De paradoxen van vergeving – naar aanleiding van Améry, Wiesenthal en Derrida

Illustratie, De paradoxen van vergeving - naar aanleiding van Améry, Wiesenthal en Derrida

Vergeving is een mogelijkheid die, op het moment dat zij zich voordoet, als een onmogelijkheid ervaren wordt. Dat is een paradox. Welke functie heeft wrok bij het ervaren van die onmogelijkheid? Renée van Riessen verdiept zich in de discussie die Joodse overlevenden van de holocaust met elkaar voerden over vergeving.

Er leven niet veel mensen meer die het kunnen navertellen – het is de steeds terugkerende regel in een navrant protestlied dat cabaretier Wim Kan in 1971 schreef naar aanleiding van het bezoek van keizer Hirohito aan Nederland:

Er leven niet veel mensen meer die het hebben meegemaakt
De vijand heeft er ongeveer éénderde afgemaakt
Die slapen in een jutezak, de Burmahemel is hun dak
De kampen zijn verlaten, leeg de cellen
Er leven niet veel mensen meer die het kunnen navertellen

Wim Kan haatte Hirohito vanwege de ontberingen die hij en vele anderen hadden moeten lijden in Birma, straffen die uit naam van de keizer werden opgelegd. Hirohito werd na de oorlog toch niet als oorlogsmisdadiger beschouwd. De Amerikanen kozen er om politieke redenen voor hem te zien als een machteloze pion. Het liedje eindigde met de hint dat er in 1971 in elk geval nog één was die wel wist hoe het zat – dat was de keizer zelf:

En toch leeft er nog altijd een die het navertellen kan
Die de geschiedenis kent als geen: de keizer van Japan
Nou hij niet opgehangen is ‒ had op Soestdijk toen aan de dis
Tenminste toch eens iemand kunnen vragen hoe dat zat destijds in Burma
Aan die railroad, met die doden, en die ziekten, en die honger en die cellen

Wat had hij dat
Terwijl hij at
Mooi kunnen vertellen.

Wat Wim Kan in 1971 schreef over Birma, gaat ook op voor de concentratiekampen in Duitsland en Polen, plaatsen als Auschwitz, Treblinka, Bergen-Belsen of Mauthausen, waar de moord op de Europese Joden heeft plaatsgevonden. Wie kan het nog navertellen? Het vermoorden van mogelijke getuigen was zelfs een van de doelen van de kampen, en naderhand zijn er ook historici geweest die de Holocaust ontkenden. Nu, in 2017, is de bespreekbaarheid van de Holocaust in het onderwijs soms een probleem, met name op scholen met veel moslimleerlingen. Soms komt de vraag op waarom het nodig is om nu nog stil te staan bij iets wat al zo lang geleden is. Hebben er in de tussenliggende jaren geen genocides plaatsgevonden die minstens even gruwelijk zijn? En moet er niet evenveel aandacht worden gegeven aan de gevolgen die de vervolging van Joden in Europa heeft gehad voor de Palestijnen? Angst voor het grote vergeten, als er niemand is die het navertellen kan en gedenken wil, beving ook schrijvers als Primo Levi en Jean Améry in de naoorlogse tijd. Bij Améry stak die angst met name de kop op in 1964, toen in Frankfurt het grote Auschwitz-proces begon.

Tot dat moment had hij gezwegen over wat hem als slachtoffer overkomen was. Maar in 1964 voelde hij het als een opdracht om zich hierover uit te spreken, niet alleen voor zichzelf, maar ook namens de slachtoffers die niet meer spreken konden: als hun plaatsvervanger. Hij deed dit in eerste instantie via de Duitse radio, middels een aantal lezingen over zijn ervaringen. In 1966 werden deze toespraken als essays gebundeld onder de titel Jenseits von Schuld und Sühne: Bewältigungsversuche eines Überwältigten. Améry schrijft over de ervaring gemarteld te worden; hoe dat je vertrouwen in de wereld volledig kan breken en hoe dit vertrouwen bij hemzelf naderhand nooit meer is teruggekomen. Over de positie van de intellectueel in Auschwitz schrijft hij dat het de snelste cursus is die je doorlopen kunt om te komen tot een besef van je eigen volkomen nietigheid. Sartre beweerde misschien dat hij dertig jaar nodig had om zich te ontdoen van het filosofisch idealisme, schrijft Améry, maar ik kan u verzekeren dat wij daar in Auschwitz veel minder tijd voor nodig hadden. En hij voegt eraan toe dat hij en zijn lotgenoten Auschwitz niet wijzer of diepzinniger verlaten hebben dan ze er binnen gingen, maar wel verstandiger. Ook over het thema van de wrok schrijft Améry. Hij zegt over zichzelf dat hij hoort bij dat uitstervende slag van mensen dat men gewoonlijk aanduidt als ‘nazislachtoffer’. Dit vervult hem met wrok. Voor de wrok van slachtoffers was in het naoorlogse Duitsland eerst nog wel enig begrip; maar na enkele jaren was het daarmee afgelopen en verzocht men de slachtoffers een begin te maken met het vergeven en vergeten. Zelf constateert hij dat hij nog geen vat heeft op zijn gevoelens van wrok. Hij struikelt erover; het essay is een poging zichzelf opnieuw te verstaan en tegelijkertijd een verdediging van het recht op wrok.

