Marius Buiting – De coronacrisis is een waardencrisis

Marius Buiting is een fijnproever. Een cliché zul je niet gauw uit zijn mond horen. Van veel woorden kent hij de oorsprong en de etymologische varianten. ‘Bedoeling’ en ‘bestemming’ zijn zulke woorden. Als we hem aan het eind van het gesprek vragen naar zijn reflectie op de ‘bedoeling’ van zijn eigen leven, antwoordt hij: “Dat komt ons niet toe om te begrijpen. Mysterie houdt het leven mooi. Wat is de zin van de dingen? Ik weet het niet helemaal, maar móet ik het weten? Om in Bijbelse termen te spreken: God schiep de mens naar zijn beeld. Dat wil zeggen, de Schepper schiep zich een Schepper. Daarmee heeft Hij ook iets losgelaten, want Hij kan het dan niet meer in de hand houden. Hij moet vertrouwen. Ik vind dat een groot mysterie en ik verwonder mij erover.”

 

  1. Biografisch deel: de ontwikkeling van zelfreflectie

Marius komt uit een zorgfamilie. Zijn vader was arts, zijn moeder verpleegkundige. Twee van zijn broers studeerden geneeskunde en zijn zus klinische chemie. Zelf studeerde hij geneeskunde en recht. “Mijn moeder legde veel ambitie in haar kinderen. Ze had zelf minder kansen gehad dan wij en daarom vond ze dat wij naar de beste school van Eindhoven moesten. Dat was het Augustinianum. Daar moesten we een roteind voor fietsen, want het lag helemaal aan de andere kant van Eindhoven – wij woonden in Veldhoven. Daarmee verloren we vriendjes en vriendinnetjes in de buurt, want niemand ging daarnaartoe. Dat riep protest in mij wakker. Ik begon mijn moeder te plagen: ‘Mam, hoezo is dit de beste school? Moet je meneer P. zien. Die kan geeneens orde houden. Meneer T. zit alleen maar te dicteren!’. Maar ook had ik heel goede leermeesters. Meneer Franken was leraar Latijn, didactisch heel begaafd, geweldig brede kennis. Dat is denk ik de eerste keer dat ik geïnteresseerd raakte in kwaliteit en performance.”

Studie geneeskunde

“Na mijn studie heb ik kort gefunctioneerd als sportarts. Dat was toen nog geen specialisme. Ik was intensief betrokken bij het roeien, was onderdeel van de nationale selectie en functioneerde als coach van ploegen die naar de wereldkampioenschappen gingen. Het was de toptijd van de roeisport: de olympische medailles van Nico Rienks en de Holland 8. Elk team had zijn eigen coach; ik had de lichte-4-zonder onder mijn hoede. Als je coach bent van een team dat naar de wk gaat voel je je toch een hele pief.

Voor mij was het een heel interessante ervaring die mij op een belangrijke afslag in het leven bracht. Ik begon mij meer en meer te irriteren aan de geneeskundeopleiding. Door de ervaringen in de topsport ontdekte ik drie leerprincipes: de eerste is matchen. Je gaat de sport zoeken waar je de lichaamsbouw voor hebt en waar je plezier in hebt. Het tweede leerprincipe is reflectie: aan het einde van een training of na een wedstrijd kijk je terug en probeer je de volgende keer bepaalde dingen te verbeteren. Als je dat dus 365 dagen per jaar doet, ga je onvoorstelbaar snel vooruit. Daartegenover stond de ervaring van de geneeskunde: uit je hoofd leren, doen wat de hoogleraar zegt, geen kritiek geven. Daar zat helemaal geen reflectie in.

Het derde principe is ambitie. Je wilt verder, je wilt het optimale. In de onderwijswereld geldt echter de regel: zorg nou maar dat je je tentamens haalt. Daardoor kweek je een zesjescultuur. Je was eigenlijk meer bezig om te zorgen dat je alles net haalde dan om jezelf te verbeteren en plezier te ontwikkelen in de dingen waar je mee bezig was. Het plezier van het verbeteren.”

