Jeroen de Ridder – Betere antwoorden op klassieke catechisatievragen

Onlangs werd dr.ir. Jeroen de Ridder (1978) benoemd tot bijzonder hoogleraar christelijke filosofie aan de RUG. Hij is niet te betrappen op een vage gedachte, en dat is ook niet vreemd voor iemand die de deugden van helderheid en nuchterheid nastreeft. Jeroen noemt zichzelf een studeerkamergeleerde, maar dan wel een die steeds meer vragen uit het gewone leven meeneemt de studeerkamer in.

We spreken elkaar aan de VU, op de elfde verdieping, waar je een mooi uitzicht hebt. Het klassieke grapje dat een filosoof het leven beschouwt en dus aan het werk is als hij uit het raam kijkt, is niet op hem van toepassing. “Ik kijk de hele dag naar een scherm. Daar komt het op neer.”

Hij krijgt vooral ideeën door te lezen en zich af te zonderen. Minder door met anderen te praten. En hij is al helemaal niet het type filosoof dat nadenkt door tegen anderen aan te praten.

Je bent bijzonder hoogleraar christelijke filosofie geworden. Van harte! Ik wist alleen niet dat er iets gaande was. Anders had ik natuurlijk zelf ook gesolliciteerd.

Dat snap ik. Ja, het proces van benoeming is een aantal keren veranderd. Eerst zou er een open sollicitatieprocedure komen, waarbij ik overigens al wel duidelijk in beeld was. Maar later wilde de Faculteit Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschap in Groningen mij toch rechtstreeks benoemen. Daar had ik natuurlijk geen bezwaar tegen.

Theologie… de oude WdW’ers zullen hun wijze hoofd hebben geschud. Ze moeten weer buigen voor een afgetreden koningin.

Het was inderdaad het commentaar dat ik kreeg van sommige mensen: “Gefeliciteerd, maar toch een beetje jammer. Het is niet onze natuurlijke habitat.” Ergens is dat wel waar, maar voor mijzelf speelt het helemaal niet, en ik denk verder voor niemand. Vanuit de traditie van de Wijsbegeerte der Wetsidee was de relatie tussen theologie en filosofie soms wat gespannen, zeker op VU. Maar als je breder kijkt, of verder teruggaat, naar de Middeleeuwen bijvoorbeeld, is het moeilijk überhaupt verschil te zien tussen theologie en filosofie.

Seculiere filosofen vinden christelijke filosofie gewoon theologie.

Ook dat.

De Stichting voor Christelijke Filosofie heeft in elk geval weer een plek in Groningen. Want de Faculteit Filosofie moest niets van christelijke filosofie hebben.

Inderdaad. Maar dat gold niet alleen de Stichting voor Christelijke Filosofie. De faculteit wilde af van álle bijzondere leerstoelen, ook die van Socrates en Thomas More. Theologie had al een heel koor van bijzonder hoogleraren en daartussen was ik van harte welkom.

Wat is je sponsorprofiel?

In mijn geval is dat lastig, want ik ben alleen maar filosoof. Andere bijzonder hoogleraren hebben naast hun functie een baan die meer maatschappelijk is ingebed. Vergeleken met hen ben ik een pure studeerkamergeleerde.

Je bent van de vita contemplativa.

Zo zou je het in termen van Hannah Arendt inderdaad kunnen zeggen.

Maar dat contemplatieve leven heeft al sinds Plato geen contact meer met de activiteiten van alledag.

Nou, ik leid verder wel een gewoon leven hoor, met een gezin, kinderen, vrienden, sport, eten en wat dies meer zij.

Maar je lost studeerkamervragen op een studeerkamermanier op.

Ja, zo zou je het kunnen zeggen, maar ik weet niet wat daar slecht aan is.

Ik ook niet. Maar ik probeer erachter te komen wat de relatie is van die studeerkameraangelegenheden met het gewone leven.

