Lichaam en landschap in de romans van Karel Schoeman

Illustratie, Lichaam en landschap in de romans van Karel Schoeman

Lichaam en landschap zijn in de trilogie van Karel Schoeman elkaars metafoor. De toe-eigening van het onherbergzame landschap van Bloemfontein gebeurt op gelijke wijze als de toe-eigening van een ziek lichaam.

Het werk van de Zuid-Afrikaanse schrijver Karel Schoeman (1939-2017) omvat romans, vertalingen (onder meer uit het Iers), biografieën (van Olive Schreiner en van Michelangelo bijvoorbeeld), reisverslagen, dagboeken, een autobiografie en zeer doorwrochte historische studies, zoals het postuum verschenen, immense werk over de VOC en de Kaap: Skepelinge. Aanloop tot ’n roman. Dit laatste werk legt een belangrijk kenmerk van Schoemans oeuvre bloot: uiterste nauwkeurigheid wanneer het gaat om de historische details (zoals de bouwmaten van de VOC-schepen) enerzijds, en anderzijds het voortdurend aanwezige bewustzijn dat de geschiedenis zich aan de greep van de geschiedkundige onttrekt.

In de trilogie Hierdie Lewe, Die uur van die engel en Verliesfontein toont Schoeman zijn meesterschap als verteller. In Hierdie Lewe mijmert een vrouw op haar sterfbed over haar leven. De bespiegelingen zijn uiterst fijnzinnig. De vrouw zoekt naar woorden als dragers van verzachte emoties. Die uur van die engel volgt journalist Nico Breedt op zijn zoektocht naar Danie Steenkamp, aan wie rond 1840 in het veld een engel in een verblindend licht verscheen. Nico Breedt wil een tv-documentaire maken over Danie Steenkamp, maar de schaarse vondsten over Steenkamps leven maken dat onmogelijk. Het landschap van de Oranje Vrijstaat wijst de journalist af. De zoektocht naar Danie Steenkamp is gedoemd te verzanden in deze barre, droge wereld. In de leegheid van deze wereld blijft de afdruk van de menselijke voet niet behouden. Het verleden is even ondoorgrondelijk als het landschap dat geen concessies doet.

In Verliesfontein zoekt een schrijver naar de waarheid omtrent Giel Fourie, een Afrikaner rebel in de jaren 1900-1901 tijdens de Anglo-Boerenoorlog. De geschiedenis duwt hem echter in de richting van het aangrijpende verhaal over Adam Balie, een ‘kleurlingheld’. Drie belangrijke Schoeman-elementen komen hier samen: ten eerste de onmogelijkheid om het verleden volledig te kennen. Vervolgens de weerbarstigheid van het droge land dat aan de mens geen behoefte heeft en ten derde de thematisering van het sterven als deel van het leven waarin de meest waarachtige vragen de geest van de mens beheersen.

De taal

In de roman ’n Ander Land (1984) van Karel Schoeman leert hoofdfiguur Versluis de wereld kennen van de kleine ZuidAfrikaanse stad Bloemfontein en het land, de omgeving van Bloemfontein uit de tijd rond 1877. Hij leert nadenken over de vraag “Wat is de mens?” waarbij het lichamelijke in het antwoord op deze fundamentele vraag een grote rol speelt. Het onderwerp van deze roman is niet gebonden aan de tijd waarin de roman speelt, de tweede helft van de negentiende eeuw. ’n Ander Land gaat over het universele vraagstuk van het leren sterven. Dit vraagstuk wordt verhevigd door het vreemde, nieuwe land waarin de hoofdfiguur belandt. Thuis raken in den vreemde en sterven in een wereld die zowel vreemd als vertrouwd is, is een proces waarbinnen de taal een cruciale rol speelt. De reis naar de bereidheid om daar en nergens anders te sterven, is afhankelijk van het zuivere woord. De dorheid van het land en de felheid van het onweer dat soms losbarst, zijn een onthutsende ervaring voor de man die in Delft zijn leven volkomen geritualiseerd had. Ook al gaat de gedachte hierbij bijna automatisch in de richting van personages van de Duitse schrijver Thomas Mann, bijvoorbeeld Tonio Kröger en de kleine meneer Friedemann met de vergroeide rug, het is niet de bedoeling om een vader-zoonafhankelijkheid van Schoeman ten opzichte van Thomas Mann aan te tonen. De gelegde relatie versterkt de voorstelling en scherpt het oog voor de typische menselijkheid van Versluis. Dat is de reden om op deze verwantschap te wijzen.

