Vijftig jaar vrije liefde – Gouden jubileum of vijftig tinten grijs?

Illustratie, Vijftig jaar vrije liefde - Gouden jubileum of vijftig tinten grijs?

De vrije liefde van 1968 lijkt niet erg gelukt. Aart Deddens laat twee gedesillusioneerde schrijvers aan het woord, Mensje van Keulen en Michel Houellebecq, die allebei te kampen hebben met hechtingsproblemen ten gevolge van de vrije liefde. Daarna verkent hij aan de hand van Dooyeweerd en Miskotte opnieuw de christelijke traditie. Was het huwelijk echt zo’n slecht idee? En waar is de erotiek gebleven in het Nieuwe Testament, naast de welbekende rol van ‘agape’ als onbegrensde liefde en ‘philia’ als vriendschap? Is de krachtige en tegelijk beperkte Eros beperkt tot de relatie van twee mensen?

Eros is de Griekse krullenbol die pijlen afvuurt op het hart. Dit beeld is raak, omdat het letterlijk zo kan worden ervaren. Als mijn lief zich onbespied waant, en ik haar zomaar ineens waarneem, word ik getroffen. Veel is er niet voor nodig. Haar te zien fietsen is al genoeg voor een bijna-doodervaring (Eros en Thanatos staan in een nauwe en complexe relatie tot elkaar). Of haar te zien lezen. Al vallen er tienduizend aan haar rechterhand, ze leest gewoon door, eindeloos krulletjes draaiend in heur haar. Of haar te zien schilderen – de manier waarop ze twee stappen terugdoet van haar schildersezel, een oog dichtknijpt en met haar andere oog langs haar penseel het aan te vallen gebied markeert, twee stappen vooruit doet en met wilde bewegingen wat verf op het doek veegt, dan weer twee stappen terug, in een eindeloze reeks die dag en nacht duurt. Niemand schildert zo. Deze ervaring van geraakt worden is vooral lichamelijk en van ongekend hoge intensiteit. We noemen haar erotisch. De zintuiglijke waarneming die aan die ervaring ten grondslag ligt is mystiek. Ze is door van alles en nog wat gekleurd. Ik zie niet alleen die typische benen als ze fietst, maar ook de grappige motoriek, de hoogste Pyreneeën die dezelfde benen hebben beklommen; ik hoor de muziek van Santana waarop ze hebben gedanst; ik zie de tuinbroek waarin ze met me wilde trouwen; het zonnige aura dat haar overal vergezelt; haar stemming die ik kan afleiden uit de manier waarop ze de pedalen rond laat gaan. Ik zie dus veel meer dan andere waarnemers die naar hetzelfde schouwspel kijken. Uit duizend fietsers, boekenwurmen of kunstenaars zal ik haar direct herkennen en al die keren zal de pijl van Eros mij treffen. Eros is uitverkiezing. Voor haar ben ik de enige die zo naar haar kijkt. Daardoor worden anderen uitgesloten. Eros is ook bekenning en intimiteit. In haar onbevangenheid, bekent ze zich aan mij en in het beeld dat ik van haar heb, beken ik mij tot mijn lief. Ik geef mij daaraan over. Dit lijkt een preutse manier om het thema van de vrije liefde direct met vijgenbladeren te bedekken, en dat is het ook. Lyriek is het veilige middel waarmee het ik zich opent naar de wereld.

