Taalgevoeligheden

Taaluitingen kunnen naast hun expliciete en bedoelde betekenis een impliciete, onbedoelde betekenis hebben die minstens even veelzeggend is. Jan Hoogland analyseert twee actuele uitingen: ‘fatsoenlijk rechts’ en ‘de linkse kerk’. Hij concludeert dat de tegenstelling tussen links en rechts nog lang niet is achterhaald, maar wel sterk is veranderd.

 

De uitdrukking ‘fatsoenlijk rechts’ kwam ik regelmatig tegen in het nieuws rond de ‘ineenstorting’ van Forum voor Democratie. Het verhaal over die ineenstorting zal ik u besparen, want dat is u vast niet ontgaan. Maar de aanduiding ‘fatsoenlijk rechts’ was in de verslagen prominent aanwezig. FvD en zijn leider Thierry Baudet werden door veel sympathisanten ervaren als een ‘fatsoenlijk alternatief op recht’. De bedoelde betekenis is natuurlijk dat er voor rechtse stemmers niet veel te kiezen valt. Voor deze kiezers is de VVD immers een linkse partij geworden, die de grenzen van Nederland wagenwijd openzet voor een islamitische invasie en bovendien het klimaatakkoord heeft ondertekend. Als je onder die omstandigheden een rechtse stem wilde uitbrengen kon je eerst maar één kant op: de PVV van Wilders. Maar op die partij kon je voor je fatsoen eigenlijk niet goed stemmen. Totdat Thierry op het toneel verscheen en voor deze mensen met een alternatief kwam: rechts voor nette mensen, ofwel ‘fatsoenlijk rechts’.

Maar nu de impliciete, onbedoelde betekenis van deze uiting. Want met het woord ‘fatsoenlijk’ wordt blijkbaar iets gezegd over het woord ‘rechts’ wat in dat laatste niet vanzelfsprekend vertegenwoordigd is. Rechts is van zichzelf blijkbaar niet fatsoenlijk. Als je rechts bent moet je blijkbaar nog iets extra’s doen om ook fatsoenlijk te zijn. De onbedoelde boodschap van deze taaluiting lijkt een soort ‘kwaad geweten’ te zijn: rechts zijn is op zichzelf niet zo fatsoenlijk. Het heeft een soort van sausje nodig om in de smaak te kunnen vallen: het onberispelijke pak en de intellectuele retoriek van iemand als Baudet.

Veluws

Ik moet bij een uitdrukking als ‘fatsoenlijk rechts’ denken aan een kort zinnetje dat je las als je de bebouwde kom van Barneveld binnenreed. Onder het blauwe bord ‘Barneveld’ heeft een tijdje een vrolijk bord gehangen met de aanduiding ‘Eigentijds Veluws’. De expliciete boodschap is helder: mocht je het dorp Barneveld inrijden met de gedachte dat je nu in een bekrompen dorp bent aanbeland, wees dan gewaarschuwd, want Barneveld is wel Veluws, maar op een heel eigentijdse manier. De onbedoelde boodschap is daarmee ook meteen duidelijk: blijkbaar is het eigentijds zijn niet vanzelfsprekend in de aanduiding ‘Veluws’ vertegenwoordigd. Normaal staat ‘Veluws’ blijkbaar voor achterlijk en bekrompen.

Lastig aan dit soort taaluitingen is dat als je je de onbedoelde boodschap ervan realiseert, ze moeilijk meer als een aanbeveling kunnen fungeren. Je moet er niet te lang over nadenken, anders gaat de expliciete boodschap ervan namelijk verloren in de impliciete.

Want is het überhaupt wel mogelijk om op een fatsoenlijke manier rechts te zijn? Is het niet per definitie onfatsoenlijk? Heeft rechts zijn niet iets onfatsoenlijks in zichzelf?

Dat vage, impliciete besef komt ook tot uitdrukking in een andere taaluiting die merkwaardigerwijze vooral gebruikt wordt door rechtse mensen: ‘de linkse kerk’. Ik denk dat deze zegswijze een ergernis uitdrukt van rechtse mensen over het in hun ogen ‘dominante denken’ in onze samenleving, het ‘politiek correcte’ denken. Zo heeft bijna iedereen – van de VVD tot aan de SP – het tegenwoordig over een klimaatcrisis en dat we allerlei dingen niet meer mogen. Iedereen heeft het over het fatsoenlijk opvangen van die mensen die ‘echte vluchtelingen’ zijn. De eensgezindheid van die correcte opvattingen doet denken aan de kerk, waarin iedereen eensgezind op de maat dezelfde psalmen galmt: “Wat zijn we het geweldig met elkaar eens.” Rechtse mensen voelen zich door deze eensgezindheid uitgesloten en gemarginaliseerd. Vandaar de zegswijze ‘linkse kerk’, de gemeenschap van mensen die zich moreel verheven voelt boven het ‘ongelovige volk’ buiten.

Frames

Ik vermoed dat de uitdrukkingskracht van dit soort frames sterk samenhangt met de impliciete, onbedoelde betekenis van dergelijke taaluitingen. Dat komt doordat die betekenis ook vaak iets te maken heeft met bepaalde vanzelfsprekendheden en vooroordelen, zaken waarover een soort onuitgesproken consensus bestaat, die, hoewel irritant, toch moeilijk te weerspreken is. Vandaar ook het vaak nogal reactieve karakter van de ‘tegen-frames’, frames die zich verzetten tegen de vanzelfsprekende, maar onuitgesproken denkkaders als ‘wel rechts, maar (toch) fatsoenlijk’. Of het tegenframe ‘linkse kerk’, waarmee men opstaat tegen het idee dat echte menselijkheid alleen met linkse denkbeelden te verenigen is.