Als rentenier in een statig pand in Delft kende Versluis de wereld van de arbeid slechts via de bedienden die hem terzijde stonden en alle rimpels van het leven gladstreken. Alles verliep in Nederland volgens vaste schema’s: de maaltijden, de bezoekjes aan bevriende echtparen, zelfs de vakanties in Zwitserland. De buitenwereld was alleen hanteerbaar met behulp van veilige gewoontes. In Bloemfontein vormen het pension van mevrouw Van der Vliet met de afgemeten gezelligheid en het ritueel van de avondjes met de Nederlandse kolonie inclusief de jeneverfles aan het slot een enclave van Nederlandse cultuur, de cultuur van de gegoede burgerij. Bij mevrouw Van der Vliet is het nog mogelijk om te denken dat er in de grond niets is veranderd. Het land waarin Versluis terechtkomt, is echter verwarrend anders. Bladzijde 27:

“[…] geleidelik begin onrus van hom besit neem. Dit is tog nie waarvoor hy die lang reis onderneem het nie – die leë kamer, die reëlmatige slag van die klok, die gekletter van reën teen die ruite, die getik van klimop, dit is dinge wat hy agtergelaat het, die kaal wintertuin en verreënde bome. In hierdie land is dit somer: hulle het die son tegemoetgeseil en oor die ewenaar ’n nuwe wêreld binnengereis, in somerklere aan dek verskyn en in die koelte onder die seilafdakke met waaiers laafnis probeer kry van die groeiende hitte. Hierdie luglose vertrek spreek van die somer, die geskuifel van die bediendes se voete oor die kleivloer en die geroep van hul stemme buite in die gang, die deinende klinkers van ’n vreemde taal, is tekens van die nuwe land wat hy betree, die nuwe lewe wat begin het.” Blz. 27: “Bloemfontein was vir hom ’n naam gewees waarby hy hom geen voorstellings gemaak het en waarvan hy ook geen verwagtings gekoester het nie […] Geleidelik word dit vir hom werklikheid as ’n dorp van stof en hitte en lang, reguit strate, van Swart waterdraers en honde en trae, onreëlmatige verkeer, van smal skadurande al langs die geboue waar mense op die stoepe sit of in hempsmoue in die deuropeninge staan om hom te betrag, en wanneer hy hom op straat begewe, is Versluis telkens weer bewus van die afgetrokke [in gedachten verdiept] nuuskierigheid wat hy veroorsaak […]”

Tijdens een wandeling verdwaalt Versluis en komt hij in de wijk van de inheemse Afrikanen terecht. Bladzijde 97: “Dit is die woonbuurt van die Swartmense waarin hy hom begewe het, besef Versluis, maar daar is niks meer aan te doen nie.” Terwijl Versluis door de felle regen geen kant meer op kan, schiet Amien, de koetsier van de Joodse familie Hirsch, hem te hulp. Maar Amien wordt weggejaagd door Josef, “die Swart kneg van die hotel”. Opvallend is dat de aanduiding ‘Swart’ door de hele roman heen met een hoofdletter wordt gespeld. Als ‘Maleier’, afkomstig uit de Maleise gemeenschap aan de Kaap, een gemeenschap met eigen gewoonten, wordt Amien door de zwarte buurtbewoners met argusogen bekeken.