Seks

Echte openheid is niet handig. Maar als het dan toch moet, wil ik wel een paar kaarten op tafel leggen: getrouwd met mijn eerste liefde, geen lyricus of romanticus (al dacht u dat misschien net wel) en een matige wagenmenner van het ongelijke span van driften, emoties, wil en verstand. Op het moment dat ik die wagen in het spoor heb en net denk dat het lekker gaat, begint het gesjor weer. Wij zijn helemaal niet ons brein, wij zijn onze bijnierschors. In het Landal Green Parcs van het testosteron klinkt voortdurend het gebed van de jonge Augustinus: “Och Heer, geef mij kuisheid! Maar nu éééven niet!” Wat is vrije seks? In de dynamiek van het liefdesspel zelf zit iets wat niet vrij is. De bevrediging van de lust valt immers samen met de bevrijding van de drang. De climax betekent ook opluchting. Als de leeuw in mij gebruld heeft en zijn baard een cirkelbeweging heeft gemaakt als een dirigent die de laatste maat van het paringslied afsluit, word ik vaak ineens overmand door een calvinistisch verlangen om nuttige werken te verrichten. “Schat, zei je nou dat de was nog opgehangen moest worden?” Maar veel sneller dan Eros is dit verlangen naar nuttigheid weer vervuld.

Ik ben blij dat al dat gedoe zich afspeelt binnen de veilige beschutting van het huwelijk en dat ik het niet met andere partners hoef te delen, hoezeer ik het ook met Meindert Leerling eens ben, dat de Here God heel veel andere vrouwen dan mijn eigen vrouw heel mooi gemaakt heeft.

Kortom, schrijven over vrije liefde is voor mij als aapjes kijken.

Mensje van Keulen

De vrije liefde was niet voor iedereen een paradijs. Voor de schrijfster Mensje van Keulen bleek ze een desillusie. Om haar schrijversblock te boven te komen, hield ze op advies van haar literaire vrienden in de jaren zeventig een dagboek bij. Het werden 94 schriftjes. Deze dagboeken worden nu gepubliceerd. In het tweede deel van die dagboeken Neerslag van een huwelijk beschrijft ze onder meer dat haar man al jaren heimelijk een affaire heeft met een andere vrouw. Van Keulen voelt zich vernederd maar kan tegelijk niet zonder haar ‘wrede engel’. Ze wil zelfs een kind van hem. “Oké, zegt haar man, jij je kind, ik mijn vriendin.” In plaats van de tirannie te verdrijven die haar het hart doorwondt, maakt ze zich met haar kinderwens chantabel. In een interview in Trouw zegt ze daarover: “In die tijd van alles-moet-kunnen werd je ondergedompeld in de vrije moraal. Daar moest je in meegaan. Maar zo werkt het natuurlijk niet. Mensen worden nu eenmaal gekwetst. Niet alleen uit jaloezie, maar ook omdat het zo scheef is als de een meer van de ander houdt. Veel mensen deden destijds aan partnerruil, ze gingen van de een naar de ander. Dan denk je: ‘Het ligt aan mij, ik ben te streng, te trouw of niet modern genoeg’.” “De grote klap was het stiekeme, vooral omdat ik al een paar keer vermoedens had uitgesproken en hij steeds ontkende. Er ging daardoor zoveel stuk dat ik zelf inderdaad ook niet de trouwste bleef. Vooral na de abortus, beschreven in het dagboek, dacht ik: ‘Laat allemaal maar gaan, ik neem vannacht ook een ander mee’. Dat was soms best plezierig: het bood troost, vermaak en afleiding. Ik was nog jong, bevattelijk voor van alles wat erotisch was. Zeker, ik lag goed in de markt. Ik had er nog veel meer uit kunnen halen! Maar wat ik deed, beschouwde ik niet als ontrouw, want het was niet stiekem.” (Trouw, 20 maart 2018)

Michel Houellebecq

Is Mensje van Keulen door een partner het slachtoffer van vrije liefde, de Franse schrijver Michel Houellebecq was dat als kind. Hij werd in 1956 geboren als Michel Thomas. Omdat zijn ouders weinig interesse in hem toonden, woonde hij vanaf zijn zesde levensjaar bij zijn grootmoeder. Uit dankbaarheid voor haar opvoeding koos hij de achternaam van zijn grootmoeder als pseudoniem. Deze biografische gegevens heeft hij gethematiseerd in zijn roman Elementaire deeltjes (1998). Het is een kritiek op soixante-huitards (’68-ers) zoals de voorstanders van de vrije liefde heten in Frankrijk.