Waarom vasthouden aan de wrok?

Hoe is Améry aan het ressentiment gekomen? Vlak na zijn terugkeer naar Brussel was het er nog niet. Al moet gezegd worden dat deze terugkeer geen thuiskomst in eigenlijke zin was, want niet België maar Oostenrijk was Améry’s eigenlijke vaderland. Maar naar Oostenrijk kon en wilde hij niet terug. Het land, waar hij werd geboren als zoon van een Joodse moeder en een Oostenrijkse vader, was na de oorlog onleefbaar voor hem geworden. Hij hoort voor zijn gevoel nergens bij (ook niet bij het jodendom, waar hij niet in opgevoed is). Zijn oorspronkelijke naam (Hans Mayer) verruilt hij voor een Franse nom de plume: Améry is het acroniem van Mayer. Maar schrijven kan hij alleen in het Duits, al wil hij (als journalist) zijn artikelen alleen in Zwitserse kranten publiceren. Eenmaal teruggekeerd merkt hij niet in staat te zijn de houding van verzoening aan te nemen die door velen (ook door Joodse filosofen als Martin Buber en Hannah Arendt) wordt aangeprezen. Met afkeer haalt hij de Frans-Joodse denker Gabriel Marcel aan, die zijn Duitse medemensen gerust probeert te stellen door te onderstrepen dat haatgevoelens een ‘moreel verwerpelijke’ vorm zijn van zich vastklampen aan het verleden. Maar wat dreef Améry zelf, in zijn vasthouden aan wrok? Hij vraagt zichzelf af: ben ik psychisch ziek? Lijd ik aan een KZ-syndroom? Al schrijvend wordt het Améry wel duidelijk dat het hem in deze wrok om iets anders te doen is dan het opsluiten en berechten van nazi’s. Eerder gaat het om iets wat hij de ‘subjectieve gesteldheid van het slachtoffer’ noemt. Waarvan is de wrok, die men zowel ethisch als juridisch als een onwenselijke toestand beschouwt, een teken?

Dan komt in hem de gedachte op dat wrok een teken is van onvermogen het verleden los te laten, sterker nog: wrok nagelt je vast aan dat verleden. Het is een vorm van onverzoenlijkheid die weigert zich voor de toekomst te openen. Wrok vraagt daarnaast om de terugkeer van wat ooit was (de toestand van geluk die er was voordat het leed begon); en hij verlangt ook naar een opheffing van het verleden waarin de misdaad plaatsvond. In die zin staat degene die de wrok koestert op één lijn met de misdadiger die zich bewust wordt van zijn morele schuld, want ook die zou de geschiedenis het liefste terugdraaien, zodat de misdaad nooit had plaatsgevonden. De onverzoenlijkheid van het slachtoffer, door zijn hechting aan het verleden waarin hij tegen zijn wil slachtoffer werd, maakt dat hij zich niet kan openstellen voor de toekomst. Eerst moet het verleden nog verwerkt (bewältigt) worden. Daarom kan de mens van het ressentiment niet instemmen met de oproep om toch vooral te kijken naar een betere toekomst, een gemeenschappelijke toekomst.

