Tiemen Zeldenrust: Ik draag graag alle verantwoordelijkheid, alleen als ik alle vrijheid heb

Tiemen Zeldenrust

Het leven van Tiemen Zeldenrust (1970) begon toen hij op kamers ging. Pas toen hij de vrijheid kreeg, wist hij wat hij moest doen. Zijn eerste autorit nadat hij zijn rijbewijs had gehaald, was de beste rit ooit, beter dan alle lessen en het examen ervoor, want nu zat hij alleen in de auto. Zeven jaar geleden werd hij directeur van Present Nederland, want hij wist dat de boel kon worden geconsolideerd, als hij het voor het zeggen zou hebben. Nu begint hij met zijn vrouw Anita een gezinshuis. Maar wel zelfstandig. Los van andere zorgaanbieders. Eén op één met de gemeente, de financier. “Als ik naar de pijpen van anderen moet dansen, komt er niks van terecht. Voor mij is het kenmerk van verantwoordelijkheid, dat je vrijheid hebt.”

De ene midlifecrisis is de andere niet. Nu zijn vier kinderen (de jongste is vijftien) bijna de deur uit zijn, haalt hij ze weer in huis. Samen met zijn vrouw Anita begint hij in januari met een gezinshuis, waarin vier tot vijf pleegkinderen worden opgevangen. Anita is gedragsdeskundige, geregistreerd, werkzaam als intern begeleider in het basisonderwijs. Volgens Tiemen is Anita van het type dat helemaal opleeft wanneer een opgefokte jongere een stanleymes voor haar gezicht houdt. Ik ken dat type niet, maar ik zou er onmiddellijk een gezinshuis mee durven beginnen.

Tiemen heeft net zijn huis verkocht om de woonboerderij voor het nieuwe gezin te kunnen betalen. Om een goede prijs te kunnen pakken, kreeg hij het advies van de makelaar om de boeken (en andere rommel) uit de woonkamer te halen. Daardoor valt op dat in dit vrome gezin niet de Bijbel op de boekenplank ligt, maar Uitspraken van Johan Cruyff. “Van mijn zoon,” verontschuldigt Tiemen zich. “Hij heeft denk ik dezelfde handicap als ik. Hij leest meditatief. Kleine stukjes en dan lang mijmeren. Als hij een uitspraak van Cruyff heeft gelezen, loopt hij direct naar zijn whiteboard om het gelezene toe te passen.”

Voor iemand die meditatief leest, heeft Tiemen zelf niet de meest handige inspiratiebronnen gekozen. Hij leest graag Bram van de Beek (de theoloog die zulke enorm dikke boeken schrijft), Henri Nouwen (dat gaat nog), de filosoof Dooyeweerd (niet te doen) en Govert Buijs (die past eigenlijk, net als de anderen, niet in dit rijtje). “Bram van de Beek treft mij keer op keer. Een eigenzinnig denker die allerlei dogma’s onderuit haalt, maar toch telkens weer superorthodox blijkt. Hij begon als predikant in Lexmond en ondervond tegenslag op tegenslag. In twee jaar moest hij meer dan twintig begrafenissen leiden. Ziekte, tragische ongelukken, jonge mensen. Een moeder van één van de overleden kinderen sprak hem aan voordat hij de begrafenis zou leiden: ‘Eén ding: je gaat niet zeggen dat het God uit de hand loopt.’ Wonderlijk. Hoe hij daar zelf door stilgezet is en hoe hij die strijd meegenomen heeft in de ontwikkeling van zijn theologie over het lijden. Over dergelijke stukjes tekst denk ik graag wat langer na.”

Jeugd

“Mijn vader was 49 toen hij mij kreeg, mijn moeder 45. Ik ben in Zwolle geboren. Voor die tijd had mijn vader een stukadoorsbedrijf in Zuid-Afrika, het land waar hij als emigrant tien jaar woonde. Hij was denk ik een goede werkgever; een ongelooflijk zachtmoedige en lieve man, maar hij was tegelijk aartsconservatief. Voor hem was een ultra-gereformeerd blad als Reformanda eigenlijk nog te lauw. Hij steunde de apartheidspolitiek. Dat kan helaas ook met gebruik van Dooyeweerds gedachtengoed. Mij intrigeert nog altijd hoe het christendom zoiets kan voortbrengen.

