Mensbeeld | Jan van der Stoep en Anke Teeuw
In ‘Mensbeeld’ wordt een spraakmakende denker geïnterviewd. Deze keer Matthew Kaemingk, publiek theoloog en ethicus. Hij doet onder meer onderzoek naar de relatie tussen geloof, werk en aanbidding. In de kerk van zijn jeugd werd hem geleerd dat het werk van zijn ouders ertoe deed voor God – maar er werd nooit voor hen als verpleegkundige en als timmerman gebeden. Voor de zendeling wel. Die tegenstrijdigheid brengt hem tot de vraag: als werk een roeping is, wat betekent dat dan voor de kerkdienst?
Hoe raakte je betrokken bij het thema werk en aanbidding?
Als jonge voorganger werkte ik voor Tim Keller in New York. Daar liep een programma voor jonge professionals die wilden nadenken over wat het evangelie betekent voor hun werk in het bedrijfsleven, de zorg, de marketing, de financiële wereld. We waren een sterk Kuyperiaanse, neocalvinistische kerk en reikten onze leden een christelijk wereldbeeld over werk aan. Ik voedde de leden met christelijke ideeën over werk. In veel opzichten werkte dat goed. Maar het legde voor mij ook een zwakte in het neocalvinisme bloot waarover ik dieper wilde nadenken.
De vragen en worstelingen van werkenden zijn namelijk niet louter intellectueel van aard. Ze zijn emotioneel, existentieel, zelfs lichamelijk. Je lost het verlangen en het zuchten van mensen op hun werk niet zomaar op met een wereldbeeld. We wezen hen op boeken en gaven lezingen over geloof en werk, maar er speelde iets diepers. De kerkdienst raakt ons op dat diepere niveau – niet alleen het hoofd, maar ook de ziel, het lichaam en de emoties. Er zijn lagen in het bestaan die door een preek of een boek niet worden bereikt. Dat zette bij mij wat in beweging.
Dat doet denken aan het werk van James K.A. Smith, die ook spreekt over liturgie als iets dat meer is dan rationeel denken.
Ja, zeker. Net als hem vind ik liturgie essentieel. Ik ging vragen stellen bij de kloof die we ervaren tussen de kerkdienst op zondag en ons werk op maandag. Dat lijkt in het moderne Westen vrij universeel: het idee dat ik op zondagochtend in de kerk bezig ben met geestelijke dingen en op maandagochtend op mijn werk met materiële of rationele dingen. Die twee werelden lijken niet goed met elkaar te verbinden.
Ik kon niet goed verklaren waaróm dat zo was. Veel mensen schrijven boeken, omdat ze veel van een onderwerp weten en dat willen delen. Zo werk ik niet. Ik schrijf boeken als ik word achtervolgd door een vraag, door een taai probleem. Dit was zo’n probleem dat mij bleef achtervolgen.
Je groeide op in een gereformeerde traditie waarin werk ertoe deed. Waarom werd er dan toch nooit voor je ouders gebeden?
Dat is precies wat mij bleef achtervolgen. We hadden een gereformeerde theologie van het werk, maar op zondagochtend mochten alleen voorgangers en zendelingen het woord voeren. De liturgie sprak de theologie tegen. Mijn moeder werd niet vooraan in de kerk uitgenodigd om te vertellen wat God deed in het ziekenhuis, en mijn vader niet om te vertellen wat God deed in de timmerwerkplaats. Er gaapte een kloof, en ik wilde weten waarom.
Als brave gereformeerde jongen ging ik terug naar de Bijbel, en ik was verrast hoe diep werk en aanbidding verweven waren in het oude Israël en in de vroege kerk. Kerken in Afrika, Azië en Latijns-Amerika zijn heel goed in het leggen van die verbinding, op manieren, waar de Europese en Amerikaanse kerken niet aan kunnen tippen.
De liturgie sprak de theologie tegen
Kun je voorbeelden geven uit de Bijbel?
