Wie ben ik als lezer van de briefroman van Zsuzsa Bánk?

Hans Ester is enthousiast over de briefroman Slapen doen we later. Hij legt uit waarom.

Een van de mooiste zinnen uit de briefroman Slapen doen we later [oorspronkelijke titel: Schlafen werden wir später] van de Duitse schrijfster Zsuzsa Bánk (geb. 1963) staat in de brief die Márta Horváth op 13 april 2010 aan haar vriendin Johanna Messner schrijft. Márta’s vriend Simon leest het opzienbarende boek De laatste christen van de dissidente Oostenrijkse priester Adolf Holl, waarop Mia en Franz, hun twee oudste kinderen, uitroepen: “Hoezo, de laatste christen, papa, en wij dan?”

Márta (ook Márti genaamd) Horváth in Frankfurt en Johanna Messner in Freiburg schrijven elkaar om de paar dagen. De correspondentie begint op 27 maart 2009 met een brief van Márta en eindigt op 21 juni 2012 met een brief van Johanna. Deze uitwisseling per e-mail is zeer intensief.

Verlangen naar creativiteit

De dagelijkse dingen, zoals Márta’s zorg voor haar drie kinderen en het correctiewerk van lerares Duits Johanna zijn van groot belang in deze brieven. De rituele handelingen dragen hen door de dagen en zijn tezelfdertijd de grote hinderpaal voor hun verlangens naar zelfverwezenlijking. Márta kan niet zonder de uren waarin zij verhalen schrijft en Johanna probeert na haar borstoperatie in de schaarse vrije tijd de met haar verwante dichteres Annette von Droste-Hülshoff (1797 – 1848) te doorgronden en daarmee haar angst voor de dood te overwinnen.

Márta’s man Simon verziekt het gezinsleven, kleineert Márta en vertrekt ten slotte. Johanna raakt haar levensgezel Markus kwijt en zoekt een nieuw evenwicht in haar studie, in haar liefde voor haar petekind Mia (Márta’s dochter) en in de seizoenen rondom haar huis in het Zwarte Woud.

Johanna en Márta snijden in hun brieven problemen aan die naast de alledaagse zorgen liggen, zoals hun verhouding tot hun ouders: Johanna zucht onder de herinnering aan haar asociale moeder en haar verslaafde vader, terwijl Márta de erfenis van haar door de communistische dictatuur verdreven Hongaarse ouders met zich meedraagt. Een ander vraagstuk is de rol van God in de gang van hun leven, en daarmee nauw verbonden: de zin van het menselijk bestaan.

Twee taalkunstenaars

De vriendinnen steunen elkaar en sparen elkaar hun kritiek niet. Het is daarom bepaald geen koekoek éénzang in deze epistels. Beide zijn zij kunstenaar met woorden, maar Márta heeft het grootste talent om met taal aan een ervaring grote diepte te verlenen. Wanneer Johanna Márta’s wanhoop wegwimpelt, antwoordt Márta: “En jij zegt gewoon: ach, onzin Márti, als iemand zich staande weet te houden dan ben jij het. Toch houd ik van je, ook als je me soms met alle geweld wilt miskennen, alsof je daar plezier in hebt.”

Deze brieven boeien door hun rijkdom aan taal en hun geestelijke diepgang. De lezer kan niet anders dan zeer dankbaar zijn. Maar, wat betekent dankbaarheid als lezersreactie in verband met deze roman in brieven?

De twee wegen van de lezer

Het woord ‘lezersreactie’ vereist nuancering, evenals ‘dankbaarheid’. Anders gesteld kan de vraag luiden: Welke betekenis hecht ik aan de tekst tijdens het lezen ervan en erna? Wat gebeurt er tussen mij en de tekst? De betekenisgeving kan via twee lijnen lopen. De lezer kan zich betrokken voelen bij de inhoud van een roman en zowel tijdens het lezen als erna zijn/haar waardering voor deze roman uitspreken. Deze waardering is geen natuurlijk gegeven van de roman; zij ligt niet aan de oppervlakte te wachten op bijvoorbeeld de ingecalculeerde instemming. De waardering is aan schommelingen onderhevig en wordt bepaald door de afwegingen van plussen en minnen binnen de oordeelsvorming. Ook deze plussen en minnen zijn een versimpelde formulering van het ingewikkelde proces dat zich in het hoofd van de lezer afspeelt.