Ik denk dat die zogeheten studeerkamervragen of filosofische vragen opkomen uit dat gewone leven. Een mens reflecteert nu eenmaal. Als je eet en drinkt en je gewone dingen doet, dan schiet het je waarschijnlijk niet direct te binnen maar de grote filosofische vragen – wat kun je weten, wat zijn goede argumenten, ben ik vrij, ben ik verantwoordelijk voor wat ik doe, is er een zin, bestaat er een god? ‒ al dat soort vragen zijn niet wereldvreemd. Het is niet zo dat niemand daar nu ooit aan gedacht heeft, totdat hij een cursus filosofie ging doen… Nee, ik zie filosofie juist als een verlengstuk van alledaagse reflectie. Het is grondiger en systematischer, maar ik zie wel een kort lijntje.

Daarnaast is filosofie natuurlijk ook een academische discipline met een traditie van duizenden jaren, waardoor je soms op de vierkante millimeter bezig bent met details, waardoor de begrijpelijke associatie met een ivoren toren opkomt.

Veel van je vragen zijn gesloten vragen, en het type filosofie dat je bedrijft leidt ook tot gesloten antwoorden: bestaat God? Ja, want… en dan komt een rij plausibele argumenten. Is er zin? Ja, want… Afgezien van het feit dat het moeilijk is om de redeneergang te reproduceren en daarmee zelf overtuigd te blijven, zijn zulke antwoorden ook geen eindpunt maar een beginpunt: als God bestaat, op welke wijze bestaat hij dan en hoe kan ik daarmee in contact komen? Als er zin is, hoe moet ik dan leven?

Zelf denk ik vaak: als ik zomaar iets denk, of zomaar iets geloof terwijl ik op geen enkele manier kan uitleggen waarom dat zo zou zijn of hoe je daar op een zinnelijke manier over na kunt denken, dan zou ik me daar niet helemaal prettig bij voelen. Als ik me afvraag: hoe moet ik leven? En ik denk: gewoon, zoals het goed voelt, dan zou ik denken, waarom? Waarom is dát het criterium?

 

Heb je die waaromvraag niet bij het antwoord dat je zelf geeft op de vraag hoe je moet leven?

Als ik voor mijn antwoord goede redenen zie, en als ik zie dat het is ingebed in een brede gemeenschap en een bepaalde continuïteit heeft in een lange traditie, dan krijg ik meer vertrouwen dat het waarschijnlijk een goede optie is. Absolute zekerheid is daarbij een stadium dat we nooit bereiken, op geen enkel gebied.

Voor jou is er dus een soort tussengebied tussen de harde zekerheid van de wetenschap en de onzekerheid van willekeur.

Ja.

Grappig. Bij mij werkt het heel anders.

Vertel.

Redeneringen zeggen me niet zoveel. Je kunt jezelf van alles wijsmaken. De ontroering of het aangeraakt zijn, goede ervaringen, herinneringen aan goede ervaringen leggen veel meer gewicht in de schaal. Niet het argument.

Dat is interessant. Natuurlijk kunnen ervaringen en emoties mij ook raken. Maar bij mij kan dat evenzeer via argumenten lopen. Misschien ben ik een beetje raar, maar ik kan ook echt geraakt worden door goede argumenten. Als iemand een heldere onderscheiding maakt, denk ik, wow, nu zie ik het! Zo’n gevoel dat je vroeger bij wiskunde ook kon hebben als het kwartje viel. Wow! Je hoeft dan geen regeltjes meer te leren, maar je doorziet als het ware de structuur van een probleem. Dat beleef ik in de filosofie ook. En ga ervan uit dat studenten ook in die wereld van redeneren en argumenteren zitten, dus ik verwacht toch wel enige aansluiting.

