Waartoe is de economie op aarde?

Illustratie, Waartoe is de economie op aarde?

Op 24 mei jongstleden hield prof.dr. Govert Buijs zijn oratie aan de VU als bijzonder hoogleraar op de F.J.F. Goldschmeding leerstoel ‘Economie in relatie tot civil society’. Hieronder volgen enkele belangrijke gedachten uit het analytische en historische deel van de oratie.

We lopen in onze samenleving een beetje rond alsof we dement geworden zijn”, liet Govert Buijs vorig jaar optekenen in een interview in Sophie (Sophie 2017,4). “Dat maatschappelijk middenveld, waarom hebben we dat eigenlijk?” Hij stelde in dat interview dat civil society, een goed functionerende rechtsstaat en een morele markt de kerndomeinen zijn van de burgerlijke cultuur die zich sinds 1100 in het Westen ontwikkelt. Maar die cultuur is kwetsbaar, niet alleen voor ideologieën ook voor oppervlakkigheid. Het lijkt vanzelfsprekend om als vrijen en gelijken samen te leven, maar dat is juist heel moeilijk, helemaal nu sinds de jaren zestig van de vorige eeuw het idee heeft postgevat dat de samenleving prima kan draaien, ook wanneer iedereen zijn eigen vrijheid centraal stelt. Dan weten we dus niet meer waarom die maatschappelijke organisaties bestaan, en dat ze het resultaat waren van een moeizaam leerproces. Buijs ziet het als zijn taak om dat leerproces aan de vergetelheid te ontrukken. In zijn oratie trok hij de vraag waartoe het maatschappelijk middenveld op aarde is breder: waartoe is de economie op aarde?

Definitie

Economie is een menselijke activiteit, maar wat is daarin het typisch menselijke? Vaak is het antwoord gezocht in de vergelijking van de mens met het dier. ‘De mens is een dier plus…’. Plus de rede, plus emoties, plus taal. Of ‘de mens is een dier min…’. Min instinct. De antropoloog Gehlen definieerde de mens als een ‘Mängelwesen’, een dier met een tekort. Eenzelfde geluid is te horen in de Bergrede waar Jezus zegt: “Kijk naar de vogels. Zij zaaien niet en maaien niet.” De mens heeft van nature essentiële voorzieningen niet, die dieren en planten wel hebben. En dat is vaak voor mensen een reden tot zorg, waarom Jezus oproept om niet bezorgd te zijn.

We zijn dus als mens hulpbehoevend (1), maar als mensen hebben we ook een enorme plurale creativiteit (2): de een kan dit goed en de ander dat. Iedereen kan wel iets. Dit creatieve vermogen wisselen we uit (een derde punt): de een kan zich toeleggen op zijn taak als de ander iets anders doet. Coöperatie (3) is een wezenlijk onderdeel van de economie, waarin ten slotte ook ‘waardering’(4) een belangrijke rol speelt. We kunnen dingen, prestaties of situaties waardevol vinden, bruikbaar, mooi, maar we kunnen ze ook waardeloos vinden, of lelijk of nutteloos.

Onbekommerd lanceerde Buijs aan de hand van deze vier punten zijn eigen definitie van economie op basis van een antropologische benadering:

economie bestaat uit de netwerken van op creativiteit gebaseerde coöperatieve uitwisselingsrelaties van goederen en diensten tussen mensen, waardoor we individueel en gezamenlijk het leven meer kwaliteit (‘waarde’) kunnen geven dan we afzonderlijk zouden kunnen en dus gedeelde vreugde kunnen creëren in wederzijdse erkenning/waardering in een gedeelde wereld.

Een kapitteltje wereldgeschiedenis

Wat is er van die homo sapiens als homo cooperans in de wereldgeschiedenis terechtgekomen? Ik citeer vanaf hier integraal de oratie van Buijs.