Wat was je eigen ambitie toen je geneeskunde ging studeren?

“Ik had geen vastomlijnd idee en beantwoordde aan de verwachtingen van de familie. Allengs kwam ik op het idee, hoe werken dingen? Hoe werkt bijvoorbeeld het onderwijs? Het volgende verhaal is wel illustratief. Er was een bekend hoogleraar die colleges cardiologie gaf. In die tijd waren colleges niet verplicht en daardoor functioneerden er ‘dictaatgroepen’: studenten die de colleges bijwoonden en opschreven, ook ten behoeve van studenten die er niet waren. Toen de student die het dictaat schreef merkte dat de hoogleraar letterlijk hetzelfde college gaf als de vorige week, stak hij zijn vinger op: ‘Mijn excuses professor, maar mag ik u erop wijzen dat u letterlijk het college geeft van vorige week?’ Wat denk je dat er gebeurde? Die jongen werd naar voren gehaald. ‘Jij weet het allemaal zo goed?’, voor de zaal gezet en totaal afgezeken. Hij had niets anders gedaan dan op een correcte manier iemand op een vergissing wijzen. Wij deden niks, zaten stil, maar het sneed wel dwars door je hart. Deze manier van doen, die dus kenmerkend is voor de sociale structuur in de geneeskunde begon mij steeds meer tegen te staan in het onderwijs. Ik dacht: is dit mijn voorland? Als ik medisch specialist wil worden, moet ik mij dit nog vijf à tien jaar laten welgevallen en ben ik aan het eind mijzelf niet meer.”

Naast geneeskunde heb je ook rechten gestudeerd. Wat was daarvoor de reden?

“Dat moet je in de tijd plaatsen. Nu heb je allerlei opleidingen zoals management in de gezondheidszorg. Die waren er toen nog niet. Wel was er een heel groot geloof in het gezondheidsrecht:  er was veel aandacht voor patiëntenrechten. Ik dacht, als ik een aanvullende denkwijze op die van de geneeskunde kan aanleren, ontwikkel ik een breder perspectief op de zorg. Dat heeft me mooie dingen gebracht. Ik ben bijvoorbeeld wetgevend jurist geweest rond drie wetten: de wet Beroepen in de individuele gezondheidszorg, de Kwaliteitswet die toen voor het eerst werd gemaakt, een soort organisatiewet, en ten slotte de Klachtwet die patiënten de mogelijkheid gaf om aan de bel te trekken als er dingen niet goed gingen.”

  1. Beschouwelijk deel: aspecten van de waardencrisis

“Uit hoofde van mijn functie geef ik les over innovatie in de gezondheidszorg. Zodra we het over innovatie hebben, is nog altijd de cultuur: doe maar gewoon, doe maar wat we altijd gedaan hebben. Dat is natuurlijk heel vreemd, en hoewel de cultuur al ietsje verbeterd is, liep ik daar in mijn studententijd al tegenaan. Daarom ontwikkelde ik de ambitie om de gezondheidszorg te verbeteren en dan vooral het leren in de gezondheidszorg. Zo ben ik in de wereld van kwaliteit terechtgekomen.”

Is niet het probleem dat technieken zich veel sneller ontwikkelen, dan artsen zelf kunnen bijhouden? Op school leer je bij wijze van spreken per definitie verouderde technieken.

“Dat is zo, maar een probleem dat op de achtergrond daarvan speelt is het probleem van traditionalisme. Aan innovatie zitten drie aspecten: 1. het technologische. Dat ontwikkelt zich razend snel. Dan moet 2. de praxis, dus het handelingsperspectief, zich gaan aanpassen aan die techniek. Dat duurt doorgaans zo’n tien tot vijftien jaar totdat stukje bij beetje die praktijk zich gaat aanpassen. Maar het meest wezenlijke is de sociologische innovatie. Als we de sociologie niet aanpassen worden innovaties geremd.”

Geef eens een voorbeeld van een sociologische innovatie.