Om eigen mijn verhaal af te maken: een van de meest waardevolle gedachten van Dooyeweerd is voor mij dat wetenschap altijd in lijn moet liggen met de algemene menselijke intuïtie. Als de wetenschap niet klopt met onze alledaagse ervaring is er een grote kans dat de wetenschap ernaast zit en niet andersom. Vandaar mijn opmerkingen.

Dat ben ik met je eens. Het is een gezonde stelregel. Ik zou die alleen niet massief maken. Beetje flauw voorbeeld, maar een idee dat duizenden jaren uitmaakte van het gewone leven was dat de zon om de aarde draaide: Kijk maar naar buiten! Dat beeld is door de wetenschap gecorrigeerd.

Maar onze beleving is nog altijd onveranderd. Mensen applaudisseren wanneer ze de zon indrukwekkend in de zee zien zinken. Het applaus is niet voor de rotgang waarmee we ons van de zon afwenden. En met het beeld van de opgaande zon is nog altijd de hogepriesterlijke zegen verbonden. Gods gelaat verheft zich over ons.

Inderdaad. Er is een mooie anekdote over Wittgenstein die dat punt ook maakt. Wittgenstein vraagt daarin aan een vriend: “Waarom zeggen mensen toch altijd dat het vanzelfsprekend was voor mensen om aan te nemen dat de zon om de aarde draaide en niet andersom?” De vriend antwoordt: “Dat is logisch, omdat het nu eenmaal zo uitziet.” Waarop Wittgenstein reageert: “Nou, maar hoe had het er dan uit moeten zien als het eruit had gezien alsof de aarde draait?” Met andere woorden, hoe het allemaal achter de schermen zit, is lood om oud ijzer. Onze ervaring blijft onze ervaring. Desalniettemin, als we zeggen dat de zon opkomt realiseren we ons wel degelijk dat het eigenlijk anders zit.

Je bent ook ingenieur. Wat is je vak?

Ik heb technische bestuurskunde gedaan in Delft. Op de middelbare school kon ik alle vakken wel. Ik koos daarom voor de combinatie van techniek en bestuurskunde. Maar op den duur vond ik dat toch frustrerend. Het was van alles wat en niet helemaal mijn ding: erg praktijkgericht en toegepast. Je dook nergens echt diep in.

Hoe ben je op het spoor van de filosofie gezet?

Toen ik ging studeren wist ik niets van filosofie af. Het eerste filosofieboek dat ik las, kreeg ik van een huisgenoot: Schopenhauer over de vrije wil. Ik raakte gefascineerd. Dat smaakte naar meer! Ik ging naar de bieb en las boeken over de geschiedenis van de filosofie. Ook dat was niet saai. Ik vermaakte me wel met die oude Grieken als Diogenes en hun spannende verhalen. Het paste allemaal in het grootse en meeslepende aura dat Schopenhauer voor mij had opgeroepen. Samen met diezelfde huisgenoot las ik Karl Popper en Bertrand Russell. Toen was ik verkocht. Ik volgde keuzevakken filosofie, onder meer bij Egbert Schuurman.

Toen ik was afgestudeerd dacht ik, moet ik nu een baan gaan zoeken in het spoor van mijn studie, waar ik al niet meer zo enthousiast over ben, of wil ik verder in de filosofie? Dat laatste heb ik gedaan en wel aan de VU. Na anderhalf jaar studie kwam er in Delft een promotieplek beschikbaar waar ze iemand zochten met zowel een technische als filosofische achtergrond. Dat was een goede match voor mij. Het was niet ideaal omdat ik tegelijk promoveerde en studeerde, met als merkwaardige afloop dat ik eerder ben gepromoveerd dan afgestudeerd (althans, in de filosofie).

Waarop ben je gepromoveerd?

