistische uitgangspunt veeleer een vertekend beeld geeft, en dat de data integendeel wijzen op een afwezigheid van evolutionaire verwantschap tussen mens en aap.

Ik meen ook dat het zinvol is om mij tot het bovenstaande te beperken, omdat Van den Brinks theologische redeneringen stoelen op de juistheid van de macro-evolutionistische interpretatie van de moleculair-genetische en moleculair-biologische empirische bevindingen. Medema schrijft op pagina 47 dat de door de genetische revolutie aangedragen wetenschappelijke data uitstekende redenen zouden geven om te geloven dat de mens een gemeenschappelijke voorouder heeft met andere dieren zoals de muis, de hond en de chimpansee. Welnu, als er iets is wat de beweringen van de neodarwinistische macro-evolutieleer, oftewel ‘transmutatieleer’, logenstraft, zijn dat wel de door de moleculaire biologie en de moleculaire genetica aangedragen gegevens. En die betreffen in het geheel niet alleen maar de kenmerken van het GULOpseudogen. Maar omdat dit defecte gen zulk een belangrijke plaats in het betoog van de heer Medema inneemt, concentreer ook ik mij hierop, want zijn opmerkingen hierover vormen als het ware de ‘angel’ in zijn betoog.

Het filosofische argument

Maar eerst enkele filosofische opmerkingen die in een direct verband staan met de reformatorische wijsbegeerte. De hele idee van macro-evolutie, van transmutatie, dat wil zeggen: een ‘in elkaar over kunnen gaan’ van soorten, is onverenigbaar met het transcendentale denken van Dooyeweerds Wijsbegeerte der Wetsidee. In deze laatste wordt immers uitgegaan van het bestaan van een kosmische wetsorde die geldt voor het eraan onderworpen geschapene als zijn afgrenzing ten opzichte van God de Schepper. Grenzen vooronderstellen kwalitatieve verschillen in aard tussen dingen, planten en dieren. Grenzen maken deze verschillen mogelijk. Macro-evolutionisten willen niet aan grenzen, omdat zij geloven dat alles uit elkaar is ontstaan. Men zegt ook wel dat de ene soort plant of dier tot de andere, vroegere, eenvoudige soort te herleiden, te reduceren is. Vandaar dat men bij deze reductionisten, wat macro-evolutionisten per definitie dus zijn, de – onjuiste – beschuldiging van ‘essentialisme’ jegens Dooyeweerd c.s. tegenkomt. Op hun standpunt moeten zij wel. Want zowel een essentialistisch als een Bijbels uitgaan van een (dankzij (soort)grenzen mogelijk gemaakte) onherleidbare bovennatuurlijke wezenssubstantie, respectievelijk onherleidbare, geschapen eigen aard van concrete planten en dieren, maken macro-evolutie en transmutatie principieel onmogelijk! Natuurlijk beseffen sommige theïsten onder de evolutionisten ook wel, dat dit niet in lijn is met de duidelijke Bijbelse openbaring van het geschapen-zijn van de planten- en diersoorten naar hun aard. Als ‘oplossing’ hebben zij dan bedacht, dat kwalitatieve verschillen tussen en binnen de rijken van flora en fauna, en zelfs tussen niet-levend en levend, ontstaan zijn door ‘emergentie’. Alles zou dan weliswaar geleidelijk door macro-evolutie uit elkaar ontstaan zijn, maar na een kwalitatieve, sprongsgewijze overgang zou alles wat een bepaalde, kwalitatief nieuwe geaardheid eenmaal verkregen heeft, nooit meer te herleiden zijn tot het eraan voorafgaande. Zo trachten zij het reductionistische, dus herleidbare, ontstaanzijn van de onherleidbare kwalitatieve verschillen met hun bestaan te verenigen. Maar dit is natuurlijk intrinsiek tegenstrijdig. De in reformatorisch-filosofische kringen welbekende Zuid-Afrikaanse Dooyeweerd-kenner prof. dr. D.F.M. Strauss zegt hierover:

“Emergentie-evolutionisten (…) willen van twee walletjes eten: zowel continuïteit in afstamming (gedurende het ontstaansproces) als discontinuïteit in bestaan (qua wetstructuren)”

(“Emergent evolutionists (…) want to have it both ways: continuity in descent (in the process of origination) and discontinuity in existence (in structure)”)

Junk-DNA: een foutje van God?

Wat specifieker voor wat betreft het GULO-pseudogen is het volgende van belang.