“Kennis moet je niet meer dominant bij de arts plaatsen maar bij de patiënt, patient literacy in het Engels. Je maakt de patiënt deskundige van zijn eigen ziekte. Een heel bekend voorbeeld daarvan is Bas Bloem. Als iemand in zijn familie een neurodegeneratieve ziekte krijgt, realiseert Bloem zich voor het eerst dat hij als neuroloog heel vaak zijn patiënten teleurstelt door bij vragen waar hij geen antwoord op weet, door te verwijzen naar de huisarts of de paramedicus. Hij gaat onderzoeken wie die lastige vragen van de patiënt wél zou kunnen beantwoorden. Waar komt hij uit, denk je? Bij de patiënt zelf en de familie. Die kregen namelijk overal nul op het rekest en zijn zelf dingen gaan uitvinden. Toen is Bloem iets begonnen wat inmiddels internationaal vermaard is: ParkinsonNet, netwerken van toegewijde professionals, patiënten en familieleden. Bloem zei: Ik wil geen neuroloog meer heten, ik wil me de rest van mijn leven toewijden aan Parkinson. Ook logopedisten hebben zich toegewijd aan Parkinson, en natuurlijk patiënten en hun familie. Dat samen is een sociologische innovatie.”

Wat zouden we daarvan kunnen leren in de crisis?

“De laatste twee, drie maanden waarin we intensief met corona geconfronteerd zijn, zie je overal dokters het woord voeren. Waar zijn de patiënten, waar zijn de families? De samenleving is nog helemaal niet klaar om vanuit dat andere perspectief te kijken. Het is intens verdrietig dat we regionaal complete verzorgingshuizen op slot hebben gezet en generiek in het hele land en dat geen patiënt of geen familielid daarbij geraadpleegd is.”

Regels en waarden

“Je ziet dat regels in deze crisis belangrijker worden gevonden dan waarden. Eenzelfde ontwikkeling heeft  de kwaliteitszorg doorgemaakt.  Eind jaren tachtig werkte ik bij een kwaliteitsinstituut. Kwaliteit was toen een enorme hype in de industrie en kwam toen ook op in de gezondheidszorg. Ik merkte al snel dat de kwaliteitswereld was begonnen als een soort gideonsbende, dus mensen zoals ik en anderen, enorme wereldverbeteraars. Op een bepaald moment werd het thema overgenomen door de kwaliteitsregelaars. De controleurs. Toen ontrolde zich een heel circus van accreditaties, nascholing, certificering. In de wereld van de gezondheidszorg liep het helemaal uit de hand. Ik was erbij toen in 1989 veertig verschillende partijen uit de gezondheidzorg afspraken gingen maken over kwaliteit. Uiteindelijk gingen alle partijen niet gezamenlijk maar ieder zijn eigen kwaliteitssysteem bouwen, aangedreven door de artsen, want de artsen vertrouwden niemand anders.”

Klopt het beeld van de control freak als het om kwaliteit gaat?

“In de jaren tachtig waren er drie scholen: de Europese, de Amerikaanse en de Japanse. In de Japanse school stond continue kwaliteitsverbetering centraal, vergelijkbaar met de sport. Die verbetering werd al snel overwoekerd door de controle. Datzelfde zie je bij de coronacrisis. Het begint met de koning die zegt: ‘Zorg goed voor elkaar, het zal een moeilijke tijd zijn!’ Dat vond ik een goed begin. Het is een goed verhaal dat goed is nageleefd. Maar nu de noodzaak van maatregelen sterk is verminderd, zien we een merkwaardig na-effect. Op het moment dat er bijna geen corona meer was, werden bijvoorbeeld op de route van het station in Utrecht naar mijn werk op de trottoirs witte lijnen getekend zodat voetgangers elkaar niet kruisten. Totaal bizar. We starten dus vanuit waarden (werken aan steeds betere zorg, steeds beter onderwijs), maar uiteindelijk belanden we in iso-normeringen. Dat zie je op heel veel gebieden en in veel organisaties: initiatieven starten met goede bedoelingen, maar worden overgenomen door de control freaks.”