In Deuteronomium brengt een boer bij een goede oogst zijn eerstelingen naar voren. Hij spreekt daarbij een specifiek gebed uit: mijn voorvaderen zwierven rond zonder land, ze waren slaven in Egypte, en God heeft mij dit land gegeven; nu geef ik de oogst aan Hem terug. Vervolgens wordt hem opgedragen een groot feest te houden en al zijn knechten uit te nodigen, samen met de vreemdelingen, de priesters, de wezen en de weduwen. Dit gebeurt allemaal binnen een eredienst. De boer is de liturg. In het moderne Westen brengen wij een bonus of een goede opbrengst niet mee naar de kerk. We zetten het op de bank en hebben het er verder niet over.
Een ander voorbeeld zijn de Psalmen, het liedboek van Israël. De Psalmen staan vol taal over landbouw, vee, geld, herders, economische kwesties. Mensen bezingen hoe ze op de markt bedrogen worden. Het zijn heel aardse liederen. In onze kerken zingen we soms liederen die in het luchtledige blijven hangen.
Achter je werk zit, zo lijkt het, nog steeds een notie van roeping, in neocalvinistische zin: elke gelovige heeft een roeping, en die is verbonden met het werk.
Ja, ik beschouw al mijn werk als diepgaand neocalvinistisch, diep gereformeerd. Ik zie dit niet als kritiek op het neocalvinisme, maar als een natuurlijke uitwerking ervan. Als ons werk er werkelijk toe doet voor God, als ons dagelijks werk een heilige en sacrale roeping is, dan is het gepast en goed om die roeping ook mee de kerk in te nemen.
Ik ben James K.A. Smith, waar jullie het eerder al over hadden, veel verschuldigd en ben dankbaar voor zijn werk. Maar er is wel een verschil met wat ik doe. Smith spreekt over hoe de liturgie van de kerk ons vormt, en hoe de liturgie van de wereld ons vormt. Mijn betoog gaat veel meer over de vraag hoe we ons werk de liturgie binnenbrengen. Veel mensen laten hun werk buiten de kerk. Ze hebben stress, conflicten, vragen – en willen die niet meenemen, óf omdat ze één dag alles willen vergeten, óf omdat ze het ongepast vinden. Misschien zitten ze een saaie preek uit en dwalen ze af naar het werk, en voelen zich daar schuldig over. Wat ik wil inbrengen is dat we in de kerkdienst ons werk ook daadwerkelijk voor God kunnen brengen, met alle gevoelens en zorgen die daarbij horen.
Je zegt dus niet dat we moeten stoppen met schrijven over roeping en werk, of dat Smith het mis heeft. Je voegt iets wezenlijks toe.
Precies. Ik vind alleen niet dat we nog een boek over roeping nodig hebben. Ik zeg: als roeping waar is, wat voor verschil maakt dat dan voor onze aanbidding?
Hoe ziet dat er in de praktijk uit?
Wij onderscheiden vijf zaken die iemand mee de dienst in kan brengen: trompetten, as, tranen, voorbeden en vruchten.
Een trompet is een grote overwinning die God op je werk heeft gegeven. Het is belangrijk om God daarvoor te prijzen, want als je dat niet doet, ga je jezelf prijzen. As staat voor schuldbelijdenis. We laden op de werkvloer schuld op ons – persoonlijke schuld, maar ook structureel onrecht waarin we delen. Die schuld hoort in de kerkdienst thuis, zodat we ervan ontlast kunnen worden. Tranen staan voor klacht: niet om eigen schuld, maar om onrecht dat jou wordt aangedaan — racisme, seksisme, discriminatie, oneerlijk loon. Het eerste wat Israël over God leert, is dat ze mogen roepen als ze het zwaar hebben op hun werk, en dat Hij daarop antwoordt. Voorbede is bemiddeling. Als we geloven in het priesterschap van alle gelovigen, rust op elke gelovige de verantwoordelijkheid om tussen mensen en God in te staan. Het mooie van voorbede is dat ze niet om jezelf draait; het is bidden namens een ander. En tot slot de vruchten. ‘Eerstelingen’ heeft in het oude Israël twee betekenissen: het beste wat je werk opgeleverd heeft, en het eerste wat je oogst. Je geeft niet wat je aan het eind van het jaar overhoudt; je geeft aan het begin, voordat je weet hoe de rest van het jaar uitpakt.
