Vrijheid in verschil – Een pleidooi tegen technocratie

Illustratie, Vrijheid in verschil - Een pleidooi tegen technocratie

Bestaat er voor elk probleem een redelijke oplossing? Lossen onze meningsverschillen op als we elkaar beter gaan begrijpen? Kunnen we met meer informatie betere keuzen maken? In tijden van een bijna heilig vertrouwen in techniek, bestaat de neiging om ook politiek op technische wijze te begrijpen. Als politiek techniek wordt, wordt ze technocratie. Waar in de techniek de functie centraal staat – werkt het? – daar wordt door technocratisch denken politiek zélf tot iets functioneels. Dat is zowel politiek als filosofisch gezien zeer problematisch, vindt Lambert Pasterkamp.

“De intellectueel die ervan overtuigd raakt te moeten handelen, wordt meteen met de politieke moord geconfronteerd, – of, als dat niet zo is, dan is het met de moraliteit van zijn handelen toch altijd zo gesteld dat de politieke moord de consequentie van zijn handelswijze zou zijn.” Thomas Mann

Het is juni 2016. In het Verenigd Koninkrijk is het debat over de Brexit in volle gang. Wordt het blijven of vertrekken? Staatssecretaris en prominent Leave-voorstander Michael Gove wordt geïnterviewd door Sky News en krijgt de vraag of hij economen kan noemen die voorstander zijn van een Brexit. In plaats van economen te noemen geeft Gove ten antwoord: “People in this country have had enough of experts”. Vriend en vijand vallen over hem heen en vooral bij de tegenstanders van een Brexit leeft de hoop dat hiermee definitief de onredelijkheid van het Leave-kamp is aangetoond. Drie weken later is de keuze voor Brexit een feit.

Europese Unie

Helder zicht op wat technocratie behelst, biedt het voorbeeld van de Europese Unie. In zijn column in de Volkskrant van 16 december 2017 vraagt Martin Sommer zich af of een behoudende Europese politiek eigenlijk wel bestaat. Onder de titel ‘Je moet wel meedoen in Europa, alleen dan krijg je dingen voor elkaar’ merkt Sommer op dat er, als het gaat om de Europese Unie, er een sterk gevoel van onvermijdelijkheid heerst. Onder verwijzing naar een interview met Eurocommissaris Frans Timmermans stelt Sommer: “Er komen enorme veranderingen aan, aldus Timmermans. Dat voelt iedereen volgens hem aan zijn water. Anders gezegd, we moeten met kracht voorwaarts. Europa heeft nog altijd maar één drijfrichting, de vooruitgang, op naar meer rationaliteit en de belofte die toekomst heet.” Deze manier van denken over politiek, te weten politiek als functie van het verwezenlijken van een meer rationele en beloftevolle toekomst, stuit Sommer tegen de borst: “Het is precies de onvermijdelijkheidsretoriek die weerstand oproept.”

In zijn recente boek De nieuwe politiek van Europa laat ook Luuk van Middelaar zien dat technocratisch denken zeer dominant is in het Europese project.4 Van Middelaar maakt in zijn boek een onderscheid tussen regelpolitiek en gebeurtenissenpolitiek. Regelpolitiek, dat ik hier begrijp als technocratie, is volgens Van Middelaar “een knap mechaniek dat consensus en draagvlak produceert, maar wel enkel werkt binnen een bepaald stelsel.” Regelpolitiek “functioneert bij de gratie van de fictie dat de geschiedenis stilstaat of tenminste volgens voorspelbare lijnen verloopt.” Tekenend voor het dominante attitude in Europa is daarbij Van Middelaars anekdote over Europese ambtenaren aan wie hij een cursus gaf. Van Middelaar vroeg zijn toehoorders de parallel te trekken tussen de komst van de Europese interne markt (1985) en de vluchtelingencrisis (2015). Velen zagen geen principieel verschil: “Het verschil tussen geduldig marktregels maken en handelen aan buitengrenzen, tussen voorspelbare belangenstrijd en plotse schokken, tussen commentaar in vakbladen en Europawijd schreeuwende voorpagina’s – zeker de helft van mijn cursisten was er niet van onder de indruk. Zij herleidden de kwestie tot hun eigen kunstje: pijn objectief verdelen, belangenverschillen wegmasseren, depolitiseren.” Niet wat wijs, goed of wenselijk is – datgene wat een politiek oordeel impliceert – maar de toepassing van regels, wetten en afspraken is leidend in het doen en denken. Het functionele aspect ‒ hoe kan het werken? – is leidend; de politieke vraag – willen we dit wel en kan het niet anders? ‒ is niet in beeld. Larry Siedentop merkt in zijn boek Democracy in Europe op dat het Europese project een hoofdzakelijk economische basis heeft, en dat dit gevolgen heeft voor haar politiek. “De taal van de economie heeft de taal van de politiek verdrongen, zodat het in het publieke debat vele malen vaker gaat over de inrichting van de interne markt en economische groei dan over democratische controle of de spreiding der machten.”