Ik heb een studie gedaan naar wat je zou kunnen noemen toegepaste wetenschapsfilosofie, het proefschrift heette Reconstructing artefacts. Ik was onderdeel van een groter onderzoeksproject in Delft dat draaide om een empirische wending in de techniekfilosofie. De bestaande techniekfilosofie in de geest van Heidegger, Ellul, Schuurman dacht alleen van grote afstand na over techniek: reflecties over techniek en cultuur, over de autonomie van technologische ontwikkelingen. In Delft wilden ze graag detailstudies doen naar concrete techniek. Wat gebeurt daar, filosofisch gezien? Vandaar die aanduiding ‘empirische wending’.

Na mijn promotie heb ik eerst her en der onderwijs gegeven (TU Delft, VU, TU Eindhoven). Tegelijkertijd probeerde ik een projectbeurs aan te vragen bij NWO, zoals wij wetenschappers dat tegenwoordig allemaal proberen. De derde keer lukte het. Dat was mijn kans om aan de VU serieus verder te gaan met filosofie en weer meer tijd te krijgen voor onderzoek. Uiteindelijk heeft me dat hier een vaste baan opgeleverd.

Wat was het thema?

Het ging over commercialisering van wetenschap. Zeer actueel. We hadden bijvoorbeeld onlangs die affaire met het WODC, het onafhankelijk onderzoeksinstituut van het Ministerie van Justitie. De resultaten van onderzoeken bleken te zijn gemanipuleerd door ambtenaren. Dat was dan weliswaar geen commercialisering omdat het de overheid betrof, maar het mechanisme is bekend. Als onderzoek gefinancierd wordt met privaat geld of, zoals in dit geval, overheidsgeld, wat doet dat dan met de betrouwbaarheid van wetenschap, met de bereidheid van wetenschappers om data te delen, enz.?

Heb je je onderzoek ergens op toegespitst, bijvoorbeeld op de geluidsmetingen rond Schiphol?

Haha, ja, dat is ook een goed voorbeeld. Ik las vandaag toevallig dat Schiphol weer door mocht groeien, omdat het toch weer haalbaar bleek binnen de normen. Ik heb gekeken naar een aantal domeinen, maar de invloed van de farmaceutische industrie op biomedisch onderzoek was de meest sprekende case study. Daar gebeurden echt onverkwikkelijke dingen. Slodderwetenschap, zouden we dat inmiddels noemen.

Precies wat jij nu zegt, heb ik eens geformuleerd als vraag, en daarmee een Wagenings onderzoeker benaderd of hij daarover wilde schrijven voor Soφie. Toen kreeg ik als antwoord: ik ga niet schrijven voor zo’n links blaadje. Ik was me van geen kwaad bewust, noch van links, noch van rechts, maar kennelijk rust er binnen de wetenschap een taboe op deze vraag.

Wageningen heeft zich sterk geprofileerd als de universiteit die samenwerkt met de industrie op allerlei gebieden. Daarom zal het gebruikelijker zijn aan meer algemene universiteiten om daarover na te denken. Het lastige is natuurlijk dat zo’n relatie met een geldschieter niet altijd slecht of verkeerd hoeft te zijn voor wetenschappelijk onderzoek. Neem weer dat farmaceutische onderzoek; als de ontwikkeling van medicijnen alleen met overheidsgeld moet, kan het gewoon niet. Commerciële partijen zijn nodig. De vraag is dan: hoe kun je dat goed reguleren? Dat is een betere vraag dan moeten we dit wel of niet willen?

Hoe zag jouw eigen onderzoek eruit?
Ik heb in kaart gebracht op welke wijze er invloed wordt uitgeoefend. Dat kan gaan van directe beïnvloeding van de resultaten (‘We willen dat je dit opschrijft, anders trekken we onze financiering in’) tot het masseren van de resultaten zodat ze net wat gunstiger zijn voor het bedrijf. Ook een opvallend fenomeen is ghost authorship: bedrijven schrijven kant-en-klare artikelen en benaderen daarmee gerenommeerde wetenschappers om er hun naam aan te verbinden.

Hoe komt zo’n fenomeen aan het licht? Saneert de wetenschap dan toch zichzelf?