Mijn moeder kwam uit Duitsland, Graafschap Bentheim, vlak onder Coevorden. Ze was lid van de Alt Reformierte Kirche, een classis van dertien kerken die toen bij de gereformeerde kerken in Nederland hoorde en nu nog altijd een samenwerking heeft met de PKN. Nederlandse predikanten gingen in het Duits en geregeld zelfs in het Nederlands voor. Haar broers, mijn ooms, werden in de Tweede Wereldoorlog allemaal opgeroepen voor de Duitse Wehrmacht. Een was gelegerd in Noorwegen, een andere oom lag hier vlakbij, in Hoogland, als zeventienjarige jongen, mijn opa in Rusland, terwijl ze allemaal fel antinazistisch waren. Ze hadden echter geen andere keus dan de overheid te gehoorzamen. Het rare was dat dus een Nederlandse predikant vanuit Duitsland pastoraat verleende aan mijn oom die het vaderland van die predikant bezet hield. Tijdens de bevrijding van Nederland door de Canadezen trapte mijn oom op een mijn en is daardoor blind geworden. Een andere oom, die aanvankelijk was vrijgesteld van het leger in verband met zijn verstandelijke beperking werd aan het eind van de oorlog toch opgeroepen. Het leger kwam veel mankracht tekort. Zelfs veertien-, vijftienjarige jongens moesten dienen. Binnen een week was hij gesneuveld tijdens een bombardement op Berlijn. De familie van mijn moeders kant is dus slachtoffer van een regime waar ze altijd tegen waren, met alle knopen in de ziel die daarvan het gevolg waren. Die waanzin van de oorlog heb ik meegekregen en heeft me van jongs af aan gefascineerd. Daardoor had ik een grotere gevoeligheid voor het feit dat het Duitse volk zelf slachtoffer was, als het over de Tweede Wereldoorlog ging. Die gevoeligheid was gelukkig ook maatschappelijk merkbaar. Hoewel er altijd een anti-Duits sentiment in Nederland is gebleven (“Gib mir mein Fahrrad zurück!”) heb ik juist vooral de tekenen van verzoening (Wiedergutmachung) opgepikt, en die waren er, zoals ik heb begrepen, na de oorlog heel snel, denk alleen maar aan economische samenwerking. Na de oorlog heeft mijn moeder resoluut de Nederlandse nationaliteit aangenomen. Ze heette Borgmann en kocht de laatste n van haar achternaam eraf. Toch bleef haar Duitse achtergrond wel algemeen bekend. Ik heb mezelf om die reden overigens nooit bijzonder gevoeld. Voor zover ik me bijzonder voelde ten opzichte van mijn vriendjes, was dat omdat ik ‘bejaarde’ ouders had. Ik ben maar één keer in mijn leven hierover gepest, toen ik een jaar of twaalf was. ‘Je moeder is een mof!’ zei iemand. Dat trof mij. Ik schrok ervan, want het voelde echt aan als discriminatie en dat was een nieuwe ervaring.”

Armoede maakt dom

“Aan het eind van de basisschool bleek uit de Cito toets en het schooladvies dat ik gemakkelijk vwo zou kunnen doen. Ik kon goed leren en had een onbekommerde lagereschooltijd. Ik straalde en bloeide. Toen ging het bergafwaarts met het bouwbedrijf van mijn vader. Factoren waren de economische neergang en de barre winter van 1979. Mijn vader kreeg geen opdrachten meer. De schulden liepen hoog op, mede door een crisis op de huizenmarkt. De grote woonboerderij bij Ommen moesten we opgeven. Ik had er net een paar maanden opzitten in de brugklas in Zwolle. We verhuisden richting ‘de Randstad’, diverse keren tot we op een flatje in Amersfoort eindigden. Ik herinner me dat we in Huizen, in ‘t Gooi, woonden en dat er twee grote mannen aan de deur kwamen om ons van het gas af te sluiten. We hadden geen geld, maar ik had wel een duur treinabonnement om naar de gereformeerde brugklas in Amersfoort te kunnen. Dat werkte niet. Ik haalde allemaal onvoldoendes. Aan het eind het jaar werd ik bij de conrector geroepen. Het was tien minuten stil, terwijl hij door de kamer ijsbeerde. ‘Hoe kan dit nou?’ Hij zei het als een verwijt en was boos. Zo vatte ik het op. Ik klapte dicht. Maar het was wel een goede vraag. Ik snapte er zelf ook niks van. Ik had toch gymnasiumniveau? Nooit heeft iemand me bij de hand genomen of begeleiding aangeboden. Ik kreeg alleen een eindafrekening gepresenteerd: ongeschikt.