Waar haal je je inspiratie vandaan?

“Ik lees heel veel. Eclectisch. Geschiedenis, filosofie, poëzie, godsdienstwetenschappen, management. Ik mag ook zelf graag gedichten schrijven. Als ik me door moeilijke auteurs (bijvoorbeeld Hegel of Levinas) heen moet worstelen, beperk ik me tot de vraag: wat is de toepasbare gedachte? Naast eclectisch ben ik ook pragmatisch.”

Geen biografieën?

“Nee.”

Je hebt dus geen helden.

“Jawel. Jacques Brel is bijvoorbeeld een held. Ik noem maar wat. Omdat ik dat de allerbeste performer ooit vind. Het woord ‘performance’ is ook heel interessant. Het betekent ‘doorheen vorm geven aan’. De performer – en dat is ook voor docenten belangrijk – of de docent is niet iemand die een lesje afdraait, nee, het is iemand die op dat moment mensen als het ware gevangen houdt in zijn verhaal. Jacques Brel was daar een meester in.”

Is Wouter Hart, je coauteur, de performer van Marius Buiting?

“Wouter Hart is natuurlijk een tovenaarsleerling. Hij is een stuk jonger dan ik. Hij kwam op mijn pad en begon een interview als dit te doen, maar hij kwam nog twintig keer terug, allemaal op band opgenomen. Dat is de basis voor het boek Verdraaide organisaties geworden. Toen had hij zelf nog heel weinig op het podium gestaan, maar later is hij eigenlijk de vertolker van het boek geworden. Hij heeft mijn gedachten doorontwikkeld, vandaar ook dat tovenaarsleerling. Het tweede boek Anders vasthouden is veel meer een Wouter-boek.

Zelf had ik andere ideeën voor het tweede boek. Ik sprak met Wouter lang over de illusies die ten grondslag liggen aan de moderne samenleving. De illusies van de economie of de medische wetenschap, etc. Toen heb ik gezegd: ik zou eigenlijk een bijbeltje voor ‘verbraafden’ willen schrijven. Ofwel, die illusies houden ons gevangen in een half soort werkelijkheid en we denken dat die werkelijkheid zo is, alleen het grootste deel bestaat uit constructen. De verbraafden durven niet meer uit te stappen en laten na de illusies te ontmaskeren.”

Is dit je verhaal over de coronacrisis?

“In zekere zin wel. Ik moet ook denken aan Pirsig, Zen en de kunst van het motoronderhoud. Een geweldig boek, dat ik vijf jaar geleden nog eens heb herlezen. Erg mooi is het einde van het boek. Pirsig beschrijft hoe de Grieken naar de toekomst keken. In het Griekse denken loop je met je rug naar de toekomst. Dus je loopt achteruit. En als je achteruit loopt, moet je vertrouwen, net als met roeien. Als je achteruit loopt kun je alles wat zich in het verleden heeft afgespeeld nog zien. Vervaagd misschien. Maar dan ontstaat als het ware onder je voeten het nieuwe, het verhaal van emergentie. Dus je kunt afscheid nemen, loslaten en je tegelijk verwonderen in het hier en nu over wat er onder je voeten ontstaat.

Het Griekse denken zit tussen het oosterse en westerse in. Het westerse denken dat heel mooi door Achterhuis beschreven is in zijn boek ‘Het rijk van de schaarste’. Hij spreekt hierin over de omkering van de Aristotelische hiërarchie. Aristoteles maakt een soort begrippenhiërarchie. Helemaal bovenaan staat het goede leven. Voor Aristoteles is heel duidelijk: dat goede leven kun je niet pakken, je kunt er een bijdrage aan leveren, maar het gaat fout op het moment dat je de contribuanten aan het goede leven tot doel in zichzelf maakt. Denk bijvoorbeeld aan de contribuanten welstand en gezondheid. Ze dragen bij aan het goede leven. Maar we hoeven niet steeds rijker of steeds gezonder te worden want dan raak je het goede leven juist kwijt. Dat is de kwaal van het westerse denken: proberen op onderdelen de performance te verbeteren, niet op de integraliteit.”