Friedrich Schleiermacher

Mogelijk kunnen de twee methodes die de Duitse theoloog en pedagoog Friedrich Schleiermacher (1768 – 1834) onderscheidt in het vertalen, helpen om het proces van betekenisgeving aan een tekst te begrijpen. Beknopt samengevat kan de vertaler de ‘vreemde’ tekst naar de lezer brengen. Zo kan ook de lezer – als een soort vertaler – de onbegrijpelijke, verwarrende en ook weer hulpvaardige tekst voor zichzelf toegankelijk maken door de begripsdrempels en ongerijmdheden te effenen. Dit is een vorm van primaire hermeneutiek. Bij de tweede methode van Schleiermacher wordt de lezer naar de tekst gebracht. De lezer is gedwongen om in dit geval over de oneffenheden en duistere passages na te denken. Dit is een reflecterende hermeneutiek. Deze vorm van hermeneutiek is zich bewust van het proces van communicatie tussen tekst en lezer. Vanuit de primaire hermeneutiek bevechten de meningen en interpretaties elkaar, bij de reflecterende hermeneutiek zijn de lezers wederzijds geïnteresseerd in het zoekproces naar de interne dragers, of misschien beter: souffleurs van zin en betekenis.

Het ligt niet in de aard van het lezen van literatuur om tijdens het lezen van een roman of novelle een analytische bril op te zetten en de tekstinterne structuur te onderzoeken. Bij het kijken naar een film is dit analytische kijken zelfs uitgesloten door de strakke opeenvolging der beelden, tenzij de kijker tien keer naar dezelfde film kijkt en zich daarmee binnen het kijken een vrije ruimte heeft verschaft. Met literatuur is onlosmakelijk de eigenschap verbonden dat zij zich tot ervaring van de lezer ontpopt. De belangrijkste redenen hiervoor zijn de gaten of open plekken in de door een roman, verhaal of sprookje opgeroepen werelden. Hoe groter de gaten in de Emmentaler kaas van de literatuur, des te meer vult de lezer deze stukjes op met eigen taal, eigen voorstellingen en gevoelens en verhoogt zijn/haar betrokkenheid bij wat de met eigen inbreng verrijkte tekst te vertellen heeft. Om deze lege plekken te markeren, dient ook de term ‘betekenisenclave’. Het gaat om enclaves binnen een vast omschreven territorium. Om een voorbeeld te geven: het uiterlijk van romanpersonages is binnen betekenisenclaves in de verbeelding van de lezer vrijwel altijd verbonden met een voorstelling van haarkleur, ogen en gelaatsuitdrukking. Het gaat om romans en verhalen waarin concrete informatie hierover ontbreekt. Bij literatuur die expliciet op geloofsbekering is gericht, zoals de jeugdromans die uitgeverij Callenbach rond 1900 voorbereidend op het kerstfeest publiceerde, is weinig ruimte opengebleven. De emoties van de lezer worden daarin zo duidelijk voorgezegd dat een ontledende houding volkomen ongepast lijkt.

 

[1] Het gaat om een waarheid die je als lezer deelt of niet. Je geeft je over of je verwerpt het appel op je gemoed. Degene die de oproep tot bekering naast zich neerlegt, is in dit genre jeugdromans negatief getypeerd. De negatieve figuur vertegenwoordigt geen alternatieve levenshouding. De lezer zit klem.

Lezen als simulatieruimte

Het lezen van literatuur kan lastig zijn, maar het is nooit zonder positieve emoties. Je leest om kennis te verwerven over de mens, over God en over de wereld. Ook lees je om zonder gevaar voor eigen leven dingen te beleven die in de lijn liggen van angsten en verlangens. Lezen is dan een manier van dagdromen binnen de simulatieruimte van de letterkunde, zoals de Duitse letterkundige Dieter Wellershoff het noemde. Zoals bekend, heeft Sigmund Freud in zijn letterkundige studies over de parallel droom/sprookje en over de aard van de dagdromen en wensen geschreven. Hoe reflecterend en analytisch ook, de open structuur van letterkunde wordt bij Freud verengd tot een absolute duiding en belandt daarmee in de arena der elkaar bevechtende interpretaties.