Ja, in zekere zin wel. Tijdschriften zijn strenger geworden in het eisen van transparantie over alle aspecten van onderzoek en ze eisen dat auteurs ook daadwerkelijk hebben bijgedragen aan artikelen die ze publiceren. Natuurlijk kun je met geen enkele regel, hoe strikt ook gehandhaafd, fraude uitsluiten. Maar er is zeker zelfreinigend vermogen van de wetenschap.

In de voorbeelden die ik noemde gaat het om duidelijke situaties, bijna illegale praktijken. Wat lastiger is aan te pakken is de meer indirecte beïnvloeding, als agendabepaling. Als er commercieel geld naar de wetenschap gaat, moet het onderzoek zijn waar de geldschieter wat aan heeft. Neem weer het voorbeeld van medicijnen: farmaceutisch onderzoek richt zich op ziektes die rijke, westerse mensen hebben, want daar valt geld mee te verdienen. Het betekent ook dat het geld wordt gestoken in pillen maken, en niet in bijvoorbeeld voeding of levensstijlinterventies, want dat levert niets op voor de industrie.

Als je het van een afstandje bekijkt en de problemen langs de meetlat van impact wereldwijd legt, moet je zeggen dat de urgentie voor het ontwikkelen van medicatie niet ligt bij westerse welvaartsziektes – hoe vervelend ze ook zijn – maar bij allerlei ziektes in de Derde Wereld. Maar dat gebeurt niet omdat er geen geld mee valt te verdienen.

Waarom zou een onderzoeker Soφie een links blaadje noemen, als hem de vraag wordt gesteld naar beïnvloeding van zijn onderzoek?

Beïnvloeding gaat subtiel en gebeurt vaak zonder kwade opzet. Als je lange tijd samenwerkt met een commerciële partij, ga je je onbewust vereenzelvigen met de belangen van degene met wie je samenwerkt. Je internaliseert de normen en ideeën. Dat hoeft niet per se het gevolg te zijn van manipulatie. Het kan een versmelting zijn van belangen.

Je bent jong, want je bent lid van De Jonge Akademie van de KNAW.

Klopt. Dat duurt vijf jaar. Dan ben je officieel niet meer jong. Dus in 2021 betreed ik de ouderdom. Mijn lot is bezegeld.

Wat zijn de voorrechten en plichten van een lid van De Jonge Akademie van de KNAW?

We proberen goede dingen te doen voor de wetenschap. Er zijn vier gebieden waarop we actief zijn: wetenschapsbeleid (hoe kunnen we de wetenschap goed organiseren), wetenschap en maatschappij (hoe kunnen we wetenschap en de resultaten ervan onder de aandacht van het grote publiek brengen), interdisciplinariteit en internationalisering.

Ik zie nog geen plaats of product.

Het gaat allemaal heel organisch. Je kunt zelf je projecten starten. Er borrelt van alles op. Sommige dingen sterven een zachte dood, andere dingen gaan lang mee, en dan komt er bijvoorbeeld een rapport of advies uit. Het drijft allemaal op de goodwill van de betrokkenen en de professionele ondersteuning van de KNAW. Met de NS en het Spoorwegmuseum hadden we in het voorjaar bijvoorbeeld het Experiment Event. Met kinderen en hun ouders deden we allerlei proefjes. Ik heb daarin elk geval geleerd dat er een grote voorkeur is voor dingen die herrie maken en ontploffen. Scheikundigen hebben het makkelijker dan filosofen om aandacht te krijgen.

Welke deuren worden er allemaal voor je geopend met deze positie?

