De kracht van het tweedepersoonperspectief – Over de verwantschap tussen Rosenstock-Huessy en Girard

Eugen Rosenstock-Huessy en René Girard

Volgens Rosenstock-Huessy moeten we niet beginnen bij het ‘ik’, maar bij het ‘jij’. Voordat ik een zelfbewustzijn ontwikkel en ‘ik’ kan zeggen, word ik al aangesproken als een jij, word ik bij mijn naam genoemd. Dat mensen niet alleen bestaan in relaties maar ook pas zelfstandige personen worden in de interactie, is door Girard uitgedrukt met de term ‘mimese’ of nabootsing. Hans Weigand onderzoekt de verwantschap tussen beide denkers.

Een rode draad in de reformatorisch-christelijke filosofie is de afwijzing van het Verlichtingsideaal van de autonome mens, en de daarmee verbonden verabsolutering van de wetenschap, als zijnde opstand tegen de Schepper. In het betwisten van de religieuze legitimatie van de macht, verwoord in bijvoorbeeld het Droit Divin, zou je echter ook een voortzetting van de Reformatie kunnen zien. Naar mijn gevoel is dit aspect nogal eens onderbelicht. Het autonomie-ideaal is problematisch, maar niet vanwege het eigenlijk heel christelijke verzet tegen culturele machten. Verschillende, vooral Joodse denkers hebben in de twintigste eeuw aandacht gevraagd voor een tweedepersoonperspectief dat deze autonomie betwist vanuit de erkenning dat we pas mens worden in de relatie met de ander, en dat tegenover de wetenschappelijk-descriptieve reductie van de taal aandacht vraagt voor zijn dialogische karakter. Bekende namen zijn Eugen RosenstockHuessy, Franz Rosenzweig, Abraham J. Heschel, Martin Buber en Emmanuel Levinas.

Het lijkt erop dat van deze denkers Rosenstock-Huessy dit perspectief als eerste onder woorden bracht, in een briefwisseling met zijn vriend Rosenzweig tijdens de Eerste Wereldoorlog, waarna deze laatste het inbracht in zijn invloedrijke Stern der Erlösung (1924). Hoewel Rosenstock-Huessy zelf ook heel veel heeft geschreven, is hij van genoemde denkers waarschijnlijk het minst bekend geworden. Zijn denken is nogal eigenzinnig en zijn werken zijn niet allemaal even toegankelijk. Wat zeker ook niet heeft geholpen is de manier waarop hij wetenschap en geloof bij elkaar brengt. Binnen de sociaal-wetenschappelijke wereld is dat al snel verdacht. Aan de andere kant was Rosenstocks sociologische benadering van het christendom ook lastig te combineren met de moderne theologische paradigma’s. Ik zie een overeenkomst met het werk van literatuurwetenschapper René Girard, een halve eeuw later. Van beiden kan gezegd worden dat ze veel invloed hebben gehad en nog hebben, maar ook buitenbeentjes waren binnen de academische wereld. Beiden groeiden op in een woelig Europa en eindigden hun carrière in de Verenigde Staten – Rosenstock-Huessy ontvluchtte het nazi-Duitsland voor de Tweede Wereldoorlog, Girard een uitgeplunderd Frankrijk erna. Wellicht heeft hun ervaring een rol gespeeld in de ernst waarmee zij schrijven over geweld en de kwetsbaarheid van de menselijke samenleving. Wayne Cristaudo heeft onlangs gewezen op inhoudelijke overeenkomsten tussen de twee denkers, met name als het gaat om hun visie op het slachtofferschap van Jezus Christus. Naar aanleiding van een studiedag die de Girard Stichting en het RosenstockHuessy genootschap organiseren in februari 2018 wil ik in dit artikel de overeenkomsten en verschillen nader verkennen en zien waar de twee elkaar kunnen aanvullen.

Het sprekende slachtoffer

Girard is bekend vanwege het zondebokmechanisme dat hij ziet als oorsprong en basis van de menselijke cultuur. De antropologische betekenis van het evangelie, de boodschap van kruis en opstanding, zijn de onthulling van ons verborgen geweld en de onschuld van het slachtoffer. Opmerkelijk is dat in de manier waarop Rosenstock-Huessy in De vrucht der lippen de evangeliën leest, geweld en slachtofferschap een centrale rol krijgen. Hij benadrukt dat door een revolutionair begrip van het slachtofferschap het geweld wordt overwonnen. Als slachtoffer is Jezus een van de vele, maar als slachtoffer dat zich in het proces opstelt vanuit de liefde die de bron is van de schepping, door gewillig het lam te worden, destabiliseert hij het proces dat hij lijkt te bevestigen. “Maar door het vrijwillige slachtoffer te zijn, wordt hij het eerste slachtoffer ter wereld dat kan spreken. Nog niemand had ooit gesproken in deze rol. Maar, hoewel ze niet spraken, waren slachtoffers wel steeds essentieel geweest. (…) Offers waren de kern van het ritueel, omdat alleen zij de groep tot één lichaam maakten en er de legale status van een openbaar lichaam aan gaven, tot voorbij het graf. Een offer was het enige middel om orde en om rechtspersonen te scheppen.”

Dat het slachtoffer spreekt is iets onbestaanbaars. Een ergernis, iets walgelijks. Alsof “de biefstuk en de vis” op tafel opeens gaan praten. Jezus spreekt over het eten van zijn vlees, het drinken van zijn bloed. Het is dermate afstotend dat volgens sommige theologen die niets begrepen hebben van de ergernis van het kruis, dit onmogelijk door een Joodse auteur uit de eerste eeuw kan zijn opgeschreven. Maar, zegt RosenstockHuessy, “Mattheüs was immuun voor de ziekte van het fatsoen”. “Waarom zou het van slechtere smaak getuigen wanneer een slachtoffer zichzelf brood en wijn noemt dan wanneer anderen de rechtvaardige veroordelen?” Mattheus gaat terug op de oerfundamenten van de cultuur. Rosenstock-Huessy legt bij het beschrijven van de oermaaltijd de nadruk op de verbondenheid van levenden en doden (voorouders). Bij Girard heeft de oermaaltijd daarentegen zijn oorsprong in het offer, dat dan weer teruggaat op de zondebokuitdrijving. Een uitdrijving die plaatsvindt na een crisis en die de vrede in de gemeenschap herstelt. Niettemin komt Rosenstock-Huessy in zijn beschrijving van het offer wel heel dicht bij Girard. We zien dat ook als hij schrijft over de kerk als historisch gevolg van het kruis.

“Maar de Kerk werd gebouwd op het geloof dat van nu af geen godsdienstoefening gehouden mocht worden, tenzij de mensen zichzelf zagen als het offer dat gebracht werd. De uitdrukking zelf van het Lichaam van Christus, met zijn Hoofd in de Hemel, betekende nu juist dit, dat wij, die de Heer elke dag zouden kruisigen, in onze razernij en afgunst en onverschilligheid, nu, nu onze ogen eenmaal geopend zijn voor wat we gedaan hebben en bezig zijn te doen, plechtig verklaren: wij steken, samen met ons Hoofd over naar de kant van de stille slachtoffers en stellen onszelf ter beschikking aan onze Maker, zodat hij de offerande kan herscheppen naar zijn goeddunken.”

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.