Bescheidenheid past in debat over evolutie

Boekbespreking 'Jan H. van Bemmel, Waar was je? Geloven na Darwin en Hubble, Amsterdam, 2017 Wapenveld'

Over schepping contra evolutie is zo langzamerhand het laatste woord nog niet gezegd. Het boek van Jan van Bemmel, emeritus hoogleraar in de medische informatica aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, pleit voor nuchterheid en bescheidenheid. En het blad Wapenveld wijst op een derde perspectief, tussen enerzijds ongeremd geloof in de wetenschap en anderzijds creationistisch fundamentalisme. Van Bemmel stelt dat de wetenschap niet in staat is om vanuit zichzelf iets te zeggen over een eerste oorzaak, een eerste beweger, of iets dergelijks, omdat de wetenschap de weg van de reductie volgt. Tegelijkertijd bestuderen christenen en nietchristenen dezelfde werkelijkheid. Daarom kunnen ze gezamenlijk wetenschappelijk onderzoek verrichten. De wetmatigheden die daarin naar voren komen, zijn niet strijdig met wat God zelf heeft bedacht; onze interpretaties kunnen dat wél zijn.

Van Bemmel kiest voor het vigerende kosmologische model, dat veronderstelt dat het heelal een ouderdom van ongeveer veertien miljard jaar kent – het model van de ‘big bang’. In het licht van de moderne natuurkunde zijn de zes dagen van Genesis volgens hem moeilijk verdedigbaar. Maar daarvoor is het geschrevene ook niet bedoeld, aldus Van Bemmel. De Bijbel stelt dat het hoogtepunt van de schepping niet het universum is, maar de mens. Je kunt er volgens de schrijver niet omheen, dat achter de hele kosmos een plan en een doel zit: de schepping van het leven. En dat komt door God, en niet – zoals het neodarwinisme meent – door de materie die de basis zou vormen voor het leven. De mens is het enige levende wezen dat begiftigd is met creativiteit en intelligentie.

Nuchterheid

Van Bemmel pleit voor wetenschappelijke nuchterheid en bescheidenheid in het debat over evolutie. De gesloten wereld van de wetenschap weet niets van oorsprong, zin of bedoeling achter de processen die zij bestudeert. Er is sprake van een toenemend raadsel over hoe het eerste leven tot stand kwam, over de complexiteit van de cel, het ontstaan van hemel en aarde. We kunnen alleen zeggen dat de orde in de werkelijkheid bij God vandaan komt.

Het probleem is echter dat de wetenschap precies wil weten hoe de kosmos in elkaar steekt. In de wetenschap gaat het om het bevredigen van onze nieuwsgierigheid. De wetenschap is echter niet in staat zich uit te spreken over zaken die zij a priori heeft buitengesloten. Pas als je gelooft, ga je volgens Van Bemmel verbanden zien met God als Schepper. Christenen hebben op grond van de Bijbel een duidelijke visie op de overgang van chaos naar orde, van materie naar leven: het leven is door God geschapen, los van en in vervolg op de schepping van de materie.

Als er volgens Van Bemmel geen enkele aanwijzing is hoe het eerste leven op aarde is ontstaan, is daarmee de evolutietheorie onzeker. Wanneer de evolutietheorie uiteindelijk op een drassige ondergrond blijkt te drijven, is een discussie over het afstammen van mens en mensaap van een gemeenschappelijke voorouder in feite zinloos. We moeten ons eindoordeel hierover daarom op z’n minst opschorten. Voor de christen is het veilig te blijven bij het Bijbels getuigenis: God schiep de mens naar zijn beeld. “Ik word er stil van als ik bedenk dat de Schepper van hemel en Aarde op dit punt in de kosmos, dat Aarde heet, Zijn voetstappen heeft gezet.” In een interview in Wapenveld, dat gewijd is aan het thema van schepping en evolutie, zegt Van Bemmel dat de wijze waarop het eerste leven precies is ontstaan uit de zogenoemde oersoep, wetenschappelijk een gigantisch raadsel is. Toch noemt hij God een soort superingenieur, een superwiskundige. “Over alles is nagedacht.” Van Bemmel handhaaft het scheppingsverhaal dat stelt dat Gods hand achter alles in de schepping zit. In al de miljarden jaren heeft God steeds ingegrepen, en dat doet hij nog. De schepping is geen statisch geheel. Hij ziet een analogie tussen het scheppen van Adam en de komst van Jezus Christus als tweede Adam. “God intervenieerde toen ook. In Maria groeide leven dat werd, zoals wij hadden moeten zijn. Is zo Adam ook niet geschapen? Ook de maagdelijke geboorte moet je niet biologisch willen begrijpen, zoals de kerk in de middeleeuwen dat probeerde. Het belangrijkste is: God greep in. Je gaat een grens over als je dat verder wilt invullen. De analogie van de geboorte van Jezus Christus en de schepping van Adam helpt om woorden en metaforen te vinden om erover te spreken, zonder dat je dat biologisch kunt verklaren.”