“De reflectie op het antropoceen, de periode van de geschiedenis van de aarde waarin de mens zijn stempel daar op drukt, is een groot thema, ook in publieksliteratuur. Het beeld zoals dat nu grofweg opduikt, ziet er als volgt uit. Terwijl de soort homo sapiens waarschijnlijk zo’n 200.000 jaar oud is, is de mens die we qua gedrag ook als mens zouden herkennen, waarschijnlijk zo’n 60.000 jaar oud. De mensheid heeft gedurende de eerste bijna 50.000 jaar daarvan over het algemeen geleefd als jagers- en verzamelaars, vrijwel steeds als nomaden, rondtrekkend dus, op zoek naar streken waar voedsel was en het klimaat leefbaar. Vanaf ongeveer 12.000 jaar geleden begon her en der, met name in wat we nu aanduiden als het MiddenOosten de overgang naar meer sedentaire culturen waarbinnen dan weer vanaf ongeveer 6000 v. Chr. landbouw zich ontwikkelt. Binnen die landbouwculturen ontwikkelen zich vervolgens koninkrijken en imperia. Een zeer belangrijke trits voor mijn betoog: (1) jager-verzamelaar culturen (2) sedentaire landbouw culturen (3) koninkrijken/imperia.

Lang heeft men gedacht dat de jagers/verzamelaars heel vreedzame mensen waren, en dat het geweld zijn intrede doet met de landbouwculturen, maar inmiddels wordt daar anders over gedacht. Ons eigen ‘meisje van Yde’, afkomstig uit een jager/verzamelaar cultuur, had sporen van messteken tussen de ribben, en zo zijn er nog heel wat meer menselijke resten gevonden waarop sporen van geweld zichtbaar zijn. Zo coöperatief waren mensen in de geschiedenis dus kennelijk niet altijd. Er lijkt steeds een groot verschil tussen de moraal voor de ‘ingroup’ en die voor de ‘outgroup’.

Beteugeling van conflict moet dus ook al heel vroeg een belangrijke en urgente aangelegenheid zijn geweest voor mensen. Daar komen koningen en uiteindelijk keizerrijken, imperia, om de hoek kijken. Zij slagen er in om een bepaalde regio, soms een zeer groot gebied, aan één machtsstructuur te onderwerpen. Daarmee vestigen ze vrede binnen die grenzen, en daar laat men zich graag ook op voorstaan. Julius Caesar noemde inderdaad het onderwerpen van een bepaald gebied ‘pacificeren’, vrede stichten. Dat is zelden een zachtzinnig proces. Om bij het voorbeeld te blijven: toen Caesar zijn oorlogen in Gallië begon, woonden daar naar schatting zo’n drie miljoen mensen. Na zijn operaties waren één miljoen over de kling gejaagd, één miljoen was tot slaaf gemaakt en weggevoerd en er was nog slechts één miljoen over. Tegenwoordig noemen we dat genocide (maar kennelijk verhindert dit voorlopig nog geen vrolijk optreden van Caesar in Asterix en Obelix). Dit soort imperia overdekken hoe langer hoe meer de ganse aarde.

Het gaat bij imperia vrijwel altijd om wat de hedendaagse economen Acemoglu en Robinson ‘extractive institutions’ noemen. Ze bouwen een soort permanente oorlogseconomie die rust op slavenarbeid, verovering en zware belastingen. En dat met een toplaag die er zeer goed van leeft. Daarmee komen we op een tweede definitie van economie, wat ik noem de ‘imperiale definitie’:

een systeem van op onderdrukking gebaseerde organisatiestructuren waarin het surplus dat mensen creëren voortdurend wordt afgeroomd naar een kleine toplaag, zodat die een kwaliteit van leven kan bereiken die absoluut onbereikbaar blijft voor het overgrote merendeel van de bevolking Duidelijk is dat we hier met een grote ‘mismatch’ te maken hebben in vergelijking met onze eerdere antropologische definitie van economie. In plaats van coöperatie, onderdrukking; in plaats van gedeelde vreugde, slavernij.

We stuiten hier op een merkwaardig verschijnsel in de wereldgeschiedenis. Cultureel antropologen hebben dit wel aangeduid als ‘involutie’. De mensheid is kennelijk in staat om structuren op te bouwen die hoe langer hoe zwaarder gaan drukken en als een molensteen om de hals van het menselijk welzijn hangen. Ze bevorderen niet langer de menselijke bloei maar schaden deze.

