Waar is het zwarte gal van de wedergeboren melancholicus?

Boekbespreking 'Joke J. Hermsen, Melancholie van de onrust, Stichting Maand van de filosofie, 2017'

Hoe komt het dat we tegenwoordig zo slecht om kunnen gaan met verlies? is de vraag van Joke Hermsen in haar essay voor de maand van de filosofie. Ze vraagt zich af of een belangrijke oorzaak niet zou kunnen zijn “dat we precies die middelen missen, die gevoelens van verlies kunnen omvormen tot de rijk geschakeerde stemming van de melancholie”. Ik vind de vraag goed, maar het antwoord bevredigt mij nog niet helemaal.

Mens worden en de samenleving menselijk houden betekent zowel voor Ernst Bloch als voor Hannah Arendt streven naar een wereld die dankzij goed onderwijs, bloeiende politieke debatten en een rijke veelzijdige cultuur gestalte kan krijgen. Behalve spreken en handelen, politieke debatten en evenredige politieke vertegenwoordiging, dragen ook kunst en cultuur bij aan de totstandkoming van deze gemeenschappelijke wereld.” Tja. Als je het niet zou weten, denk je dat je je door het stroperige proza van een verkiezingsprogramma aan het worstelen bent, maar het is toch echt een citaat uit het essay voor de maand van de filosofie, dat over melancholie gaat. Melancholie? Nu weet ik ook wel dat een boek over astronomie met inkt gedrukt wordt en niet met sterrenstof, evenmin als een boek over melancholie met zwarte gal gedrukt wordt – maar een bete bevindelijkheid was welkom geweest in het essay van Joke Hermsen, temeer daar ze melancholie opvat als een positieve gemoedstoestand (Depression is melancholy minus its charms). Daarvan had ze wel wat meer mogen delen. Wat zijn bijvoorbeeld de ‘rijke schakeringen’ van deze stemming?

Positief of negatief?

Want daar scheiden onze wegen al. Ik ben groot geworden in de gereformeerde zuil. De geëmancipeerde en zich emanciperende kleine luyden met hun hands-onmentaliteit konden zich een dergelijke stemming niet veroorloven. Melancholie als voedingsbodem voor het genie en het kunstenaarschap was iets voor ‘cultuurslampampers’, vond een 20e-eeuwse kerkvader. Hoeveel genie er ook in potentie was onder gereformeerde tomatenkwekers, slagersknechten, dienstboden, melkveehouders en kantoorklerken – men geve de duivel geen voet, door lethargie te cultiveren. Dat was het devies. Zei Luther al niet: Ubi melancholicum, ibi diabolum habet paratum balneum, (Waar de melancholicus verschijnt, heeft de duivel het bad reeds laten vollopen, AD), “Wo ein melancholischer und schwermütiger Kopf ist, der mit seinen eigenen und schweren Gedanken umgeht, und damit sich frisst, da hat der Teufel ein zugericht Bad.”

En was er driehonderd jaar later in datzelfde Duitsland van Luther niet een uitbraak van Weltschmerz, na het verschijnen van Goethes Het lijden van de jonge Werther, dat talloze zelfmoorden tot gevolg had? Goethe zelf wenste daarom dat hij het boek nooit geschreven had. Waarom zouden wij dan naar een gemoedstoestand verlangen die tot die grootschalige zelfmoord leidde? Was de lutherse filosoof Kierkegaard die de melancholie tot zijn trouwste minnares verklaarde, niet voor niets gemankeerd in de liefde?

Onduidelijk verlies

Men moet zichzelf geweld aandoen door in zwartgalligheid iets positiefs te zien. Zelfs dokter Freud (die Joke Hermsen citeert) zag melancholie als ziekte in zijn essay Rouw en melancholie. Hermsen: “Rouw staat in Freuds essay voor de gezonde wijze om met dood en verlies om te gaan, terwijl het begrip melancholie hier juist duidt op een verstoorde of depressieve verhouding. (..) Waar het verloren object bij rouw duidelijk en concreet is, weet de melancholicus niet goed wat hij of zij precies verloren heeft (..) Freud noemt ambivalente gevoelens ten aanzien van geliefde personen, met name de ouders, als een van de belangrijkste oorzaken van de ontwikkeling van pathologische melancholie.”

Via dit citaat komt Hermsen bij wat ik zie als de vraagstelling van haar essay: hoe komt het dat we zo slecht om kunnen gaan met verlies? “Heeft het met onze welvaart te maken, of met de inmiddels sterk geïndividualiseerde samenleving? Is er minder ruimte voor ambivalente gevoelens gekomen, omdat we ons de hele tijd gelukkig willen voelen? Of hebben we ons te veel afgewend van de middelen die vroeger in stelling werden gebracht om zowel onze verliezen als die van anderen helpen te verwerken, zoals aandacht, rust, gemeenschapszin, kunst en creativiteit? Van precies die middelen die gevoelens van verlies kunnen omvormen tot de rijk geschakeerde stemming van de melancholie?”