Onlangs las ik dat armoede dom maakt. Letterlijk. Je IQ gaat naar beneden. Je wereld wordt steeds kleiner, je neemt verkeerde beslissingen, het gaat van kwaad tot erger. Je kijkt niet meer goed, je handelt niet meer goed en je denkt niet meer goed. In retrospectief zie ik het ook bij mijn vader. Hij veranderde van een ondernemer in een kluizenaar. Met een borreltje op tafel, je kent het wel, schreef hij tot diep in de nacht stellige ingezonden brieven met stijl conservatieve standpunten naar de krant, die nog werden geplaatst ook. Mijn ouders hebben door hun eigen faalervaring met het bedrijf en al hun zorgen daarna ook weinig kunnen betekenen voor mij in mijn puberteit, al waren ze wel erg zorgzaam. Maar hun droom lag in duigen. Ik zie nog voor me hoe ik mijn vader vlak voor zijn overlijden over de gang van het ziekenhuis reed in zijn rolstoel, en hoe hij me aanwees: ‘Kijk! Daar is de paardenstal!’ Hij leefde nog altijd in de wereld die al bijna twintig jaar niet meer bestond.

Toch heb ik van die periode ook iets geleerd. Hun eigen zorgen hebben mijn ouders altijd bij ons als kinderen weg kunnen houden. We hadden weinig, maar ik leerde daarmee leven. Terwijl mijn vrienden dure stereotorens kochten, was ik volmaakt gelukkig met het mono-geluid van mijn cassetterecordertje waarmee ik de top-40 opnam. Ik geef niet om luxe, nog altijd niet. Dat scheelt een boel tijd. En geld. Na de brugklas ging ik naar de mavo. Ik bleef een paar keer zitten. Ging van ellende maar leao doen. Mijn middelbareschooltijd werd een martelgang. Toen ik al wat ouder was nam een vriend mij bij de hand. We gingen naar de meao. Ik zakte voor het examen en vroeg toen maar vervroegde militaire dienst aan. In diensttijd heb ik wat schade ingehaald via het LOI. Ten slotte ging ik personeel en arbeid studeren aan de sociale academie. Dat veranderde mijn leven totaal.”

Sociale academie

“Ik was na bijna twintig jaar een eenzame, in zichzelf gekeerde jongen geworden. Doordat ik zelfstandig ging wonen bloeide ik op. Zo voelde het. Ik ben geen laatbloeier, maar een opbloeier. Ik werd weer dat stralende, optimistische jongetje van twaalf die naar het gymnasium zou gaan. De vrijheid die ik ineens genoot, leerde mij van alles op te pakken en verantwoordelijkheid te dragen. Je moet je eigen maaltijden koken, je wasje draaien, jezelf wekken en naar school gaan. Door de vrijheid gooide ik alle schroom van me af. Het idee dat mensen naar je kijken en je beoordelen wierp ik van me . Ik merkte dat bijvoorbeeld toen ik mijn rijbewijs haalde. Ik heb heel veel rijlessen nodig gehad, heel veel, maar ik toen voor het eerst alleen in de auto zat ging het perfect. Op school absorbeerde ik alles. Never a dull moment. Ik had het gevoel dat ik heel veel moest inhalen en dat het ook kon. Ik zoog kennis in me op, ik wilde groeien als persoon, werd twee jaar voorzitter van de studentenvereniging – kortom, ik pakte alles aan om mezelf te ontwikkelen. Ik werd gegrepen door de colleges filosofie van Ieke Haarsma en ontwikkelde een passie voor denken, voor reflectie. Ik combineerde de praktijk met wat ik op school leerde. Aan mijn scriptiebegeleider vroeg ik: mag ik ook casussen inbrengen uit de praktijk van de studentenvereniging? Als je het maar in organisatieperspectief kunt zetten, was het antwoord. Daarom heb ik bijvoorbeeld een hoofdstuk over de filosofie van de ontgroeningspraktijk geschreven. Ik kon niet meer stoppen. We trouwden toen ik 24 was. Ik wilde verder en ging personeelswetenschappen studeren aan de universiteit van Tilburg. Maar dat bleek niet handig in combinatie met een startend gezin. ‘Hey man. Get a job!’ riep ik mezelf toen tot de orde.“

Carrière

“Mijn eerste banen had ik in de olie- en gaswereld. Ik begon bij Nedlloyd in Rotterdam en kwam later in Den Helder terecht, in de off-shorewereld. Dat is een harde wereld. Alles draait om efficiency, maar onder die vlag worden onderaannemers uitgeknepen door de grote bedrijven. Ik ben daar gevoelig voor, en vond het steeds moeilijker om mensen te detacheren. Ik kom het nu weer tegen in de zorgwereld bij de plannenmakerij voor een gezinshuis. Als onderaannemer zou ik nooit tot bloei kunnen komen.