Tolkien

Het blad Wapenveld pakt uit met een aantal lezenswaardige artikelen over schepping en evolutie. Henk Jochemsen stelt dat de taal van Genesis 1-3 meer gemeenschappelijk heeft met Tolkiens scheppingsmythe dan met een wetenschappelijk relaas over de oorsprong van het heelal, de aarde, het leven en de mens. Het is taal die betrekking heeft op de omvattende, nietkwantificeerbare, mysterieuze, geestelijke werkelijkheid waarin heel de geschapen werkelijkheid rust. Hij wijst op het verschil tussen het Bijbelse oorsprongsverhaal en de wetenschappelijke oorsprongsmythe, dat niet geharmoniseerd kan worden. “Er is een principiële epistemische kloof die zich alleen laat overbruggen vanuit het geloof in Gods actieve werkzaamheid met en in de geschapen werkelijkheid waarin wij leven.” Gerard den Hertog spreekt daarom ook van twee manieren van spreken, elk met een eigen grammatica die je goed uit elkaar moet houden, maar ook bij elkaar moet houden en steeds weer tegen elkaar aan moet leggen. Bert de Leede verwijst evenals Van Bemmel naar de voleinding en de werkelijkheid van de opgestane Christus, die vergelijkbaar is met de schepping. “Dat is een werkelijkheid die zich aan ons aandient, waartoe wij alleen toegang krijgen door geloof, door metaforisch spreken en door ontvankelijkheid, dat wil zeggen door te ontvangen: door Woord en Geest, in brood en wijn, in de gemeenschap met het lichaam van Christus.”

Het boeiende van dit nummer is dat het niet alleen technisch over het ingewikkelde evolutiedebat gaat, maar ook het existentiële tekort van het neodarwinisme aan de kaak stelt. Het materialistisch paradigma van het darwinisme negeert volgens Gerard Visser niet alleen het eigene van het menselijk leven, maar bovendien de mogelijkheid die Wilhelm Dilthey ter overweging geeft, namelijk wanneer hij de kiem van alle leven en de vormingswet van het zelfbewustzijn in de innerlijke ruimte van het zelfgevoel situeert. Het existentiële tekort van het darwinisme leidt tot een verschraling van het bestaan en de moraal.

Aart Nederveen voert een pleidooi voor het derde perspectief, tussen het enerzijds verwerpen van meerdere wetenschappelijke resultaten en anderzijds het willen harmoniëren van scheppingsverhaal en evolutie. Hij constateert een polarisatie rond schepping en evolutie. Afwijzing van evolutie en big bang is zijns inziens te grof geschut, maar van deze theorieën word je ook weer niet vrolijk. Deze theorieën zijn niet in staat de existentiële leegte te vullen die ze niettemin oproepen. De verwondering over de ondoorgrondelijkheid van de werkelijkheid op fundamenteel niveau kunnen christenen verbinden met de verhalen uit de Bijbel. De werkelijkheid is niet plat en voorspelbaar. “De wetenschap zal God nooit vinden. Hij pleegt zich niet op heterdaad te laten betrappen.” Twee uitgaven die de discussie over geloof en evolutie verder helpen. Hoe meer je over deze thematiek leest, des te groter wordt je bescheidenheid. Inderdaad, we waren er niet bij, zo formuleert Van Bemmel subtiel. Gelukkig hebben we het profetisch Woord dat vast is, maar dat Woord is niet voor onze karretjes te spannen.

Naar aanleiding van

Jan H. van Bemmel, Waar was je? Geloven na Darwin en Hubble, Amsterdam, 2017 Wapenveld, themanummer over geloof en evolutie, oktober 2017.

Sophie 08e jaargang nr. 1 - februari 2018