Unter den Talaren Muff von tausend Jahren

Illustratie, Unter den Talaren Muff von tausend Jahren

Redactielid Hans Ester put uit de eigen ervaring van de Meirevolutie. Hij was deel van de ‘reuring’ in Amsterdam en Tübingen, zat in de collegebank bij Hans Küng en bij Ernst Bloch, die als marxist het geweld veroordeelde. Hij beet zich vast in de lastige Adorno, voor wie de revolutie zijn dood werd.

Een Talar is een toga, de ambtskleding van geestelijken en hoogleraren. Muff is een aanduiding voor bedorven lucht, muffigheid, geur van vochtige kelders. De spreuk over de toga’s en de bedorven lucht was een van de gemakkelijkst reproduceerbare slogans van de 68’er-beweging onder de studenten in Parijs, Berlijn, het Californische San Diego, en in Amsterdam. Meer nog dan felle kritiek was de spreuk een verdoemend oordeel over het toenmalige, verschaalde onderwijs dat de arrogante professoren aan de universiteiten te bieden hadden en dat al lang over de houdbaarheidsdatum heen was, ja, waarvan de inhoud bedorven was en nodig in de afvalbak moest belanden. Samengevat ging het binnen de studentenprotesten om twee onderwerpen: de in de ogen van de actievoerders volkomen verouderde inhoud van het academisch onderwijs, en de hiërarchische structuur van de onderwijsorganisatie. De hoogleraar was almachtig, de docenten waren brave jaknikkers en de studenten onmondige, met kennis volgepropte consumenten. De acties tegen de gevestigde academische orde begonnen in mei 1969 aan de Katholieke Hogeschool in Tilburg, die voor de gelegenheid in ‘Karl Marx Universiteit’ werd omgedoopt en daarmee een veel te grote broek kreeg aangetrokken.

Verbeelding aan de macht

Achteraf bezien is de spreuk ‘De verbeelding aan de macht’ een variant op het rijmpje over toga’s en bedorven lucht. In plaats van de heersende academische klasse moest een geest van vitale vernieuwing de leiding krijgen. Het doodsaaie onderwijs dat nog uit de middeleeuwen dateerde, moest plaatsmaken voor de vrije geest, de fantasie en de dynamiek van het creatieve denken. Herbert Marcuse, de oude rot van de Frankfurter Schule, wist met zijn boeken als One-dimensional man (1964) en het eerder verschenen Eros and civilization (1955) de studenten in beweging te krijgen. Wat hield deze tamelijk late inspiratie in? Waarom werd er niet al in 1955 actie gevoerd? Werd Marcuse kritisch gelezen en intellectueel verwerkt of waren het eerder gemakkelijk hanteerbare, kort en bondig geformuleerde waarheden, zoals de titel over de eendimensionale mens, die onder de studenten over en weer bevestiging vonden? Marcuse heeft zich zelf ook verbaasd over het feit dat hij als oudgediende in feite uit de mottenballen werd gehaald en tot boegbeeld van het studentenprotest werd verkozen.

Bakfiets

In Amsterdam was het Maagdenhuis op het Spui het epicentrum van de beweging. Ooit een rooms-katholiek weeshuis voor meisjes, later het hoofdkantoor van de Nationale Handelsbank, de voorloper van de ABN, was het in 1968 de zetel van het presidium van de Universiteit van Amsterdam. Daar had jurist professor Belinfante als rector-magnificus zijn kantoor. Op de eerste verdieping van het Maagdenhuis bevond zich het Duits Seminarium. De bezetting van het Maagdenhuis in mei 1969 door actievoerende studenten leidde tot verlamming van het bestuur en tot verhuizing van het Duits Seminarium naar een pand aan de Herengracht waar vroeger een naaimachinehandel in gevestigd was. En de bezetting had verval van het gebouw tot gevolg, plundering van de archieven en een enorme rotzooi. Wie in Amsterdam actievoert, heeft meteen allerlei schorriemorrie achter zich aan. In de grote hal van het Maagdenhuis doken diverse vervoermiddelen op, zelfs een bakfiets reed rondjes. Als pension fungeerde het ook prima. Het was weer Amsterdam ten voeten uit.