Tegelijk slagen de imperia er wonderwel in om zichzelf voor te stellen als de belichaming van de wil van de goden of van de rijksgod. De rol van religie in het imperium is om de koning voor te stellen als goddelijk en daarmee de onaantastbaarheid van de macht te organiseren. Het imperium is waar, goed, schoon – heilig. Alternatieven bestaan er niet.

Een alternatief verhaal: de ontdekking van agapè Of toch wel? In de loop van het antropoceen voegt heel de wereld zich in de orde van het imperium. Heel de wereld? Nee, er komt verzet. Laat in de ontwikkeling van imperia zien we soms nieuwe spirituele ontwikkelingen, of beter, spirituele figuren die een heel andere waardenschaal presenteren en verkennen als maatgevend voor een zinvol menselijk leven. We hebben het dan over wat Karl Jaspers als Achsenzeit, spiltijd, aangeduid heeft, rond de 5e eeuw v. Chr., waarin door Confucius in China, Boeddha in India, Zarathustra in Perzië, de filosofen in Athene en de profeten in Israël, nieuwe levensoriëntaties worden verkend. Binnen de imperia vinden ‘spirituele breuken’ plaats, waarbij het (her)vinden van coöperativiteit en wederkerigheid als fundamenteler dan geweld en machtshiërarchie centraal staan. Breed ontdekt men versies van de ‘gulden regel’: doe jegens anderen, wat je ook zou willen dat anderen jegens jou doen.

Welke uitwerking deze ontdekking krijgt, is overigens heel verschillend. Soms meer spiritueel, soms meer politiek, soms gaat het in de richting van de creatie van alternatieve institutionele structuren, buiten en tegenover het imperium.

Met name deze laatste institutie-zoekende variant is voor ons verhaal van groot belang. In de Oudheid, die kraamkamer van imperia, is er één geschrift, dat bewust gecomponeerd lijkt te zijn als protestliteratuur tegen de imperiale structuren als zodanig. Dit voor het verloop van de wereldgeschiedenis uiterst belangrijke en invloedrijke document staat in de christelijke traditie bekend als ‘Oude Testament’, en wordt door Israël, de oorspronkelijke ‘drager’ van dit geschrift, ‘Tenach’ genoemd. Dit geschrift is in zijn uiteindelijke vorm waarschijnlijk gecomponeerd toen het volk, weer eens, zwaar in de imperiale penarie zat, in ballingschap gevoerd naar Babylon.

Het opent in zijn definitieve vorm met een fundamentele analyse van de menselijke conditie, de menselijke gewelddadigheid en de opbouw van imperia. Het eerste verhaal is dat van de gewelddadigheid van mensen, het verhaal waarin de ene broer de andere broer vermoordt. Dat is empirisch goed gezien: de mens is inderdaad vrijwel de enige diersoort die op grote schaal zijn eigen soortgenoten ombrengt. Na deze moord gaat het hoe langer hoe meer bergafwaarts. De oergeschiedenis in de eerste elf hoofdstukken van het openingsboek Genesis loopt uit op een imperium: Babel met zijn immense toren (denk aan de bekende schilderingen hiervan van Pieter Brueghel de Oude). (Zie pagina 35) Opnieuw zal die waarschijnlijk niet meer bestaande Bijbelvaste lezer/luisteraar enige twijfels vanuit een diep geheugen voelen opkomen. Het Oude Testament begint toch niet met Kaïn en Abel? Was er niet iets met ene Adam en/of Eva? In veel Oude Oosterse geschriften wordt de geschiedenis van de mensheid voorafgegaan door geweld in de godenwereld, een soort kosmische strijd tussen orde en chaos bijvoorbeeld. De gewelddadigheid van mensen is dan weinig anders dan voortzetting van wat de goden doen. Maar in de Tenach gebeurt dat niet! Kaïn en Abel worden niet voorafgegaan door een Titaanse godenstrijd, maar inderdaad deze lezer/ luisteraar vermoedde het al door het verhaal van Adam en Eva, een schildering van het mens-zijn, die men kennelijk fundamenteler, meer wezenlijk acht dan de gewelddadigheid: menszijn als gelijkwaardig partnerschap van twee geheel verschillende mensen, man en vrouw, Adam en Eva, met God als samenbrenger, die hen aan elkaar als partners geeft, na een hele wereld als kunstwerk gecreëerd te hebben. In het licht van het vredige begin van het al, van deze ‘ontologie van de vrede’, verschijnen geweld en machtsuitoefening, uitlopend op het imperium, nu ineens als verval, als ontsporing. In feite komt deze tekening van het menszijn dicht in de buurt van de antropologische definitie van economie die ik hierboven gegeven heb. Het imperium is in dit geschrift een antropologisch en dus ook economisch dieptepunt, geen hoogtepunt.

