Onderwijs, mensverbetering en het najagen van het goede

Onderwijs is erop gericht van iemand een ‘beter’ mens te maken. Maar als we tegenwoordig spreken over mensverbetering gaat het vaak over iets anders, namelijk technologische mensverbetering, of – wat in het Nederlands inmiddels een gangbare term is – human enhancement. In dit artikel gaat het over de relatie tussen die twee vormen van verbetering. Filosofie van onderwijs en filosofie van technologie komen hier bij elkaar en we zitten ook dicht bij de theologie.

 

Kunnen we verwachten dat scholen in de toekomst volgepropt zijn met moderne technologieën, of zelfs door die technologieën vervangen zijn? Het is bekend dat enkele leidende figuren in Silicon Valley ervoor gekozen hebben om de toegang tot zulke technologieën voor hun eigen kinderen te beperken. Dat is nogal hypocriet. Hier is een voorbeeld (www.businessinsider.com):

“Je kunt niet je gezicht voor een scherm zetten en dan een lange spanningsboog verwachten, aldus Taewoo Kim, hoofd Artificial Intelligence van het bedrijf Smart Lab dat computerondersteund onderwijs ontwikkelt. Als praktiserend boeddhist leert hij zijn neefjes en nichtjes van 4 tot 11 jaar oud om te mediteren en te spelen met schermloze spelletjes en puzzels. Elk jaar neemt hij ze mee naar techniekvrije retraites in boeddhistische tempels.”

Ook Waldorf-scholen beschermen hun leerlingen tegen oververzadiging van technologie, door bij voorkeur buiten les te geven. Daar zit de zorg achter dat kinderen afgeleid raken, concentratie verliezen, depressief worden, obesitas ontwikkelen, en in extreme gevallen zelfmoord plegen. Dat is opmerkelijk, omdat meestal aangenomen wordt dat onderwijs beter wordt door de inzet van technologie en dat inzet van meer technologie in het onderwijs in onze tijd zelfs een must is. In elk geval weten we nog weinig over de daadwerkelijke langetermijneffecten van moderne technologieën op de vorming van jonge mensen.

Met dat in het achterhoofd kunnen we twee fundamentele vragen over onderwijs stellen. In de eerste plaats: hoe rechtvaardigen we dat we anderen beïnvloeden? Als het antwoord gebaseerd is op de verwachting van goede resultaten hebben we een probleem, want die resultaten kennen we van tevoren niet. De tweede vraag is: wat doen we met de kloof tussen de intenties waarmee we beïnvloeden en de resultaten ervan? Deze vragen kaderen onderwijs in als de intentie om iemand te beïnvloeden. Als die intentie positief is, zitten we dicht bij de notie van verbetering (‘enhancement’). In die zin is ‘enhancement’ al zo oud als onderwijs. Nick Bostrom en Anders Sandberg (2009) noemen daarom onderwijs een ‘conventionele’ vorm van ‘enhancement’, in tegenstelling tot ‘niet-conventionele’ vormen als stimulerende medicijnen, genetische therapie of elektronische implantaten. Hoewel er niet altijd even scherp onderscheid te maken is, zoals in het geval van veel koffiedrinken voor een tentamen om je cognitieve prestaties te verbeteren, voelen we wel de behoefte om dat te doen. Maar eigenlijk is het maken van dat onderscheid net zo lastig als het maken van onderscheid tussen technologische kennis en niet-technologische kennis, omdat het nog niet zo simpel is om te definiëren wat technologie is en wat niet. Dit is iets waar ook Hendrik van Riessen zich mee beziggehouden heeft. Ten diepste gaat het steeds om de vraag wat ‘goed’ is en wat ‘verbetering’ is. Die notie heeft in de reformatorische wijsbegeerte ook steeds gespeeld, maar ook bijvoorbeeld in de stroming van de Radicale Orthodoxie van John Milbank en anderen. Als we onderwijs opvatten als een vorm van ‘human enhancement’, van mensverbetering, dan gaat het daarbij om de vraag wat werkelijk ‘goed’ is, en dan zitten we meteen in wat wel de ‘koningin van de wetenschappen’ genoemd werd, de theologie. Daarmee is ook de vraag aan de orde naar de rechtvaardiging van onze intenties om mensen te beïnvloeden: wat geeft ons het recht om anderen met onderwijs al dan niet door technologie te beïnvloeden?

 

Onderwijs als mensverbetering

Technologie is alomtegenwoordig geworden in onderwijs: van leerboeken en borden met krijtjes ging het naar tablets en smartboards. De meeste van die technologieën zijn eigenlijk vormen van prothesen: ze vervangen iets van ons menselijk lichaam of onze geest. Plato schreef in zijn boek

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.