In Alkmaar heb ik gewerkt als intercedent voor een uitzendbureau. Bemiddelen tussen bedrijven en werkzoekenden. Wat ik het mooiste vond, en daar heb ik nu woorden voor, door de filosofie van Govert Buijs, is het idee van agape: mensen tot bloei laten komen. Dat was mijn insteek. Maar het bedrijf ging het om plaatsingen. Om scores. Ik herinner me een jongen die net 18 was. Hij had een verslavingsverleden, kwam uit de jeugddetentie, was dus vrij kansloos. Toen kreeg ik de bedrijfsleider van een bandengarage aan de lijn die een magazijnmedewerker zocht. Ik zei toen niet: nou, da’s mooi, ik heb de allerbeste kandidaat voor je, maar, zus en zo, deze jongen zou er heel erg mee geholpen zijn. ‘Laat maar komen,’ zei de garagehouder, zo’n Noord-Hollandse ruwe bolster, blanke pit. Dat ging heel goed, en was voor mij de mooiste ‘plaatsing’ in mijn periode daar.

Ik was toe aan een volgende stap en vond die bij Syntens, een innovatiecentrum voor het midden- en kleinbedrijf, tegenwoordig onderdeel van de Kamer van Koophandel. Het idee erachter was: kleine en middelgrote bedrijven hebben niet genoeg mensen apart gezet om te innoveren. Daartoe moeten ondernemingen dus gestimuleerd worden. Mijn rol was adviseur voor de industriële sector en de wereld van nieuwe media op hrm-gebied: hoe ga je met ondernemers die technologisch goed zijn (en op dat gebied ook best kunnen innoveren) en met ondernemers die commercieel goed zijn en nieuwe markten kunnen aanboren een innovatieve organisatie opzetten? Hoe zorg je voor een cultuur en een structuur waarin dat kan?

Ik vond dat heel erg leuk, omdat ik het samen deed met collega’s die nadachten. Adviseurs die geen genoegen namen met voor de hand liggende antwoorden. Daar had ik een klik mee. Vaak kwamen we uit op de vraag: wat is eigenlijk innovatie? Zoals ook in Sophie de vraag terugkeert: wat is eigenlijk christelijke filosofie?”

Stichting Present in Den Helder

“Intussen had ik mijn interesse voor filosofie de vrije loop gelaten door de Zomerschool van de Stichting voor – toen nog – Reformatorische Wijsbegeerte te bezoeken. Ik werd actief in de plaatselijke politiek en kwam ook in de kerkenraad. Het was de tijd waarin de Wet maatschappelijke ondersteuning opkwam. Ik was bezig na te denken over de relevantie van de kerk voor de samenleving. Wat mij raakte was dat in Den Helder veel mensen onder de armoedegrens bleken te leven terwijl wij daar als kerk totaal geen verbinding mee hadden. Daar wilde ik wat aan doen. Met een groepje initiatiefnemers belegden we conferenties voor de kerken in Den Helder over barmhartigheid en wilden daarmee de bereidheid van mensen stimuleren. Die verliepen succesvol. Toen moesten we ergens beginnen. Maar hoe? Moesten we nu een complete vrijwilligersorganisatie optuigen? Precies op dat moment maakten we kennis met de formule van Present. Dat bleek de gouden oplossing. Het concept werkte in Zwolle. Het was uitgeschreven en we konden dat concept overnemen in Den Helder. Bovendien kregen we begeleiding uit Zwolle. In Den Helder werkten alle partijen mee. De Woningbouwcorporatie werkte mee en deed een flinke donatie, de gemeente deed mee, de maatschappelijke organisaties, Present Nederland. We hadden geen geldzorgen en konden aan de slag met een eigen, bezoldigde Present-coördinator.”

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.