Ten eerste zou ik erop willen wijzen, dat Jonathan Wells in zijn The myth of junk-DNA (De mythe van rommel-DNA (Seattle 2011)), onderbouwd door veelal uit evolutionistische hoek afkomstige ‘peer-reviewed’ artikelen, uitgebreid heeft aangetoond, dat een groot deel van wat door aanhangers van de transmutatieleer altijd als junk-DNA werd beschouwd, juist niet beschouwd mag worden als in het menselijke genetische materiaal in de loop van het evolutieproces opgehoopte waardeloze rommel. Creationisten werd hierom zelfs voor de voeten geworpen dat deze ‘rommel’ onmogelijk van een intelligente Ontwerper, die een zeer goede schepping gemaakt zou hebben, afkomstig kan zijn. Wells laat evenwel in zijn overzicht zien, dat een groot deel ervan wel degelijk een, vaak zeer belangrijke, functie binnen organismen vervult, alleen niet als eiwit-coderende genen. Vaak gaat het om een functie op het gebied van de regulatie (het tijd- en plaats-afhankelijke ‘aan en uit zetten’) van de activiteit van andere genen. Slechts een klein deel van dat zogenaamde ‘junk-DNA’ kan terecht als ‘rommel’ beschouwd worden. Maar dat pas sinds de zondeval, als gevolg van een degeneratieproces. Dat betreft dan die pseudogenen, waarvan geen informatie (meer) wordt afgeschreven in de vorm van een zogenaamd RNA-transcript (de genetische informatie in het DNA van een gen wordt door een cel gebruikt om er zogenoemd RNA van te maken. Afhankelijk van het gen fungeert dat RNA soms als matrijs om er een bepaald eiwit van te maken, maar soms ook niet. In dat laatste geval heeft dat RNA een andere belangrijke functie in de cel, bijvoorbeeld bij het bepalen of een bepaalde cel zich ontwikkelt tot een niercel of een levercel).

Eén zo’n pseudogen is het onderhavige GULO-pseudogen. Maar zij die de scheppende kwaliteiten van God ermee in twijfel trekken honoreren niet, dat God het GULO-pseudogen wel eens goed geschapen zou kunnen hebben, en dat het door de zondeval wel eens een ‘hot-spot’ (plekken in het genoom waar vaker mutaties voorkomen dan op andere plekken ) voor mutaties geworden zou kunnen zijn. Het is vreemd als Medema dit op pagina 48 een ‘ad-hocverklaring’ noemt (bedoeld zal trouwens een ‘ad-hochypothese’ zijn). Dat klinkt nogal negatief, maar ik zou niet weten wat er ‘ad hoc’ aan deze verklaring is. Los hiervan: dat het GULO-pseudogen sowieso nog kan worden herkend als defect gen dat ook een rol speelde bij de aanmaak van vitamine C (J. P. Tomkins, van wiens artikel ik in onderstaande gebruik maak, wijst erop dat er daarnaast aanwijzingen zijn voor een regulatieve functie) pleit, gezien de mutatiesnelheden, er nu niet bepaald voor dat de mutatie die het pseudogen heeft doen ontstaan al vele miljoenen jaren geleden opgetreden is in een veronderstelde gemeenschappelijke voorouder van de mens en de primaten. Dan zouden er zich daarna zeer veel méér mutaties vrijelijk opgehoopt moeten hebben in dat pseudogen, in vergelijking met het nog intacte GULO-gen bij heel vele andere diersoorten. Het model van een jonge schepping met een zondeval zo’n zesduizend jaar geleden past veel beter bij deze empirische data. Relativering van het door Medema geschetste beeld van het GULO-pseudogen

Het is jammer dat Medema op pagina 47 niet vermeldt dat voor de bewering dat het GULO-gen bij de mens (en wel in exon vijf) kapot is gegaan door een frameshift-mutatie, exon tien in het GULO-gen van de rat als norm is gebruikt, want desbetreffende exons komen voor maar 83,5% met elkaar overeen. Op dit merkwaardige gebruik door evolutionisten van het ratten-GULO-gen als een soort gouden standaard om verregaande uitspraken te doen over de vermeende evolutionaire verwantschap van de mens met apen wezen de moleculair biologen Truman en Borger ook reeds.

Ook had hij moeten vermelden dat de grote overeenkomst (van 98%) tussen het GULO-pseudogen bij de mens en zijn zogenaamd evolutionair nauwste verwant, de chimpansee, gebaseerd is op een pseudogen-fragmentje van slechts 164 basen lang: het reeds genoemde vijfde exon, terwijl alleen al het ‒gemankeerde ‒ eiwit-coderende deel van dit pseudogen bij mensen maar liefst 28.800 basen lang is. Dit laatste deel bevat zes exons, waarbij de overige vijf onder de primaten (nu even inclusief de mens) onderling significant verschillen. Dus de totale gelijkenis tussen de GULO-pseudogenen bij mens en chimpansee bleek veel kleiner te zijn: maar 84%. Wat juist tegen een gemeenschappelijke afstamming van mens en chimpansee pleit. Tomkins (a.a.: p. 94):

“,(…) los van deze vermeende afwijking in één DNA-base doet de treffende evolutionaire discontinuïteit tussen mensen en apen het simplistische, grotendeels over-gesimplificeerde evolutionaire argument, dat dit pseudogen wijst op macro-evolutie, teniet”

(“(…) the striking evolutionary discontinuity between humans and apes outside this alleged single base anomaly (…) nullifies the simplistic grossly oversimplified evolutionary argument that this pseudogene supports macroevolution”).

Dus het is slechts uitgaande van dit vijfde exon dat evolutionisten erin slaagden om de door hen vooronderstelde afstammingsvertakkingen tussen de diverse soorten primaten binnen de neodarwinistische levensboom te verkrijgen.

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.