U leest dit artikel gratis. Geïnteresseerd geraakt?
Neem nu een jaarabonnement op Sophie of probeer eerst een proefabonnement!
En dat ‘beste’ – kun je dat concreet maken?
Dat is vaak dat onderdeel van je werk waar je oprechte vreugde in vindt. Ik heb drie jongens, en bij kinderen zie je dat gedrag vanzelf: als ze iets hebben gemaakt waar ze trots op zijn, houden ze het omhoog. Volwassenen doen dat nauwelijks meer, uit schaamte. Maar het is een door God gegeven, kinderlijk instinct. In het hele Oude Testament zien we mensen hun werk omhoogheffen tot God.
Stel,: je bent boekhouder en je hebt een spreadsheet ontworpen waarin alles zó perfect uitkomt dat je er intense vreugde bij voelt, terwijl niemand anders begrijpt wat er mooi aan is. Of iemand die Immanuel Kant leest en daar helemaal enthousiast van wordt, terwijl anderen met hun ogen rollen. Dat is de eersteling: dat unieke wat jij voor God brengt, waar God zich over verheugt.
Dat is de eersteling: dat unieke wat jij voor God brengt, waar God zich over verheugt
Hoe ziet dit eruit in een kerkdienst met verpleegkundigen, boekhouders en journalisten door elkaar heen?
In Amerika hebben we Labor Day, georganiseerd door de vakbonden – een speciale dag voor werkenden. We leven niet meer in een agrarische samenleving, dus mensen kunnen niet letterlijk hun vruchten meebrengen. Wat kerken nu beginnen te doen, is mensen uitnodigen om iets tastbaars uit hun werk mee te brengen dat symbool staat voor wat ze doen. Bij het avondmaal leggen ze die voorwerpen op tafel. Dat is precies wat de vroege kerk deed: wanneer die samenkwam, bracht iedereen een offergave mee, en dat waren niet alleen munten, maar het werk van hun handen. Een deel werd onderdeel van de maaltijd, een groot deel werd onder de armen verdeeld.
Sommige kerken laten de kinderen voorgaan, want die zijn hier van nature goed in. Je kunt een zondag hebben waarop alle kinderen hun mooiste tekeningen als eersteling naar voren brengen, om die vervolgens samen te vieren.
In Nederland kennen we biddag en dankdag voor gewas en arbeid. Zou dat een aanknopingspunt kunnen zijn?
Prachtig. We moedigen kerken vaak aan voort te bouwen op wat ze al doen. Niet radicaal iets anders proberen – mensen worden daar ongemakkelijk van. Je neemt iets wat ze kennen en verdiept het, liever dan hen te veel door elkaar te schudden.
Al vind ik het soms wel leuk om mensen uit hun comfortzone te halen. Een keer preekte ik over werk en nodigde ik iedereen uit zijn telefoon te pakken en de agenda te openen. Ik gaf ze drie minuten om te bidden over hun komende week. Daarna vroeg ik hoeveel mensen het ongemakkelijk hadden gevonden om tijdens de dienst op hun telefoon te kijken. En vervolgens: waarom is het ongemakkelijk om je werk op die manier bij God te brengen?
Zou een verpleegkundige of een journalist dan letterlijk vooraan moeten staan?
Dat kan. Een verpleegkundige kan haar getuigenis geven, en de voorganger kan haar vragen: hoe werkt God in het ziekenhuis? Hoe heb je de coronapandemie beleefd? Waarvoor heb je gebeden? Hoe verandert de gezondheidszorg op dit moment, en wat zijn je gebeden voor je ziekenhuis? Bij een journalist kun je vragen: is het moeilijk om de waarheid te spreken, de waarheid na te jagen? Wat kunnen wij van jouw werk leren? En tot slot: hoe kunnen we voor je bidden?