Hanna Arendt

In het hoofdstuk over Hannah Arendt definieert Hermsen melancholie als de grondstemming van de mens die voortkomt uit ons besef van tijd, vergankelijkheid en verlies. Melancholie ontstaat bij de overgang van kind naar volwassene. We realiseren ons dat we de onbevangenheid van het kind en de vanzelfsprekende eenheid met de wereld om ons heen achter ons hebben gelaten en dat we eindig zijn. In dat verlies van het kind, kunnen we wegzinken, en dat gevaar is reëel. De filosoof Kant sprak van een obsessie met de eigen dood, die een individualistische homo melancholicus creëert. Hannah Arendt wil die obsessie doorbreken. De overgang naar volwassene betekent namelijk niet alleen een afscheid maar ook een nieuw begin. Arendt noemt dat ‘nataliteit’. We worden als het ware wedergeboren in melancholie, en ontwikkelen een verlangen om de afstand die is ontstaan tot ons zelf en de wereld om ons heen te overbruggen. Van onze wereld thuis (oikos) gaan we over naar de wereld buiten, de wereld van de samenleving (polis). Onze eerste geboorte vertelt ons wat we zijn (ons geslacht, onze religie, ons ras, onze geaardheid) terwijl onze wedergeboorte ons laat zien wie we zijn: onze telkens veranderende identiteit door de relaties die we met anderen aangaan.

In het besef een nieuw begin te kunnen maken, liggen geloof en hoop besloten. Die belofte van een nieuw begin gloort bij de geboorte van elk kind: louter door geboren te worden, is er de mogelijkheid van verandering, van een tweede geboorte. Als we dat besef niet meer hebben, verdwijnt volgens Arendt de hoop. Dan klampen we ons vast aan onze eerste geboorte: aan onze religie, aan onze etniciteit, aan onze eigen identiteit, aan onze ‘wat-heid’. De troost bij melancholie schuilt in een prettig samenleven met anderen, onze ‘wie-heid’.

Bloch

‘Een wereldkaart waarop het land Utopia ontbreekt, is de moeite van het bekijken niet waard’ zei Oscar Wilde. Ernst Bloch citeert hem met instemming in Das Prinzip Hoffnung. “De belangrijkste functie van deze utopische hoop,” schrijft Hermsen “is dat zij ons in staat stelt, te bekritiseren wat er reeds is. We verzinken namelijk in melancholie en belanden op een dood spoor, zodra we dit vermogen verliezen (..) In een interview met de Duitse filosoof Adorno vertelt Bloch dat hij dit dode spoor zowel voor als achter de Berlijnse Muur heeft waargenomen (..) Het gevolg was dat beide machtsblokken steeds technocratischer en onmenselijker werden en niets wezenlijks aan de misstanden en het onrecht in de wereld konden veranderen.”

De mens is bij Bloch een melancholiek wezen. ‘Etwas fehlt’. Hij draagt de onvoltooidheid in zich en het niet thuis kunnen zijn. De mens is ten diepste een nomade die heimisch probeert te worden in zichzelf en bij anderen. Daartoe spoort de melancholie hem aan.

Evaluatie

In het begin deed ik wat onaardig over dit essay van Joke Hermsen, dat al met al heel boeiend is. De vraag is of melancholie een positieve stemming is. Ik blijf het zien als een kwaad dat ten goede gekeerd dient te worden. Freud ziet vooral de pathologische kant ervan en ook Arendt is niet positief. De kracht van melancholie moet immers worden overwonnen door een tegenkracht: het verlangen naar een nieuw begin. Ook Bloch wil in ondanks al zijn positieve woorden over melancholie, er niet in verzinken. Hij wil het zwaard van de melancholie omsmeden tot een ploegschaar van de hoop. En over dat Utopia dat niet op die wereldkaart mag ontbreken – ik zou dat het koninkrijk Gods willen noemen, al was het alleen al omdat ik geen afscheid kan nemen van de ‘wat-heid’ van mijn eerste geboorte. De christelijke religie is mijn oikos, waarin melancholie gewantrouwd wordt en met een utopisch verlangen de hand aan de ploeg geslagen wordt. Zonder al te veel barensweeën en bemiddeling van vroedvrouwen voel ik mij op dezelfde wijze thuis in de polis, waar tijd en aandacht voor elkaar (inderdaad meer dan medicatie) helpen om te gaan met verlies. Maar het blijft tobben. Dat is dan weer mijn privé melancholie-tje. En wanneer ik mij wentel in blues, word ik bekoord door het verloren paradijs, waarnaar de heimwee mij bevangt. Het verloren paradijs als metafoor voor onschuldige liefde of (zoals Robert Burton in 1621 reeds opperde in The Anatomy of Melancholy), God. Zo heel onduidelijk is het object van de melancholie nu ook weer niet.

Naar aanleiding van

Joke J. Hermsen, Melancholie van de onrust, Stichting Maand van de filosofie, 2017

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.