Gemeenschap

De mens van de wrok hoort nergens bij, daarom is een gemeenschappelijke toekomst problematisch en bijna ondenkbaar geworden. Niet voor niets gaf Jeroen Brouwers aan zijn essay over Améry de titel Oefeningen in nergens bij horen. Toch blijkt gemeenschap in Améry’s indrukwekkende zelfonderzoek een belangrijk thema te zijn. Met wie kan het slachtoffer gemeenschap voelen? In de eerste plaats met andere slachtoffers, namens wie hij spreekt: wat hun is aangedaan mag niet vergeten worden, en zelf kunnen ze niet meer spreken. Maar verrassend genoeg is er ook een gemeenschap met de daders mogelijk, wanneer ze worden berecht. In een aangrijpende passage schrijft Améry over een Vlaamse SS’er, Wajs, die hem regelmatig tot bloedens toe geslagen heeft. Wajs was een massamoordenaar en folteraar, die later ter dood veroordeeld werd. Vooral naar aanleiding van zijn geschiedenis met deze ter dood veroordeelde dader komt Améry tot de ontdekking waarom hij de wrok niet kan loslaten. Het eigenlijke motief van het ressentiment blijkt de opheffing van eenzaamheid te zijn, of beter gezegd: is de mogelijke opheffing van zijn eenzaamheid. De eenzaamheid van het geslagen en gefolterde slachtoffer, wiens waardigheid tot nul gereduceerd is. ‘Staande voor het vuurpeloton’, schrijft Améry, ‘heeft Wajs ten slotte de morele dimensie ingezien van zijn daden, die daarvoor voor hem onbetekenend waren geweest.’ Was het meer dan een aaneenschakeling van fysieke gebeurtenissen en voorvallen? Een hand omklemt een stok, heft hem op en slaat een ander mens. Pas in de rechtbank worden dit morele feiten. Toen was ik niet langer eenzaam, schrijft Améry, en werd de SS-man Wajs mijn medemens. Améry’s wrok blijkt dan uitdrukking te zijn van een zoeken naar een oorspronkelijker vorm van gemeenschap, die hij deelt met zowel slachtoffers als daders. Beiden verlangen een omkering van de tijd, een uitwissing van het verleden en een terugkeer naar de tijd voor de misdaden plaatsvonden. Beiden voelen zich uitgesloten van een toekomst waarin beter leven mogelijk is.

Maar het berechten van één enkele dader, Wajs bijvoorbeeld, is niet voldoende; want boven de enkeling Wajs verheft zich een piramide van andere daders: SS’ers, helpers van SS’ers, ambtenaren en generaals. Dat maakt Améry moedeloos, en daaruit verklaart hij zijn onwil zich verzoenend op te stellen. Vergeving en verzoening zijn voor hem tekens van het opgeven van de individualiteit van het slachtoffer, ze brengen een zekere onverschilligheid met zich mee. De onverschilligheid die te beluisteren is in het cliché dat de tijd de wonden wel zal helen. De tijd zal dat niet zomaar doen, schrijft Améry, want er is voor verwerking meer nodig dan het louter voorbijgaan van de tijd. Voor vergeving en verzoening was het volgens Améry in 1964 en ook in 1977 (toen de herdruk van zijn essaybundel verscheen) nog te vroeg.

Vergeving is een illusie: Améry’s antwoord aan Wiesenthal

In 1969, enkele jaren na de publicatie van Améry’s essays, publiceerde Simon Wiesenthal de novelle Die Sonnenblume, een verhaal over de mogelijkheden en grenzen van vergeving dat gebaseerd is op een gebeurtenis die Wiesenthal mogelijk zelf heeft meegemaakt. De hoofdpersoon vertelt hoe hij als gevangene in een Duits concentratiekamp op een dag van zijn werk werd weggeroepen door een verpleegster die hem naar het bed van een stervende Duitse soldaat bracht, een zekere Karl, die vergiffenis wilde vragen voor de misdadige acties waaraan hij als lid van de Waffen-SS had deelgenomen. De soldaat wilde voor hij stierf een bekentenis afleggen, en had aan de verpleging verteld dat hij zijn verhaal wilde vertellen aan een Jood, zodat deze hem namens de Joodse slachtoffers vergeving zou kunnen schenken. Wiesenthal vertelt dat de hoofdpersoon het verhaal zwijgend heeft aangehoord en toen de kamer is uitgelopen zonder de gevraagde vergeving te schenken. Het voorval blijft hem bezighouden: in het kamp, maar ook na zijn vrijlating. Heeft hij er goed aan gedaan te zwijgen? Had hij er het recht toe? Wat zouden anderen in zijn plaats gedaan hebben? Wiesenthal verlangde naar een open discussie over deze vraag: de vraag naar de mogelijkheden en grenzen van vergeving. Daarom stelde hij deze vragen aan een breed forum van mensen die hij hoogachtte: schrijvers, politici, filosofen en theologen. Jean Améry was een van hen.

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.