In plaats van het accepteren van concurrerende methoden en daarmee vrede hebben, lijkt het leggen van een verband tussen afstandelijke analyse enerzijds en persoonlijke waardetoekenning anderzijds een zinvolle benadering. Bij de analyse gaat het om de bijzondere eigenschappen van deze briefroman. Het draait om het verwerven van inzicht in de functies die van deze tekst een literaire tekst maken. Bij een poging tot ontleding kan het volgende van belang zijn: om te beginnen is het belangrijk om vast te stellen dat de brieven in Slapen doen we later verzonnen brieven zijn, ook al heeft de schrijfster Zsuzsa Bánk zelf mogelijk een dierbare vriendin met wie zij regelmatig correspondeert. In het werkelijke bestaan heeft de brief de status van het medium, de hoeder van vertrouwelijkheid. Wat wordt uitgewisseld, is in principe niet voor derden bestemd. Die situatie van beschermde intimiteit wordt bij Zsuzsa Bánk gesimuleerd. De uitwisseling gebeurt door middel van e-mails. De in onze cultuur bekende vluchtigheid van e-mails is echter vervangen door de duurzaamheid van de reacties op elkaars ervaringen en emoties. Van tijd tot tijd ontmoeten Márta en Johanna elkaar in levenden lijve, maar over deze ontmoetingen bevatten de brieven slechts schaarse informatie. De ware vertrouwelijkheid en intimiteit vindt in de e-mails/brieven plaats.

Intimiteit is hier niet identiek met seksualiteit. Informatie over seksuele ervaringen bevatten de brieven nauwelijks en dan alleen maar indirect. Des te indringender is Johanna’s aarzeling om opnieuw een man in haar leven toe te laten. Vol betekenis is haar mededeling dat zij aan haar nieuwe geliefde het litteken van haar borstoperatie na enige aarzeling durfde te laten zien.

Bildungsroman in tweevoud

Deze briefroman is een bildungsroman in tweevoud. Zoals in de klassieke bildungsroman uit de periode rond 1800 is de ontwikkeling die Márta en Johanna doormaken niet alleen gebaseerd op hun innerlijke, zelfstandige groei, maar ook het gevolg van de ontmoetingen met mensen en kunstwerken uit heden en verleden. Voor hen allebei is de Boheems-Oostenrijkse schrijver Adalbert Stifter met zijn religieuze natuurervaring een cruciale gesprekspartner om tot eigen inzichten te komen. Zowel de natuurbeleving als de vergeefse liefdesgevoelens van Annette von Droste-Hülshoff vormen naast Stifter een permanent referentiekader voor het formuleren van de eigen gedachten over natuur en liefde. In de eerste plaats geldt dit voor Johanna die een proefschrift over Annette von Droste-Hülshoff schrijft. Johanna en Márta kennen de cultuurgeschiedenis en belonen de lezer die belezen is.

De lezer leest over de schouder mee

Terwijl de aanhef en de formele afsluiting van de e-mail in het algemeen steeds sterker erodeert tot alleen nog maar twee initialen, zijn deze basiselementen van de klassieke brief in de briefroman Slapen doen we later nog in volle glorie aanwezig. De spanning en de broosheid van deze inspirerende vriendschap tussen Márta en Johanna schuilen in de aanspreekvorm bij iedere e-mail. Vaak is het ‘Liefste Márta’ en ‘Liefste Jo’ en ontleent de lezer hieraan zekerheid over de hechtheid van deze verbinding. Maar dan schrik je, wanneer het ‘Liefste’ verandert in ‘Lieve Jo’ en ‘Lieve Márta’ of wanneer in een zeldzaam geval alleen de naam overblijft. De geringste veranderingen in de onderlinge verhouding verhogen de emotionele investering van de lezer. De lezer is er door de geïnternaliseerde gevoelens van de beide vrouwen toe geneigd om de golvende emoties via deze variatie in aanspreekvorm als pseudo-deelnemer mee te ervaren. De angst ligt op de loer dat het tot een explosief conflict tussen beiden komt. De diepe kennis van deze beide levens die de lezer zich geleidelijk eigen maakt, heeft tot gevolg dat de e-mailbrieven ook de lezer als gesprekspartner betrekken bij de besproken ervaringen en vraagstukken. Dit is uiteraard zo te verstaan dat de lezer over de schouder van de beide vrouwen meeleest en de tijdelijke hiaten, de betekenisenclaves tussen de e-mails, met verwachtingen en met hoop invult. Deze verwachtingen zijn zo geladen, omdat de lezer zich in zijn/haar herinneringen de gebeurtenissen uit eerdere e-mails vermengt met herinneringen aan eigen ervaringen. In de herinnering is Márta verwant aan ooit levende mensen die in het geheugen meer en meer een verhaal worden, literaire trekken krijgen. Dat de herinnering hierbij selectief opereert, is duidelijk, maar deze herinnering kan niet willekeurig uitwaaieren en moet binnen bepaalde grenzen blijven om aan de volgende fases in deze uitwisseling per e-mail/brief te kunnen blijven deelnemen. Anders is het leesproces voortijdig beëindigd.