Het eigen verhaal van Israël is dan precies een verhaal van uittochten uit imperia, Abraham uit Mesopotamië, de ene imperiale regio in het Oude Oosten – eerste uittocht. Dan later, het hele volk Israël, verzeild in de andere imperiale regio, Egypte, waar men wordt onderdrukt, slavernij zelfs! Tweede uittocht.

En de God die deze uittochten uitlokt, verliest in de loop van het verhaal hoe langer hoe meer zijn ‘imperiale’ trekken en wordt een God die in plaats van geweld uit te oefenen, zich ophoudt in de stilte, berouw heeft over kwaad dat hij gedaan heeft, en zelf meer en meer gaat lijden en medelijden, het lijden van mensen gaat delen.

Het zijn nu ook niet meer koningen waarop de schijnwerper gericht is, maar het zijn de profeten die drager zijn van het ware Israël, als kritisch-begeleidende macht tegenover de koningen. In plaats van de eenheid van recht en macht in het imperium, ontwikkelt zich hier een structuur van een onderscheid tussen politieke en geestelijke macht – een onderscheid dat, via het christendom, met name in de westerse cultuur van zeer gewichtige betekenis zou worden.

In de christelijke verwerking van dit transformerende drama wordt heel deze nieuwe symboliek toegepast op Jezus van Nazaret, als degene die bewust het lijden op zich neemt, en tegenover het imperium een heel ander type koningschap representeert, dat afziet van macht en zich richt op het verenigen van mensen als ‘broers en zussen’ en ‘vrienden’ in plaats van als heren en slaven, onderdrukkers en onderdrukten. Het is bijna een persiflage, als het niet zo scherp, kritisch, ernstig én vreugdevol geformuleerd en geacteerd zou zijn. In deze radicale transformatie van de imperiale symboliek is een hoofdrol weggelegd voor één specifiek begrip, het Hebreeuwse ahava dat door de vertalers van de Tenach als een nieuw Grieks woord in de toenmalige wereldtaal is ingevoerd, agapè, liefde. In een ander geschrift, door christenen aangeduid als Nieuwe Testament, wordt God zelfs geïdentificeerd met liefde, God is liefde. De meest fundamentele, drijvende kracht in het universum is liefde. Wat is dan liefde/ agapè? Het kan omschreven worden als de concrete inzet van een actor voor de bloei van een andere actor, op weg naar gedeelde vreugde, waarbij bijzondere aandacht uitgaat naar actoren en situaties waarin die vreugde nog niet gerealiseerd is.

Deze vorm van liefde, agapè, geeft zich volop rekenschap van de moeilijke en donkere kanten van het bestaan – daarom liever ‘vreugde’ dan ‘geluk’, vreugde heeft een sterkere associatie van een ervaren heling, na of zelfs te midden van moeilijkheden. Ze beseft dat het leven zwaar en soms juist weinig vreugdevol kan zijn, dat er onderdrukking plaatsvindt, dat mensen het fysiek, psychisch en relationeel zwaar kunnen hebben. Ze is nauw verbonden met hoop, als het besef dat een andere toekomst mogelijk is en met geloof, het besef dat het goede al in de wereld aanwezig is (ook al heeft het vaak de schijn van het tegendeel) en dat we dus in ons handelen kunnen aansluiten bij wat zich al in de wereld, in en tussen mensen, afspeelt.

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.