Geschiedenis van de wijsbegeerte

De geëiste verbeelding aan de macht vertaalde zich in Amsterdam in een overlegstructuur waarbij de studenten invloed kregen op het beleid van de verschillende geledingen van de universiteit. Tevens werd het studieprogramma tegen het licht gehouden. Tijdens bezinningsweekends van de opleiding Duitse taal- en letterkunde in het Maarten-Maartenshuis in Doorn kon iedereen zijn zegje doen. Een belangrijke vernieuwing van het studieprogramma was de invoering van het vak ‘Geschiedenis van de wijsbegeerte’, te geven door de heer Leo Fretz. Dat was uiterst bruikbaar en meer dan nodig. Letterenstudenten waren in die jaren qua taalbeheersing (van het Frans bijvoorbeeld) voorbeeldig opgeleid. Ook de uiterlijke feiten van cultuurhistorische en letterkundige aard kenden de studenten op hun duimpje. De anglisten en germanisten moesten zelfs de Bijbel in het gotisch kunnen lezen. Maar de wijsgerige reflectie ontbrak. Het verschil tussen subject en object was bekend vanuit de grammatica maar niet vanuit de idealistische wijsbegeerte van Fichte, Schelling en Hegel. Met het accent op de zogeheten ‘werk-immanente’ benadering waren interpretaties van de literatuur van sociologische, psychologische en filosofische aard geblokkeerd. De actievoerende studenten zagen dat helder in en vulden dit hiaat binnen de letterenstudies, zij het op een zeer selectieve manier. De actievoerders sloegen Descartes, Kant, Hegel en Bergson het liefst over. Voor hen begon het denken met Marx, Engels en mogelijk ook Freud. Het dialectisch materialisme en de psychoanalyse gaven vanaf 1968 gezamenlijk de marsroute aan. Marcuse was de nieuwe profeet. Adorno stond ook aan de goede kant, maar was ijselijk lastig om te lezen. Het is overigens de vraag of van het werk van Marx en Engels serieus studie werd gemaakt.

Naar het buitenland

Het gebrek aan kennis van de filosofie was echter niet in een handomdraai verholpen. Wie vanuit Nederland in het buitenland ging studeren, ervoer de confrontatie met het denkniveau in den vreemde als een koude douche. De schrijver van deze regels trok in 1971 vanuit Amsterdam, waar hij Duits studeerde aan de gemeentelijke universiteit, naar Tübingen in de deelstaat Baden-Württemberg. Tübingen was het mekka van de theologie. Ook de germanisten mochten er zijn.

Hier liep ik tegen een persoonlijk vraagstuk aan, dat mij tevens naar inzicht in de grote kloof tussen theorie en praktijk leidde. Het begon met een college over literatuurgeschiedschrijving. Een van de teksten die op het programma stonden was Erkenntnis und Interesse door Jürgen Habermas. Het was zaak om met het jargon vertrouwd te raken: iedere kennis is gekoppeld aan een ‘erkenntnisleitendes Interesse’. Hoe kon ik dit toepassen op de inzichten in ruimte en tijd die in de analyses in Amsterdam in het middelpunt stonden? Het is toch te gek om te beweren dat iedere kennis aan de schaduw van de ‘Erkennende’ is gebonden en dat het maximaal haalbare het zichtbaar maken van die schaduw is! Toch begon het op den duur wel prettig te voelen dat je toegang had gekregen tot zo’n denker als Habermas. Schoorvoetend werd Theodor Adorno benaderd. Zijn boek over het jargon van de ‘Eigentlichkeit’ was nuttig. Dat woord ‘eigenlijk’ zou ik sindsdien niet meer gebruiken. Het was inmiddels duidelijk dat de gemoedelijke sfeer van Amsterdam hier in Tübingen ver te zoeken was. De kennismaking met de uiterst correct geklede en stijf overkomende, maar in werkelijkheid bijzonder vriendelijke en behulpzame prof. Heiko Oberman was een weldaad, en herinnerde aan de veel menselijker sfeer aan de universiteit in Nederland in vergelijking met het nogal arrogante Tübingen. In Amsterdam werd gebrek aan kennis als aanleiding tot verbetering gezien, hier in Tübingen was minachting je deel, wanneer je het verschil tussen ‘Verfremdung’ en het hegeliaanse begrip ‘Entfremdung’ niet kende. Het denken in hiërarchische verschillen hoorde in Tübingen bij het academische leven. De veelgeroemde theoloog Eberhard Jüngel was representatief voor de ongenaakbaarheid van de verheven wetenschapper. Des te meer viel de menselijkheid van diens collega Jürgen Moltmann op. Naast de scherpe onderscheiding van geprezen of geminacht te worden op grond van academisch denkvermogen diende zich nog een andere kant van Tübingen aan.

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.