Beschouw je jezelf als katholiek?

“Ik ben een groot fan van de paus, maar niet van onze kardinaal. Als je de pausen vanaf Johannes de 23e ziet Paulus de zesde, Johannes Paulus – dat zijn allemaal heel bijzondere mensen geweest, die telkens weer een toon hebben getroffen passend bij de tijd waarin ze actief waren. De huidige paus heeft in verband met de coronacrisis een extra Urbi et orbi uitgesproken. Dat is uniek. Normaal gebeurt dat alleen met kerst en pasen. Om de zegen te ontvangen hoef je niet katholiek te zijn. Alle mensen van goede wil, dus ook jullie, krijgen aflaat van alle zonden. Een interessant symbool dus. Als die coronacrisis op zijn hevigst is, zie je de Paus ter gelegenheid van die Urbi et orbi een regenachtig en totaal verlaten Sint- Pietersplein oversteken in de richting van een eeuwenoud pestkruis. Dat heeft destijds de pest bezworen. Het mooie van de kerk is natuurlijk haar enorme geschiedenis. En wat staat er de volgende dag dan in de krant? Dat het toch wel heel erg was dat de paus dat historische kruis in de regen had laten staan zodat nu de verf ervan afgebladderd was. Een betere illustratie van de waardencrisis kun je niet bedenken.

Is de antiekwaarde voor de paus dan niet relevant? Natuurlijk wel. Daarom vind ik het mooi dat diezelfde paus een missive naar alle kerken in Rome heeft gestuurd dat ze niet zo kwistig moeten zijn met die ontsmettende alcohol in kerkgebouwen dat inmiddels het marmer ernstig aantast.

Ik vind dat de paus zelf een goed voorbeeld geeft van waardenafweging. Hij voelt haarfijn aan welke waarde in verschillende situaties in het geding is. Wanneer moet je aandacht geven aan schoonheid en wanneer gaat het om iets hogers dan schoonheid?”

Wat doet de kardinaal zo verkeerd?

“Als je kijkt naar onze katholieke kerk dan moet je vaststellen dat hij zich in de crisis niet heeft vertoond en niemand tot troost is geweest. De kardinaal zwijgt. Nu gaan de kerken weer open. Mijn jongste broer probeert de moed er nog een beetje in te houden met die angstige kerkgangers die voor een kerkdienst moeten reserveren. Te bizar voor woorden. Het gaat niet meer om geloof, maar eerder om virusbezwering en de regeltjes. Die gelovigen die er nog zitten zijn natuurlijk al een beetje bangig, het zijn de preciezen, niet de rekkelijken die overbleven. En als die met elkaar de kerk nog moeten proberen open te houden, kun je je voorstellen welke ingewikkelde discussies worden gevoerd.”

Herman Finkers is ook katholiek, dus het is best gezellig.

“Zeker, van hem wil ik graag een anekdote vertellen. Paul Witteman, die katholiek is opgevoed en graag laat weten dat hij er niks meer van moet hebben, had het Finkers een paar keer met vileine vragen lastig gemaakt in zijn praatprogramma. Het stak Finkers dat Witteman zich afzette tegen het geloof door het duiden als verzinsels. Daarom nodigde hij Witteman eens bij hem thuis uit. Op een gegeven moment laat Finkers Witteman in de val lopen: jij kunt heel goed piano spelen, hè? Wat vind je nou een goed componist? Mozart! zegt Witteman. Ja, Mozart vind ik ook heel goed! reageert Finkers. En weet je wat ik het bijzondere vind? Allemaal verzonnen!”

In je boek ‘Verdraaide organisaties’ staat het begrip bedoeling centraal. Kun je daar wat meer over zeggen?