De roman gaat over twee Franse halfbroers, Bruno en Michel, die een gemeenschappelijke hippie-moeder hebben, maar niet van elkaars bestaan weten. Terwijl hun moeder in een leefgemeenschap in de Verenigde staten woont, worden zij, elk door hun grootmoeder van vaderskant, grootgebracht. Ze ontwikkelen zich als een soort Narziss en Goldmund, maar-dan-anders. Hun seksleven is van stonde aan gemankeerd. Bruno is bang, dik en oversekst. Al in zijn puberteit masturbeert hij in de trein, bezoekt prostituees, en na talloze andere escapades vergrijpt hij zich als leraar Frans aan een leerlinge.

Michel doet in zijn puberteit een negatieve ervaring op met zijn zestienjarige nichtje Brigitte. “Het was de zomer van 1967. Ze pakte hem bij zijn handen en zwaaide hem om zich heen; daarna laten ze zich vallen in het pasgemaaide gras. Hij vlijde zich tegen haar warme boezem; ze droeg een kort rokje. De volgende dag zaten ze onder de rode blaasjes, hun hele lichaam jeukte verschrikkelijk. Trombidium holosericum, ook wel oogstmijt genoemd, komt in de zomer zeer algemeen voor in de grasvelden. Hij heeft een doorsnee van twee millimeter… (etc.).”

Door deze ervaring gaat Michel verder als aseksueel door het leven. Hij is niet in staat om zijn jeugdliefde Annabelle, het mooiste meisje van de school, dat geduldig op hem wacht, aan zich te binden. “De basisaspecten van het seksuele gedrag mogen dan aangeboren zijn, de geschiedenis van de eerste levensjaren speelt niettemin een belangrijke rol in de mechanismen die het in werking stellen. Vroeg lijfelijk contact lijkt van vitaal belang bij de hond, de rat, de cavia en het resusaapje (Macaca mulatta). Wanneer er tijdens de kindertijd geen contact met de moeder is, ontstaan er ernstige verstoringen van het seksuele gedrag bij het mannetje, met name remming van het hofmakingsgedrag. Al zou zijn leven ervan afhangen (en in zekere zin hing het er inderdaad van af) zou Michel niet in staat zijn Annabelle te kussen.”

Enkele jaren later wordt Annabelle in een soort summer of love ontmaagd door een willekeurige deelnemer aan de vakantie. Michel is erbij en laat het gebeuren. Hij is machteloos en voelt zich van de wereld gescheiden. Het hoofdstuk heeft als motto “Hun daden zijn niet gericht op bekering tot hun God, want de geest der hoererij is in hun midden en zij kennen hun Heer niet.” Dat is een citaat uit Hosea, het profetenboek van de gefrustreerde Minnaar, dat de tegenhanger vormt van Hooglied.

Michel wijdt zich vervolgens aan de wetenschap. Hij wordt een succesvol microbioloog. Op grond van zijn onderzoeken kunnen mensen uiteindelijk gekloond worden. En dan komt de clou: de alwetende verteller is zelf een kloon. Hij schrijft het verhaal aan het eind van de 21e eeuw, met dezelfde wetenschappelijke afstand (vandaar al die biologische uitweidingen) als die tot de wetenschappelijke revolutie van het klonen hebben geleid. De 21e eeuw betekent het einde van de voortplanting, het einde van de seks, het einde van ziekte en dood, en het allerbelangrijkste: het einde van de individualisering. Het is de ultieme wraak van Houellebecq op de Meirevolutie.

