Filosoferen over landbouw – Het gelijk en ongelijk van Wendel Berry

Illustratie, Filosoferen over landbouw - Het gelijk en ongelijk van Wendel Berry

Wendel Berry is een prominente vertegenwoordiger van de Amerikaanse beweging van Agrarianists. Voor Roel Jongeneel is zijn landbouwfilosofie prikkelend, maar uiteindelijk toch te romantisch. Hoe moet het dan wel met onze landbouw? Wat is goed rentmeesterschap? Roel Jongeneel stelt vijf normen voor.

De verhouding mens/natuur en het vinden van de goede balans daartussen is en blijft een intrigerende kwestie. Ook de christelijke gemeenschap is daar allesbehalve klaar mee. Hoe moet of mag je met de aarde omgaan? Als die problematiek ergens pregnant naar voren komt, dan is het wel in de landbouw. Als geen andere sector in de economie is de landbouw afhankelijk van de aarde (meer dan 60 procent van het cultuurareaal is in handen van landbouw). Van goede antwoorden die in de landbouwpraktijk zijn gevonden zou men misschien elders in de economie kunnen leren. De vraag is echter of de landbouw het wel zo goed doet dat ze haar voorbeeldrol kan waarmaken. De filosoof Schuurman aanvaardde in 1983 zijn ambt als bijzonder hoogleraar Reformatorische Wijsbegeerte in Wageningen met een inaugurele rede getiteld ‘De crisis in de landbouw’. Hij doelde toen op de problematiek van een landbouw die “losgemaakt is van haar ecologische en biotische context” en waarin volgens hem veel mis was en, als er niets zou veranderen, nog meer mis dreigde te gaan. Dat was vijfentwintig jaar geleden. Is het nu anders en beter?

Wie vandaag kijkt naar bijvoorbeeld de kwaliteit van het oppervlaktewater of naar de daling van het gebruik van kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen sindsdien, is mogelijk geneigd die vraag met ‘ja’ te beantwoorden. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is in die vijfentwintig jaar meer dan gehalveerd, terwijl de gewasopbrengsten met circa 70 procent zijn gegroeid. En je hoort vissers vandaag zeggen dat de visstand achteruit is gegaan omdat het water vandaag zo schoon is en minder voedsel bevat dan eerder het geval was. Wie echter kijkt naar de uitkomst van de recente EUbrede consultatie (met meer dan 320 duizend respondenten), ziet dat het grote publiek vindt dat met betrekking tot duurzaamheid en dierenwelzijn extra stappen moeten worden gezet. Men is ontevreden en de landbouw die men ‘ziet’, verschilt duidelijk met het ideaalbeeld dat men heeft. Dit is niet alleen het geval voor specifieke pressiegroepen (Living Land campagne), maar het geldt veel breder. De vergroeningsactie van 2013 in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid had een antwoord op dit soort zorgen moeten zijn, maar wordt nu algemeen als een faliekante mislukking gezien.

In verband met dit onbehagen over de richting en de koers van de moderne landbouw en wat dit doet met ons eten, is het boeiend om naar de steeds sterker wordende Agrarianism-beweging te kijken. Deze beweging is in de Verenigde Staten ontstaan, maar krijgt ook daarbuiten steeds meer medestanders. Het gaat hier om een kritische en normatieve kijk op landbouw, waarvan Wendell Berry een toonaangevend ambassadeur is. Dat Berry ook nog christen is en dat hij daar geen doekjes om windt, is een extra reden voor christenen om kennis te nemen van zijn visie. In het vervolg wordt aan de hand van het werk van Berry allereerst beknopt omschreven wat de Agrarianism-visie inhoudt. Berry komt zowel met kritiek op de bestaande landbouw als met oplossingen voor hoe het beter moet. Zowel zijn diagnose als zijn therapie worden besproken. Het artikel vervolgt daarna met een evaluerend deel waarin de visie van Berry gewogen wordt en vijf ijkpunten worden geformuleerd die cruciaal lijken voor een verantwoorde landbouwontwikkeling.

Agrarianism

Er is eigenlijk geen goede vertaling voor het Engelse woord Agrarianism. De beweging wordt vertegenwoordigd door een gemêleerde groep van personen, onder wie naast Wendell Berry ook anderen horen zoals Wes Jackson, Gary Snyder, Mary Strange en Gene Logsdon. Allen vinden ze elkaar op de volgende drie punten: 1) ze zijn verdedigers van het traditionele gezinsbedrijf in de landbouw; 2) ze vinden dat er sprake is van een diepe crisis in de moderne landbouw omdat er bepaalde essentiële waarden zijn losgelaten; en 3) ze hebben een scherpe kritiek op de moderne landbouw zowel vanuit een milieu-, economisch als cultureel oogpunt. Hun benadering gaat terug op de achttiende-eeuwse stroming van ‘agrarisch fundamentalisme’, dat onder andere terug gaat op het werk van de filosoof John Locke en de school van de Franse fysiocraten, waarin sprake is van een hoge waardering van de landbouw. Een belangrijke verwoording ervan werd gegeven door Thomas Jefferson, een van de founding fathers van de Amerikaanse Republiek en auteur van de Onafhankelijkheidsverklaring. De Agrarianists schrijven vaak voor de gewone man en je vindt weinig van hun publicaties in het academische circuit. Ze zijn goed (en academisch) opgeleid, maar hun werk wordt waarschijnlijk als te alternatief beschouwd, waardoor het publiceren in wetenschappelijke tijdschriften sowieso lastig zal zijn. Dat is jammer omdat daarmee ook het debat met de gevestigde, wetenschappelijke benaderingen in de landbouw uitblijft. Daarmee blijft ook de wetenschappelijke kwaliteit van de bijdragen van de Agrarianists soms wat vaag. In de Agrarianism-stroming kunnen vijf basisprincipes worden onderscheiden. Het eerste principe is dat boer zijn als het meest originele beroep wordt gezien. Alle andere economische activiteiten hebben een meer afgeleid karakter.

Boeren is niet alleen iets dat ooit belangrijk was in primitieve (agrarische) samenlevingen, maar de meest oorspronkelijke roeping van de mens. Verschillende Agrarianists zijn ook zelf praktiserend boer. Dat verleent hun verhalen extra kracht omdat ze spreken als ‘ervaringsdeskundigen’ die met hun voeten in de klei staan. Het tweede is dat het agrarisch leven de meest natuurlijke vorm van menselijk leven is en daarom ook moreel goed is. Het stadsleven is in vergelijking daarmee veel kunstmatiger en meer gevoelig voor kwaad en degeneratie. In de derde plaats wordt de volledige economische onafhankelijkheid van de boer verheerlijkt. Idealiter is de boer een vrij man, eigen baas, werkzaam in de natuur. Zelfstandige, ook al is hij misschien een kleine zelfstandige. Het vierde is dat de boer geacht wordt hard en ijverig te werken. Hij demonstreert daarmee de deugd van het verstaan van je verantwoordelijkheid door niet naar anderen te kijken, maar door zelf aan te pakken. Het vijfde principe stelt dat de agrarische gezinsbedrijven onlosmakelijk verbonden zijn met de democratie en er als het ware de (morele) ruggengraat van vormen.

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.