Deze verwijzing naar taal is interessant, omdat ze laat zien dat technocratische politiek niet alleen in de politieke vorm hoeft te zitten, maar ook in de inhoud van het politieke debat voorbij kan komen. Verwijzingen naar de economie (‘goed voor de consument’), de geschiedenis (‘het is niet meer van deze tijd dat…’) of de techniek (‘anderen doen het ook, dus we kunnen niet achterblijven…’) verhullen niet zelden een gebrek aan inhoudelijke, politieke argumentatie.

Politicide

Dat een technocratische manier van denken over politiek niet alleen in de politieke praktijk voorkomt, maar ook in de politieke theorie, wordt duidelijk in een ander boek van Luuk van Middelaar. In zijn boek Politicide betoogt Van Middelaar dat Franse intellectuelen vanaf de jaren ’30 tot de jaren ’90 van de vorige eeuw door hun denken politicide, dat wil zeggen moord op de politiek, bedreven. Van Kojève tot Sartre, van Camus tot Foucault, voor hele generaties Franse filosofen geldt dat ze nauwelijks weg kunnen blijven bij wat Van Middelaar noemt totalitaire verleiding: alle politieke verschil van mening dient terzijde te worden geschoven voor de realisatie van het eigen ideaal. Op deze manier maken ze van politiek een werkingsinstrument, een functie van hun denken. Of de Franse filosofen nu dachten in de lijn van Kant, Hegel, Marx of Nietzsche, géén van hen “vond een ruimte tussen terreur en anarchie”. Politiek was voor hen een allesverslindende strijd om erkenning (Hegel), revolutionaire opstand van de arbeider (Marx) of juist totale anarchie (Nietzsche). Hoe uiteenlopend in hun denken ook, stelt Van Middelaar, al deze Franse denkers “deelden een voorliefde voor oorlogszuchtige retoriek, een compromisloze hang naar het absolute en een bereidheid het eigen gelijk zo nodig met geweld te halen: precies die eigenschappen die een positief oordeel over de democratie uitsloten.” En als ze zich hier al tegen verzetten uit naam van verheven morele theorieën (Kant) hadden ze geen enkel oog voor politiek.

Ook het sombere boek Het einde van de democratie van de Fransman Jean-Marie Guéhenno is exemplarisch als het gaat om technocratie in de politieke theorie. Kortweg is de stelling van Guéhenno dat politiek en democratie eroderen door de teloorgang van de natiestaat. De moderne natiestaat komt ons “in zijn dagelijkse bestuursactiviteiten oncontroleerbaar en dus onverantwoordelijk voor.”

Globalisering, individualisering, de netwerksamenleving: allerlei laatmoderne trends maken dat het zinloos wordt om over politiek na te denken als de collectieve sturing van ons publieke leven. We zijn namelijk niet langer in staat om collectief vorm te geven aan ons publieke bestaan. Want, stelt Guéhenno, hoewel verandering de belangrijkste karaktereigenschap van onze tijd is, heeft de mens de macht over de verandering verloren. “Of het nu om bedrijven of om naties gaat, niemand durft te beweren de toekomst te kunnen inrichten; men beperkt zich tot het ontwikkelen van ‘aanpassingsvermogen’.” Het zijn van een burger in een politieke orde wordt derhalve obsoleet: “Slechts in juridisch opzicht zijn [burgers] nog onderdanen en rechthebbenden; ze voegen zich naar hun verplichtingen in een abstracte ruimte waarvan de territoriale grenzen steeds meer vervagen.” Politieke vrijheid en democratie, het zit er niet meer in, in deze tijd. Ze hebben een nederlaag geleden op de economie en techniek. In politiek opzicht resteert niets anders dan administratie: het welwillend begeleiden van de gang der dingen. Aanpassing – dat wil zeggen het behoud van functionaliteit in het grotere geheel – wordt de hoogste deugd.

Het mag duidelijk zijn: technocratie kent diverse verschijningsvormen. Ze komt naar voren in de praktijk (EU) en in het denken (politicide). Ook bestaat ze zowel in strijdlustige vorm (Franse filosofen) als in de lijdende vorm (Guéhenno). Steeds echter wordt ze gekenmerkt door het idee dat politiek als omgang met verschil van inzicht niet nodig is. Er is immers sprake van noodzakelijkheid als het gaat over wat er ‘politiek’ gezien moet gebeuren? Deliberatie daarover is dan overbodig. Politiek zelf wordt, al dan niet gewild, opgeofferd aan de noodzakelijke ‘gang der dingen’, en heeft nog slechts bestaansrecht als functie van het noodzakelijke.

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.