Wat vind je van de praktijk waarin voorgangers gemeenteleden opzoeken op hun werkplek?
Dat past goed. In Amerika hebben we het probleem dat voorgangers altijd mensen naar het kerkgebouw toe laten komen. Iedereen komt altijd naar de voorganger toe. Wij moedigen voorgangers aan om juist werkplekken te bezoeken en met mensen te lunchen – op kantoor, in het ziekenhuis, in de fabriek – en pastorale nieuwsgierigheid te tonen voor het werk van hun handen. Dat kan krachtig zijn, en die verhalen kleuren vervolgens de preek op zondagochtend. Voorgangers met wie we spraken, getuigen dat het de kwaliteit van hun preken enorm ten goede komt, omdat ze echt naar de mensen luisteren.
Wat zijn volgens jou de grootste uitdagingen in het hedendaagse werk?
Het hedendaagse werk wordt gekenmerkt door ontwrichting en onzekerheid. Mensen zijn bang hun werk te verliezen aan AI – en wie het niet kwijtraakt, ziet het erdoor veranderen. Globalisering en platformarbeid maken werk onzekerder en flexibeler. Ik spreek nu met je vanuit mijn huis, en ik slaap tien meter van mijn werkplek vandaan. Een gezonde grens tussen gezin en werk bewaren is daardoor lastig.
Het werk van vandaag is vloeibaar. Dat kan ons met angst vervullen, en een intellectueel wereldbeeld biedt daartegen weinig soelaas. De kerkdienst wel – als plek waar je je vragen kunt brengen, je kwetsbaarheid, het besef dat je in de woestijn staat. We hebben een goede theologie van de woestijn nodig, van ballingschap en ontheemding. Veel westerse theologie is geschreven door mensen met macht en stabiliteit. Dit moment vraagt om een nieuw soort bezinning.
Je benadering benadrukt vooral het priesterlijke liturgische aspect, minder het koninklijke of profetische. Is dat bewust?
Zeker. De gereformeerde theologie van het werk heeft van oudsher een koninklijke toon: wat doe ik met al die macht en dat rentmeesterschap? Adam en Eva krijgen heerschappij over de hof. Die vragen zijn goed, maar er zijn twee problemen.
Ten eerste voelen we ons in ons huidige werk helemaal niet zo machtig. Ten tweede is er een Bijbels probleem. De hof van Eden is niet alleen een ruimte van menselijke heerschappij over de natuur. Oudtestamentici zien de hof steeds vaker als de eerste tempel, en Adam en Eva als de eerste priesters. Zij wandelen en leven met God terwijl ze werken. Hun eerste taak is de dieren namen te geven, en dat doen ze in diepe gemeenschap met God. Werk en aanbidding zijn daar één. Pas door de zondeval vallen ze uit elkaar.
We zijn dus bedoeld om priesterlijke én koninklijke werkers te zijn. Ik leg de nadruk op de priesterlijke kant, omdat die in de gereformeerde traditie ontbreekt. Ik ontken de koninklijke kant niet – maar dat verhaal is al verteld. Ook het profetische is goed verteld, met veel stemmen over economische ethiek en beroepsethiek. Het priesterlijke minder goed. Dat is het gat dat ik probeer te vullen.
We zijn dus bedoeld om priesterlijke én koninklijke werkers te zijn
Een bevrijdingstheoloog zou kunnen zeggen dat je niet kritisch genoeg bent op onrecht op de werkvloer.
Een goed punt. In het boek spreken we wel degelijk veel over Egypte en Ffarao, en we scheppen ruimte voor de klacht. Maar ik zou ook zeggen: ja, er zijn grote misstanden in de Amerikaanse gezondheidszorg, maar die verpleegkundige moet iedere dag tóch aan het werk. Misschien kan ze het zorgstelsel nooit veranderen. Je moet dus ook handvatten bieden om binnen die werkelijkheid te leven. Er is werkelijk onrecht. Maar zelfs binnen onrechtvaardige systemen worden mooie dingen gedaan – dingen waar we trots op mogen zijn. Het werk van onze handen mag niet simpelweg worden teruggebracht tot slavernij.