“Door de spreekbeurten die Wouter en ik gaven naar aanleiding van ons boek Verdraaide organisaties merkten we dat we over dat woord nog verder moesten nadenken. ‘Bedoeling’ heeft een saksische uitgang. En dat betekent dat het een doorgaande beweging in de tijd is. Een human being is iemand die zichzelf verwezenlijkt. Bestemming is niet de aankomst maar als het ware het stuttende begrip, het afstemmen op om het passende te bereiken. Niet het reisdoel is het belangrijkste maar de reis. In het Frans of Engels is dat niet makkelijk aan te duiden want daar is het finalité of final end. Dat is veel meer een einde. Maar het Nederlands is heel mooi: want bestemming is jouw stem afstemmen op het geheel van die stemmen en daar ben je je hele leven mee bezig. Dus de bedoeling is eigenlijk: dat wat de doelen voedt. De bron van de doelen. Terug naar de bedoeling was dus niet zomaar iets. Daar hebben we lang mee geworsteld.

Ons doel met de spreekbeurten werd  mensen leren te verwijlen in de bedoeling. Een beetje als Paulus de Boskabouter die op een bankje gaat mijmeren. Want als je je er niet in gaat verwijlen kom je niet bij de bedoeling. Net als bij het goede leven. Je kunt het niet pakken, maar je moet er wel telkens over nadenken.

Ons boek sloeg aan, in de eerste plaats bij mensen die al op deze manier organiseerden en die zeiden, eindelijk is in het eens in een boek opgeschreven, want dit herkennen we. Maar er waren ook mensen die ermee aan de slag gingen en met het boek in de hand hun organisatie anders vorm gingen geven.

Maar wat je ook zag is dat mensen helemaal opgesloten zaten in de regels. Hen noem ik ‘de verbraafden’. En nu even naar corona. Ik heb in de crisis nooit thuisgewerkt en ben altijd naar kantoor gegaan. Altijd met openbaar vervoer. Tot 1 juni had niemand een mondkapje op. Daarmee heb je een mooie nulmeting. Op 1 juni of enkele dagen later, zit iedereen met een mondkapje op. Dan openbaart zich die verbraving. Mensen doen geen mondkapje op vanuit de gedachte dat het goed voor hen is of hun medepassagiers, nee, ze gaan zich verhouden tot die regel. En dat vind ik iets waar je je zorgen over moet maken.”

Regels hebben ook een fijne kant, bijvoorbeeld in het verkeer.

“Wat is de allergevaarlijkste plek in het verkeer? Kruispunten met stoplichten. Wat leren we onze kinderen? Dat je bij groen moet oversteken. Dat is het meest dodelijke advies wat je kinderen kunt geven. Meer pedagogisch is de regel: je kunt beter oplettend door rood, dan onoplettend door groen oversteken. Want er zullen altijd mensen door rood rijden. Je houdt dus je eigen verantwoordelijkheid bij het naleven van de regel. Die verantwoordelijkheid wordt nog meer benadrukt bij het verschijnsel rotonde.

Hetzelfde geldt voor de BOB (in het Vlaams: de bewust onbeschonken bestuurder. Mooi woord ‘onbeschonken’). Die geeft een verantwoordelijkheid aan mensen om met en voor elkaar te zorgen. We hebben twintig jaar campagne gehad met ‘Glaasje op. Laat je rijden’, hoge boetes, maar het bleef telkens foutgaan. Totdat de BOB kwam, als een soort sociale interventie. Pas toen is het aantal ongelukken ten gevolge van alcoholgebruik dramatisch naar beneden gegaan. Je moet mensen dus niet verbraven, maar medeverantwoordelijk maken voor elkaar.”

Moeten we dan geen maatregelen nemen in de coronacrisis?

“Er is nu ondersterfte. Dat betekent dat er over een periode van zeg twee jaar netto weinig in de levensverwachting veranderd zal zijn. Het virus gaat waarschijnlijk in kracht achteruit, wat bij de meeste virussen gebeurt. Ik zeg niet dat je geen maatregelen moet nemen, maar laat in die maatregelen uitkomen dat je mensen respecteert in hun verantwoordelijkheid. Laat het aan mensen zelf om te beoordelen of ze hun oude moeder of oma kunnen bezoeken, wetende dat het een risicogroep betreft. Ik zeg niet: beter oplettend door rood, maar in ieder geval niet onoplettend door groen.