Een van de vele paradoxen in het boek draait om de intensivering van genot. Een seksuele partner is slechts een instrument om het eigen genot te optimaliseren. De ontaarde Bruno is zijn hele leven naar dergelijke partners op zoek, maar zijn verlangen wordt nooit echt vervuld. Uiteindelijk is zijn halfbroer Michel indirect verantwoordelijk voor de ‘wetenschappelijke’ oplossing van Bruno’s ‘probleem’. De alwetende verteller, die dus deel uitmaakt van de nieuwe wereld laat in een terugblik op de menselijke geschiedenis weten: “Het einde van de seksualiteit als voortplanting betekent echter niet het einde van seksueel genot. Integendeel. De coderende sequenties die tijdens de embryogenese verantwoordelijk waren voor de Krauselichaampjes waren recentelijk geïdentificeerd; in de huidige toestand van de menselijke soort waren die lichaampjes karig verspreid over het oppervlak van de clitoris en de eikel. Er was niets wat ons belette ze in een toekomstige toestand over het gehele huidoppervlak aan te brengen – wat binnen het genotssysteem, voor haast ongelofelijke erotische gewaarwordingen zou zorgen.”

Deze overdrijving ad absurdum maakt duidelijk dat de wetenschap voor een technisch probleem hoogstens met een technische oplossing kan komen. Een oplossing die weer voor nieuwe problemen zorgt: nivellering. Zo kan deze nieuwe wereld onmogelijk voldoen aan wat microbioloog Michel voor ogen had. In zijn Beschouwingen over de verstrengeling had hij beschreven, hoe de leegte die de mens ervaart kan worden gevuld: “De minnaar hoort de roep van zijn van zijn geliefde over oceanen en bergen, over bergen en oceanen hoort de moeder de roep van haar kind. De liefde bindt, en bindt voor eeuwig. De naleving van het goede is een binding, de naleving van het kwaad ontbinding.”

Miskotte

Tijd voor de eigen traditie. De gereformeerde filosoof Herman Dooyeweerd zei ooit: seks en voortplanting zijn twee verschillende dingen. Een revolutionair standpunt, ver voor de uitvinding van de pil en de centrale verwarming. Zijn formulering was alleen iets ingewikkelder. Tijdens de Tweede Wereldoorlog lanceerde hij in de Correspondentiebladen, de voorganger van Soφie, elf stellingen over het huwelijk. Zie het kader. De hervormde theoloog K.H. Miskotte schreef in 1956 zijn beroemd geworden Als de goden zwijgen; over de zin van het Oude Testament. Hij doet daarin de suggestie om het Nieuwe en Oude Testament over elkaar heen te leggen. Dan ontstaat er in de balans enerzijds een tekort van het Oude Testament (het Nieuwe Testament heeft meerwaarde) en een tegoed van het Oude Testament: een niet vervuld deel, een tegoed dat nog openstaat. Onder dat tegoed van het Oude Testament rekent hij de erotiek. Ten aanzien van dit punt komt het Hooglied uitgebreid ter sprake.

Dat erotiek in het Nieuwe Testament niet aan de orde komt, betekent niet dat ze er niet is. “Het Nieuwe Testament is in wezen niet ascetisch, omdat het israëlitisch blijft denken ook na de vervulling; het onderstelt de orde en de waarde van huwelijk en gezin; het onderstelt daarmee ook de eros; want zonder bijzondere ophef was bij Israël de huwelijksliefde uiteraard een deel der goede gaven van deze aarde.” (208)

De relatie tussen ethiek en erotiek ziet Miskotte anders dan Dooyeweerd. “Het Lied-der-liederen viert de liefde als een amoreel en bovenmoreel gebeuren, het hangt vol geur en lente en voorgevoel en belofte; het is zinnelijk in de argeloze en volmaakte zin van ‘Duizend en één Nacht’.” (211) Vervolgens citeert hij Hooglied 8 en besluit: “Daarin is voor een bijkomende moraal, een lofzegging op de aparte deugd der trouw geen plaats.” Om deze woorden van Miskotte te begrijpen, probeer ik hem te parafraseren. De erotiek kent een eigen dynamiek. Ze heeft een eigen grond of oorzaak. Die oorzaak ligt buiten de rede en buiten de moraal. Het is onstuitbare begeerte die je niet kunt rationaliseren. ‘Jakob heb ik liefgehad. Niet omdat hij een goed mens was, of beter dan Ezau. Gewoon. Daarom.

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.