Stijl

Stijl is de wijze van taalgebruik met als centrale vraag: welk woord uit een reeks semantische varianten kiest de schrijver? Het opvallendste stijlverschil tussen de brieven van Márta en die van Johanna ligt in de beelden die beiden gebruiken. Márta vertelt bijvoorbeeld over een uitspraak van haar levensgezel Simon:

Toen ik ’s avonds na onze wandeling door het Sinaipark [in Frankfurt am Main] de trap opliep met de kinderen, zei Simon dat ik eruitzie als zo’n vrouw in een vluchtelingencolonne vlak voor het eind van de oorlog, mijn gezicht zou zo voor een paard-en-wagen in een vluchtelingencolonne hebben kunnen opduiken, met een hoofddoek, dikke wollen doeken over mijn schouders en teugels in mijn behandschoende hand. Ik heb niet gevraagd: wat zie je in me, Simon? Zie je het vertrouwen, de sterke overlevingsdrang en de wil om te leven? Of alleen het afgebeulde, het afgestompte? Mijn puinruimstersgezicht? Zeg het eens, wat is het? (137)

Over een uitstapje met een nieuwe collega op haar gymnasium schrijft Johanna aan Márta:

Het gekke was dat ze haar natte paraplu niet in de paraplubak had gezet. Ze zette hem tegen de muur. Zo deed mijn moeder het ook. Natte paraplu’s horen niet in de paraplubak. Ook zoiets ontzettend idioots. Een natte paraplu niet in de bak! Waar anders in? (140)

Een derde voorbeeld van de verschillende kleuring van beider taal is Márta’s intentie om de doden niet aan hun lot over te laten:

Ik kan niet meer slapen en deel dit ochtenddonkere, wintergrijze uur met jou en de doden, onze ontvallen geliefden, die we ook uitnodigen. Ja, je moeder stuurt je een groet, de doden sturen ons groeten, natuurlijk doen ze dat, ze stoppen niet, ze blijven met ons praten en strooien hun tekens op onze paden, voor slagbomen, kruispunten en stadsbalkons, goddank vergeten ze ons niet, Johanna, het zou erger zijn als er geen groeten kwamen, als we niets meer van hen hoorden. (141)

Márta geeft zich duidelijk over aan de taal en aan haar associaties. Zij laat zich door de taal dragen in een golf van creativiteit. Zij is in haar scheppende overgave aan de taal kwetsbaarder en labieler in psychische zin dan Johanna die eerder door een fysieke bedreiging tot wanhoop wordt gebracht. Bij Johanna hoopt de lezer dat zij het redt in lichamelijke zin, bij Márta dat zij niet waanzinnig wordt. Het waarnemen door de lezer van het verschil in taalgebruik tussen Johanna en Márta leidt vrijwel automatisch tot een gevoelsmatige respons.

God als tegenkracht

Márta’s individualiteit en creativiteit worden zwaar bevochten door de dagelijkse zorgen voor het gezin en het ressentiment van Simon. De onderwerpen geloof in God en rouw om overledenen zijn essentiële ankerpunten in het krachtenveld dat Márta naar de afgrond probeert te drukken. Geloof en scheppingskracht hangen ten nauwste samen. De briefwisseling tussen Márta en Johanna bewaart het evenwicht tussen de onvermijdelijke negatieve krachten en de in creativiteit, liefde en vriendschap zich ontplooiende positieve krachten.

Slapen doen we later is een boek over en met een dialoog, een roman die niet alleen het document van een dialoog vormt, maar ook zelf tot een dialogische houding van de lezer bijdraagt. Hier komen wezenlijke facetten van het leven ter sprake. Deze briefroman inspireert tot cruciale gedachten. Vooral Márta weet zinnen in het leven te roepen die tot prikkelende waarheden worden.

Slapen doen we later is een lofzang op de taal die zich niet door constructies van ongeloof en cynisme laat knechten. Gegeven de verduistering van het kostbare gesprek in onze cultuur, de heersende tendens tot afbraak en negativiteit is dit een boek voor nu.

Naar aanleiding van

Zsuzsa Bánk, Slapen doen we later. Roman. Vertaald door Irene Dirkes en Lucienne Pruijs, Amsterdam, 2020

 

[1] Zie als voorbeeld: Ewoud Sanders, Levi’s eerste kerstfeest. Jeugdverhalen over Jodenbekering 1792 – 2015,Nijmegen, 2017