Dit roept de vraag op waar die vanzelfsprekendheden of vooroordelen vandaan komen. Waarom wordt rechts zijn als onfatsoenlijk beleefd? En waarom is links zijn blijkbaar synoniem met rechtschapen?

 Wereldbeschouwing

Vermoedelijk heeft dit alles te maken met twee verschillende onderliggende wereldbeschouwingen. Om met de linkse wereldbeschouwing te beginnen: linkse mensen zijn gericht op de inrichting van een ideale wereld. Hun utopie is een wereld van vrijheid, gelijkheid en broederschap voor iedereen. En zij geloven dat die wereld maakbaar is. Want, zo denken linkse mensen, het goede kan alleen maar als goed ervaren worden als het voor iedereen zonder onderscheid is weggelegd: het gemeenschappelijk goede.

Rechtse mensen zijn zeer sceptisch over dit soort utopische vergezichten. Zij vinden het niet erg realistisch. Zij geloven niet zozeer in de maakbaarheid van de wereld. Voor hen is het goede daarom ook niet toegankelijk voor iedereen. Het goede is een privilege, dat slechts aan een beperkt deel van de mensheid kan toevallen. Het goede is, met andere woorden, voor een elite, voor hen die het verdienen. Rond het goede is dan ook altijd strijd, want iedereen wil het wel, maar het is niet voor iedereen beschikbaar. Slechts hun die tot een beschavingselite behoren komt het toe.

Zet je deze twee wereldbeelden tegenover elkaar, dan klinkt het linkse wereldbeeld veel menselijker en moreel aantrekkelijker dan het rechtse. Want hoe zou je met droge ogen kunnen beweren dat het goede slechts voor een deel van de mensheid toegankelijk is? En wie bepaalt dan voor welk deel? Niet gek dus dat het kwade geweten een typisch rechts dingetje is. Linkse mensen hebben hun stoepje allang schoongeveegd.

Maar dan komt de keerzijde: rechtse mensen zijn het niet zozeer moreel oneens met linkse mensen, maar zij vinden het linkse standpunt niet realistisch. Je kunt wel zeggen dat het goede voor iedereen is, maar maak dat maar eens waar. Zo maakbaar is de wereld niet. Ben jij persoonlijk bereid om veel in te leveren om het goede beschikbaar te maken voor iedereen? Of begin je dan steeds over de grote bedrijven en de kapitalisten die maar moeten inleveren? Is de gedachte dat het goede voor iedereen is wel een realiseerbare gedachte? Zal niet altijd blijken dat er toch gestreden moet worden om het goede? Want halen linkse mensen als ze een keer de macht hebben niet ook alles naar zich toe? Het mag dan wel een moreel goede gedachte zijn, maar gelijke toegang tot het goede voor iedereen is een utopie.

 Van rechts naar links

Het lijkt erop dat met de groei van de welvaart in het Westen steeds meer mensen die tot de elite behoren links zijn gaan denken. Dachten zij eerst vaak rechts, vanuit hun eigen privileges, zij werden steeds ‘fatsoenlijker’ in hun denken naarmate de welvaart zich breder spreidde. Steeds meer leek het linkse vergezicht een realistisch perspectief te worden. Immers, ook iedere arbeider kan tegenwoordig zijn eigen auto kopen en zijn eigen vliegreizen boeken. Het goede komt steeds meer binnen het bereik van iedereen.

Totdat er van deze uitdijende welvaart ook belangrijke schaduwzijden aan het licht traden. Het goede werd weliswaar steeds toegankelijker voor iedereen, maar wel ten koste van het milieu en van de duurzaamheid van de wereld. Ook al leek de linkse utopie steeds realistischer, de prijs bleek hoog. De klimaatcrisis brak aan. En daarmee de vraag wie er moeten inleveren.

Zolang de elite rechts (conservatief) is, zijn de onderliggende klassen links. Met de invoering van het algemene kiesrecht leek het dus einde verhaal voor de conservatieven. Zij zouden het electoraal steeds meer afleggen tegen de socialisten. Aldus gebeurde. Rechts conservatisme raakte in diskrediet en kreeg moreel een steeds negatiever imago: tegen de vooruitgang.

Maar wordt de elite links, dan blijken de onderliggende klassen van de weeromstuit rechts te worden. Plotseling blijkt er weer gestreden te moeten worden om de toegang tot het goede. Want wie moeten de verhoogde belastingen op de fossiele brandstoffen of op het vliegen gaan opbrengen? Niet voor niets was iets dergelijks de aanleiding tot het protest van de ‘gele hesjes’ in Frankrijk. De gewone burger accepteert het ‘links lullen, rechts vullen’ van de elite niet langer. Het goede is blijkbaar toch niet toegankelijk voor iedereen, maar alleen voor de linkse elite.

Misschien is bovenstaand verhaal een beetje te kort door de bocht. Toch denk ik dat het ook heel herkenbaar is. De tegenstelling tussen links en rechts is nog lang niet achterhaald. Maar ze is wel sterk veranderd. In een volgende bijdrage hoop ik hierop terug te komen in een zoektocht naar mogelijke alternatieven.