Je spreekt als publiek theoloog. In Nederland is het idee van publieke theologie niet voor iedereen vanzelfsprekend. Wat is publieke theologie volgens jou?
Een voor de hand liggende vraag is: is niet álle theologie publiek? Ik zou zeggen: alle goede theologie is publiek. Maar er zijn vormen van theologie die tamelijk losgezongen zijn van het publieke leven. Publieke theologie als discipline is een antwoord op dat probleem.
Je kunt publieke theologie zien als theologische reflectie op maatschappelijke kwesties en publieke vragen. Een andere benadering is: een christelijke poging om het publieke domein te betreden met theologische inzichten, thema’s en wijsheid. Het is een poging om religieuze grenzen te overbruggen zonder dat het christelijke karakter van de theologie verdampt. Nog een derde manier: publieke theologie helpt de kerk en andere christenen om over publieke kwesties na te denken vanuit Bijbelse en theologische wijsheid.
Jammer genoeg doen veel theologen dat niet. Veel theologie helpt christenen niet om over publieke kwesties na te denken, en veel theologen doen geen moeite om buiten hun eigen gilde of geloofsgemeenschap te communiceren.
Hoe past jouw eigen benadering daarbinnen? Je richt je op de kerkdienst – dus niet primair op een kerk die zich publiek uitspreekt. Het gaat meer om een kerk die het publieke leven de kerk in brengt.
Dat is een interessante observatie. Ik heb mijn werk rond werk en aanbidding eerlijk gezegd niet altijd als publieke theologie opgevat. Mijn andere onderzoeksgebied gaat over moslimmigratie en de politiek eromheen, en dat heb ik altijd als publieke theologie beschouwd: dat is duidelijk een publieke kwestie, en we proberen er christelijk over na te denken en er publiek over te communiceren.
Bij werk en aanbidding had ik meer het gevoel dat het een interne christelijke kwestie was waarmee ik de kerk probeer te helpen. Maar ik denk dat ik het wel degelijk als publieke theologie kan kaderen, in de zin dat ik voorgangers en theologen probeer te laten nadenken over de existentiële werkelijkheid van het werk, en over wat de kerk in het licht daarvan te doen heeft.
Het veld van de publieke theologie bestaat uit lutheranen, rooms-katholieken, baptisten, methodisten en anderen. Ik kom er als gereformeerd publiek theoloog binnen, en dat betekent dat al mijn werk begint en zich centreert rond de Bijbel. Daarnaast hecht ik sterk aan de inbreng van andere disciplines; de leer van de algemene openbaring is voor mij dus belangrijk. Ten derde is het priesterschap van alle gelovigen belangrijk: het is niet de taak van de kerk om publieke kwesties te dicteren of publieke problemen op te lossen. Ik hoop dat ik een bescheiden visie heb op de taak van de theoloog – die is namelijk behoorlijk beperkt. Mijn taak is geen beleidsoplossing leveren, maar theologische kaders aanreiken waarbinnen mensen zelf hun keuzes kunnen maken.
Wat versta je precies onder ‘publiek’ in publieke theologie?
Als ik aan het publieke denk, denk ik aan wat zich tussen gezin, staat en kerk bevindt: die tussengebieden.
Wat is het verschil tussen christelijke filosofie en publieke theologie? Soms lijkt het alsof je bijna hetzelfde doet als een christelijk filosoof, maar dan als theoloog.
Als publiek theoloog heb ik filosofen nodig. Zij denken, zo lijkt het, veel na over de innerlijke logica van de verschillende levenssferen. Ze willen heel helder zicht op hoe de dingen zich tot elkaar verhouden en welke taken waar thuishoren. Een filosoof kan de Bijbel even terzijde leggen en zich concentreren op het interne weefsel van de journalistiek of de ingenieurswetenschappen, om daar de samenhang van binnenuit te begrijpen.