Neem nu dat onzinnige en oneindige gepoets van winkelwagentjes. Ik heb de colleges van vroeger goed onthouden: als je dat doet heb je nog veel meer bacteriën op die plekken die je ‘schoonmaakt’, want al die handen komen op de plek die je vochtig hebt gemaakt met een ‘ontsmettende’ vloeistof. Dat beetje alcohol haalt dat virus niet weg, dus de allerbeste manier om het virus over te brengen is met die spuitbusjes. Die busjes zelf worden trouwens niet schoongemaakt en die heeft ook iedereen vast. Het is totaal virusbezwering. Ritueel, zou ik zeggen. En het werkt averechts!

Het gaat mij niet om die maatregelen maar om de waarden onder die maatregelen. Vergelijk daarbij wat ik zei over de paus. Vergelijk ook het rapport van de Raad voor de Volksgezondheid ’Samenleven is meer dan overleven’. Prachtig rapport met als strekking dat je maatregelen niet onnadenkend moet nemen. Alle ouderenzorgcentra werden zonder enige nuance afgesloten. In de noordelijke provincies waar haast geen besmetting was, zat ook alles op slot. Sommige van de bewoners zijn vaneenzaamheid overleden. Bizar. De hele afweging van waarden kan dan niet meer gemaakt worden. Regel is regel: er was geen bewegen aan. Alle zorginstellingen moesten de minister volgen. Verbraving. Basta”.

Hoe zou je vanuit waarden willen kijken?

“Grappig voorbeeld. We hebben een rapport gemaakt voor de crisis maar het is pas twee weken geleden verschenen, Zienderogen beter (3). Dat gaat over de vraag hoe toezichthouders kijken naar kwaliteit in de verpleeghuizen, naar aanleiding van een nieuwe manier van kwaliteitsdenken. We hadden eerst die regeltjes met vink-lijstjes. Toen heeft het kwaliteitsinstituut gezegd: dit leidt tot niks en tot een verkeerde cultuur. Laten we drie dingen centraal plaatsen: 1. Je moet je in de zorg richten op die ene mens (niet op de gemiddelde mens) dus mensgericht gaan werken 2. Je moet contextgericht werken. Een dorp in de provincie is anders dan de stad. 3. Reflecteren. Kwaliteit heeft met leren te maken. Mooie principes die in het rapport zijn uitgewerkt.

Wat doen we? We hebben corona en we gooien al die principes overboord. Een ziekenhuisdirecteur zei tegen mij: “Er was geen beginnen aan! We leverden ook nog eens verkeerde zorg, want het is onverstandig om oude mensen op de IC te leggen, aangezien ze het daarna toch niet meer redden, en er was onmenselijke zorg omdat iedereen in maanpakken rondliep en er geen contact mogelijk was, waardoor die ouderen een onmenselijke dood hebben gekregen. Veel maatregelen hebben dus niet geholpen en nu hebben we ook nog eens duizend beademingsapparaten gekocht die we nooit meer gaan gebruiken.” Om met Foucault te spreken: De angst voor onze gezondheid legitimeert een ongebreidelde machtsuitoefening.

Ik vind dat een waardencrisis. We hebben het virus zo groot gemaakt dat we wereldwijd in een soort waan zijn gestapt met aan de ene kant een overreactie om de boel zoveel mogelijk onder controle te houden en aan de andere kant de Bolsonero’s en de Trumps, die het ontkennen, wat ook heel dom is.”

Is er een parallel met 9/11?

“Ja. Ook het terrorisme is inderdaad groter gemaakt dan het in feite was. Alleen daarvan zou je kunnen zeggen dat het met name ten koste ging van de waarde privacy. Nu zijn veel meer waarden in het geding. Een uitzondering in deze crisis vond ik het optreden van de koning en de koningin. Zij gaan gewoon overal naartoe. Zonder mondkapje. Ik vind het mooi om te zien hoe zij de waarde van menselijk contact hooghouden.