Je merkt dat je makkelijker binnenkomt. De KNAW heeft gezag en geldt als de crème de la crème van de wetenschap. Ik ben calvinist genoeg om te zeggen dat ik het niet verdiend heb, maar ik gebruik het wel. En niet alleen voor mezelf. Ook als ik bijvoorbeeld een aanbeveling moet schrijven voor een student. Je merkt dat media gevoelig zijn voor deze status. We hadden onlangs een opiniestuk geschreven over regeldruk in het onderwijs op het onderwijsblog van NRC. Dat werd zeer veel gelezen, waarop zelfs een uitnodiging volgde van het Ministerie van Onderwijs.

Wie hebben je geïnspireerd?

De filosofen die ik al noemde, Russell en Popper. Wat is nu eigenlijk wetenschap? Dat was de vraag die ik had tijdens mijn studie en die vraag kwam voort uit frustratie. Wat is nou het verschil tussen wetenschap en een mening? Maar zeker ook Dooyeweerd en Vollenhoven en hun volgers, over wie ik via Egbert Schuurman en ook mijn schoonvader veel heb geleerd. Via René van Woudenberg kwam ik later in contact met Engelse en Amerikaanse christenfilosofen: Plantinga, Wolterstorff, Swinburne enz. Ook zij hebben mij blijvend geïnspireerd en het is de reden waarom ik met godsdienstfilosofie bezig ben gebleven.

Wat trekt je in hen?

De helderheid en nuchterheid. In contrast met de mystificerende antwoorden die je vroeger op catechisatie kreeg. Predikanten namen, voor zover ik het me herinner, al gauw de toevlucht tot de uitspraak dat we niet alles van God kunnen begrijpen, of dat Gods wegen hoger zijn dan onze wegen. Ik vind dat een onbevredigend antwoord bij de eerste de beste kritische vraag. Voor mij was het een openbaring dat je veel verstandige dingen kunt zeggen als je problemen nader analyseert en argumenten tegen elkaar afweegt. Wat mij ook enorm heeft geholpen is meer zicht op tweeduizend jaar denkgeschiedenis in de christelijke traditie. De wereld is niet in 1944 begonnen bij de Vrijmaking, wat toch een beetje mijn perspectief was. De Middeleeuwen waren zo duister niet als ze worden afgeschilderd en veel sleutelfiguren in de vroegmoderne wetenschappelijke revolutie, zoals Newton, Kepler, Boyle, Galileo waren allemaal gelovige christenen die daar niet beschaamd over waren.

Terug naar de catechisatievraag, bijvoorbeeld over het waarom van een ernstige ziekte. Welk antwoord heb je gekregen dat verder gaat dan de dooddoener Gods wegen zijn hoger dan uw wegen?

De onderliggende vraag is hoe het zit met het kwaad in de wereld. Zonder dat je nu van een bepaald mens kunt aangeven waarom het kwaad specifiek hem of haar treft, kun je wel in algemene zin zeggen, waarom er kwaad zou kunnen zijn en waarom het verenigbaar zou kunnen zijn met het bestaan van een algoede God. Er is de vrije wil, er is de gedachte dat sommig kwaad mee kan werken ten goede, er is de gedachte dat sommig goed alleen tot stand kan komen door kwaad. Hoe kun je anders moedig zijn? Moed geldt als een positieve deugd, maar hoe je kun je het zijn als er geen gevaar is?

Zouden die antwoorden je vroeger bevredigd hebben?

Dat weet ik niet. Misschien had ik de antwoorden dan alsnog niet overtuigend gevonden, maar het is wel vreemd dat er zoveel kennis op dit gebied niet wordt overgedragen.

Wat is je eigen drijfveer hierin? Heb je een vaststaande overtuiging waar je goede argumenten bij zoekt, of ben je op zoek naar de waarheid?

Dat is een moeilijke grens om te trekken. De psychologie vertelt ons dat, hoe je het ook wendt of keert, mensen altijd ook bezig zijn om hun eigen gelijk bevestigd te krijgen. Ook wetenschappers doen dat, al denken wij van onszelf dat we open en neutraal zoeken naar de waarheid.