Theologen moeten daarentegen voortdurend de Bijbel en theologische inzichten vasthouden. We zijn wat dat betreft meer beperkt in het soort werk dat we doen. Een christelijk filosoof kan echt een vakgebied ingaan en zich erin vastbijten. De taak van de theoloog is dan misschien om erbij te zeggen: “Oké, laten we nu ook proberen hier mét God over na te denken.”
Ik denk dat, als het de verantwoordelijkheid van de theoloog is om de filosoof aan God te herinneren, het wellicht de verantwoordelijkheid van de filosoof is om de theoloog te waarschuwen niet té vroom te worden. De theoloog kan te snel God ergens in willen lezen; de filosoof kan dat helpen voorkomen.
De theoloog kan te snel God ergens in willen lezen; de filosoof kan dat helpen voorkomen
Je bent per 1 januari 2026 aangesteld als hoogleraar Public Theology aan de Theologische Universiteit Utrecht. Wat hoop je daar te bereiken?
Het neocalvinisme groeit in het mondiale Zuiden en Oosten. In landen als Brazilië en Zuid-Korea worden veel meer mensen bereikt door Abraham Kuyper en Herman Bavinck dan in Nederland. Gereformeerde kerken groeien in Afrika en het Midden-Oosten, en zij hebben te maken met complexe publieke vraagstukken. Wat mij naar Utrecht trok, is een gedeeld verlangen om een groeiende wereldkerk te dienen die geïnteresseerd is in deze bronnen – en die de traditie niet alleen wil herhalen, maar op nieuwe manieren opnieuw vorm wil geven. Mijn taak is bruggen slaan tussen Nederland en Afrika, Azië en Latijns-Amerika, en de volgende generatie neocalvinistische wetenschappers toe te rusten, zodat zij ons vanuit het Zuiden kunnen voorgaan. Daar ligt de toekomst van de christelijke filosofie en theologie.
Heb je als buitenstaander observaties over het Nederlandse calvinisme?
De rest van de wereld ontdekt de rijke wijsheid van mensen als Kuyper en Bavinck, en pakt die op heel creatieve manieren op. Ik heb de indruk dat de Nederlandse kerk zich óf niet bewust is van de rijke traditie die ze bezit, óf verblind is door oud zeer: eerdere twisten, wonden en trauma’s. Kuyper was een ongelooflijk creatieve, gepassioneerde, gebrekkige, maar zeer verbeeldingsrijke man. De generaties na hem lijken die creativiteit te hebben verloren. Ze raakten gericht op het behouden van instituties, niet op het vernieuwen ervan. Het neocalvinisme is bedoeld als een verbeeldingsrijke ruimte. In Nederland is het misschien statisch geworden, maar dat is niet wat het werkelijk is. Misschien kunnen mensen in Brazilië, Korea en Amerika de Nederlanders helpen hun eigen traditie opnieuw vorm te geven. Dat is mijn hoop.
Is dat ook een boodschap voor de bredere, wereldwijde neocalvinistische beweging?
Ja, ik denk dat het neocalvinisme al genoeg historici heeft. We hebben meer mensen nodig die constructief en creatief werk doen. Het is ook belangrijk om buiten de traditie te treden. In mijn werk over de islam bijvoorbeeld is de leer van de algemene genade enorm behulpzaam in de omgang met moslims. Maar Kuyperianen blijven die leer bestuderen, in plaats van haar te gebruiken. Ik werk alleen met promovendi die iets proberen op te bouwen of ergens leiding aan willen geven. Die niet alleen de traditie willen conserveren, maar werkelijk iets nieuws willen bouwen.
BIOGRAFIE
Matthew Kaemingk is een Amerikaans publiek theoloog en ethicus. Per 1 januari 2026 is hij aangesteld als hoogleraar op de nieuw ingestelde leerstoel Public Theology aan de Theologische Universiteit Utrecht (TUU). Daarnaast is hij als Senior Research Fellow verbonden aan Georgetown University. Kaemingk is bekend van zijn boeken Work and Worship (2020) en Reformed Public Theology (2021).
+ foto invoegen