Waar de politiek en de pers elkaar versterken, veroorzaken ze een regelkramp. Je bent burger en wordt er de hele tijd op aangesproken. Niet op waarden, maar op de regels en die verbraving. Iedereen reageert daar weer op zijn of haar eigen manier op: de een is wat angstig, de ander onrustig of boos, weer een ander is ontspannen en denkt, ik ga als mijn tijd gekomen is. Maar velen zijn ook functionaris. Dat hebben mensen in de zorg meegemaakt, die niet konden acteren zoals ze wilden en gewend waren. Het is bizar dat er niet één ziekenhuis of verpleeghuis burgerlijk ongehoorzaam is geweest. Dat benauwt mij.

In Nederlandse ziekenhuizen zal er hopelijk een heel ander beleid gevoerd worden bij een tweede golf. Bijvoorbeeld uiterste terughoudendheid om oude mensen naar de IC te brengen en beter nadenken over de toepassing van palliatieve zorgverlening. En zeker ook het continueren van de reguliere zorg.

Al die aandacht in de pers helpt ook niet. Je kunt iedere dag een viroloog in een talkshow zetten, maar meer dan het verhaal dat je corona kunt krijgen als je wordt aangehoest of aangeniesd zul je niet horen. Dan kun je wel iedere dag het aantal besmettingen melden of het aantal bezette ic-bedden, maar uit de kwaliteitszorg is bekend dat alles wat je meet en aandacht geeft, de rest vertekent. In Zienderogen beter 2 hebben we al gezegd dat je moet onderscheiden tussen meetbare en merkbare kwaliteit. Dat heeft enorm veel effect gehad. Er zijn namelijk veel dingen die je vooral niet moet meten, maar die je wel kunt merken. Ik noem een voorbeeld: soms word je in een sterrenrestaurant om de paar minuten gestoord door de bediening met allerlei liflafjes . Je kunt haast geen goed gesprek voeren met elkaar. Dan mag je misschien wel twee sterren hebben, maar ik vind het reuze irritant. Zoiets is niet te meten met een getal, maar het is wel belangrijk voor je ervaring.”

Wat zijn de illusies van de moderniteit die ons nu in bedwang houden? Transparantie?

“Transparantie. Een mooi woord. Mij interesseert de oorsprong van woorden. Transparant betekent eigenlijk doorzichtig. Je kunt naar binnen kijken. Maar als je getallen gaat produceren over iets, dan wordt het minder transparant, want je krijgt maar een deel van de werkelijkheid. Transparantie betekent dus: toelaten in het hart van de dingen. Niet: verantwoording afleggen met een paar getalletjes. Met getallen verteken je, vertroebel je. Op het moment dat ik alleen naar kwartaalcijfers kijk, vertroebel ik de werkelijkheid van een bedrijf.

Een andere illusie is evidence based werken, een modewoord in de zorg. Ik kon het op een gegeven moment niet meer horen. Want wat betekent evident? Klaarblijkelijk. Er is dus geen bewijs nodig. Leonardo da Vinci, groot wetenschapper, werkte vanuit klaarblijkelijkheid. Hij kon ontzettend goed waarnemen en dan ging hij zich afvragen waarom het zo was. Maar dingen bewijzen die je gewoon kunt zien, is onzin. Hij kon zo goed waarnemen, dat hij de bouw van de vogelvleugel beschreef en precies kon vertellen hoe de vogel opsteeg. Hiermee heeft hij eigenlijk al de werking van het vliegtuig beschreven.”

 

Marius Buiting (1960) is directeur van de Nederlandse Vereniging voor Toezichthouders in Zorg en welzijn (NVTZ). Dat is de oudste en grootste vereniging voor publieke toezichthouders. In vergelijking met collega-verenigingen van toezichthouders, zoals woningbouwcorporaties, onderwijsinstellingen, pensioenfondsen en goede doelen, zet de  NVTZ als grootste toezichthouder vaak de toon. Marius Buiting boekte zelf als coauteur van het boek ‘Verdraaide organisaties’ (2013) van Wouter Hart groot succes.