Van de christen-filosofen die je noemde heb ik zelf een droog beeld, behalve van Wolterstorff. Andere filosofen die je noemde, stonden ook volop in de maatschappij, zoals Popper en Russell. Schopenhauer was een sprankelend schrijver. Mis je dat allemaal niet achter je scherm?

Ja, goeie vraag. Maar geen misverstand: van Schopenhauer sprak me naast dat sprankelende ook zijn helderheid van denken aan. En de analytische filosofie is ook in beweging, hoewel dat misschien naar buiten toe nog niet zo goed zichtbaar is. Analytische filosofen werken tegenwoordig aan veel meer thema’s dan alleen logica en definities van kennis en dergelijke. Er is aandacht voor liturgie, voor transformatieve ervaringen (mensen die een radicale wending meemaken), voor de zin van het leven en nog veel meer. Zelf ben ik bezig met de vraag naar kennis en democratie: sommige politieke filosofen verdedigen liberale democratieën op basis van het feit dat die democratieën goed zijn in het produceren van kennis. Het idee is dat in een liberale democratie iedereen mee mag praten en dat zodoende de waarheid boven komt drijven. Klinkt leuk, maar in het echt gaat het op allerlei manieren mis. Denk aan machtsverschillen waardoor sommigen niet echt mogen meepraten en worden weggehoond. De Brexit is een pijnlijk voorbeeld van hoe dit ideaal stukloopt. In dit project draait het dan wel om epistemologie, maar het zit toch een stuk dichterbij het alledaagse leven dan hoog-theoretische academische vragen als wat is kennis?

Hoe belangrijk is filosofie voor je?
In de wetenschap is er de voortdurende verleiding om je onderzoek heel belangrijk te vinden er helemaal ingezogen te worden. Je komt vooruit door meer te schrijven of belangrijkere dingen te schrijven dan anderen. Daardoor wordt al je tijd opgesoupeerd, althans, het risico is groot. Maar ik probeer mezelf er steeds weer aan te herinneren dat het een vergissing is om daar je hoogste prioriteit van te maken. Wat echt belangrijk is immers mijn gezin, mijn vrouw en vier kinderen, mensen die op ons pad komen, samen leuke dingen te doen, of andere mensen helpen als dat nodig is. Maar ik moet bekennen dat er een verschil is tussen ervaren prioriteiten en reflexief vastgestelde prioriteiten.

Wat is je droom in Groningen?
Samen met studenten nadenken over de grote vragen. Het bestaan van God is er daar een van, maar er zijn er veel meer. Veel mensen hebben een simplistisch en sciëntistisch beeld van het leven aan een universiteit, en breder, hun persoonlijk leven – dat vind ik zonde.

Maar die mensen komen natuurlijk nooit naar jouw college. Hoe ga je hen verleiden?

Ik bewonder Amerikanen soms om hun slimme marketing. Die noemen een college dat eigenlijk gewoon een inleiding in de filosofie is dan bijvoorbeeld: God, seks, leven en dood. Verder kun je natuurlijk ook de omgekeerde beweging maken en de studenten opzoeken. Zorgen dat je hen ontmoet.

Ik wil wel een poster maken, ‘Swaab is poep’.

Wie weet helpt het; leef je uit!

Hoe ga je die omgekeerde beweging aanpakken? Wat zal je publiek zijn?

Veel zal afhangen van de kanalen en mogelijkheden die er in Groningen zijn. Programma’s zitten tegenwoordig vaak zo dichtgetimmerd dat er weinig ruimte is om zomaar een keuzevak te volgen. Ik wil de opties zo snel mogelijk gaan verkennen. De studenten theologie die het primaire bereik zijn, vormen maar een klein groepje. Ik wil liever iets wat toegankelijk is voor de hele universiteit. Daarnaast wil ik de interactie zoeken met de studentenverenigingen. Kunnen we samen iets doen? Waar hebben studenten het over als ze geen bier aan het drinken zijn?