Licht

Het licht van Bloemfontein is overweldigend voor Versluis. De verteller heeft de betekenis van het licht in vele varianten weergegeven. Bladzijde 29: Tegenover het schemerdonker van Nederland vindt Versluis hier „’n feller son en vreemde sterre, in die middel van hierdie verslae [verschraalde] en verlate vlakte.” De blik uit het venster, de inkadering van de onthutsende ervaring is indicatief voor het belang van het licht. Het licht is te verdragen wanneer het is gedomesticeerd door een raamwerk. De echte confrontatie met het licht geschiedt wanneer Versluis zonder veilige omraming aan dat licht is blootgesteld. Bij de confrontatie met het landschap en met het onbekende licht is de plaatselijke lutherse predikant, dominee August Scheffler, de begeleider en gids. Schefflers rol als gids strekt zich ook tot de zwarte woonbuurt uit.

De toe-eigening van het landschap geschiedt vooral door August Scheffler. In de kunst om je over te geven aan dat vijandige en toch koesterende landschap is Scheffler de leidsman. De toe-eigening van de eigen lichamelijkheid verloopt via de vitale natuurlijkheid van de ander en door middel van de confrontatie met ziekte en gebrekkigheid van de mensen in de nabijheid van Versluis. Vitaliteit daarentegen ontmoet hij bij het gastvrije Joodse gezin Hirsch en bij de jongeren rondom de kinderen van het echtpaar Hirsch. Natuurlijkheid in de zin van lichamelijkheid ervaart Versluis bij het zien van de zwarte vrouw die haar kind de borst geeft en bij de aanblik van de zwarte man die aan de rand van een zandweg in het openbaar zijn behoefte doet. De bedekking van het lichaam is voor Versluis vanzelfsprekend. Zijn Nederlandse manier van kleden is een ritueel op zichzelf. In de laden van zijn kast bij mevrouw Van der Vliet bevinden zich (bladzijde 63, 64)

“die hemde, die onderlinne en kouse, die wol- en die linnegoed, die naghemde, sakdoeke en dasse, die handskoene; vanuit die omhullende sneespapier [vloeipapier] verskyn al die kledingstukke wat Pompe [de bediende van Versluis in Delft] so sorgsaam vir hom opgevou en ingepak het, besorg dat niks wat moontlik in die vreemde van nut sou kan wees, vergete sal bly nie. Hy haal sy toiletstel te voorskyn, die skeerstel met skeerriem, die boordjiedoos en houers vir mansjetknope en boordjieknoppies, die lessenaartjie […], die reisdeken, die kussing, die sakfles, die sluier wat as beskerming teen die son gekoop is.”

Lichamelijkheid is voor Versluis kwetsbaarheid en daarom bedreigend. In de eerste plaats door zijn eigen ziekte die elke controleerbare ritualisering overhoopgooit. Daarnaast vindt de ervaring van ziekte ook plaats in de confrontatie met het Schotse meisje dat in de hotelkamer ‒ zijn eerste verblijfplek – naast de kamer van Versluis aan long-tbc sterft. Ingrijpen terwijl het meisje een vreselijke hoestbui heeft, is voor Versluis onmogelijk.

Deze situatie herhaalt zich wanneer Versluis een nacht bij de doodzieke, eveneens uit Nederland afkomstige Gelmers moet waken. Hoewel Versluis dat zeker niet zo bedoelde, sterft de armetierige Gelmers zelfs in zijn armen. Deze nacht vormt ook een breuk met de strenge sociale scheidslijnen die in Nederland golden. Het maakt voor Versluis een wereld van verschil of je uit een deftig grachtenpand in Delft of van een simpele boerderij in de buurt van Meppel afkomstig bent. De sterfscène van Gelmers is onthullend. De spiegel in de kamer van Gelmers is op verzoek van Gelmers met een handdoek bedekt. De handdoek is van de spiegel afgegleden:

“In die gloed van die nagliggie sien hy sy beeld weerkaats, hare verward en hemp verkreukel en gevlek, met in sy omarming, teen sy bors aangedruk, die liggaam van die vreemdeling, asof dit koestering of beskerming is wat hy die man probeer bied. Lank kyk hy na daardie spieëlbeeld sonder om die werklikheid daarvan te besef, soos ’n verre beeld wat deur die omraming van ’n venster gesien word […]”

(297, 298).

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.