‘Hoogtevrees?’ vroeg Pluk, ‘een eekhoorn met hoogtevrees?’ – Ironie in de kinderboeken van Annie M.G. Schmidt

Illustratie, Ironie in de kinderboeken van Annie M.G. Schmidt

Sommige ironie is voor kinderen te herkennen, zoals de titel hierboven, uit het boek Pluk van de Petteflet. Maar de meeste ironie is gericht op de volwassen voorlezers. Kinderboeken hebben een dubbel publiek, waarvoor Annie M.G. Schmidt een dubbele bodem creëert. Kinderen zijn nooit het slachtoffer, stelt Judith Hoogland. Wel de volwassen voorlezer die in staat is de ironie te herkennen.

In de kinderboeken van Annie M.G. Schmidt is veel ironie te vinden. Om die te kunnen herkennen is achtergrondkennis van Schmidt, haar leven en haar poëtica nodig, evenals kennis over de maatschappelijke actualiteit van toen. Soms zijn tegenstrijdigheden binnen de boeken ironisch te noemen, zonder dat het nodig is kennis van buitenaf te hebben wanneer het gaat om tijd- en plaatsbepalingen. Deze laatstgenoemde tegenstrijdigheden zijn voor kinderen het best waar te nemen, alhoewel het de vraag is of zij dit ook daadwerkelijk opvatten als ironie.
In mijn artikel bespreek ik vooral de vorm van ironie die kinderen niet of nauwelijks opvalt. Deze speelt namelijk een grote rol in de dubbelzinnigheid van kinderboeken. Deze ironie hangt nauw samen met de maatschappelijke thematiek. De door Schmidt meest gebruikte vorm van ironie is het best terug te voeren op de door Currie en De Graaf beschreven pretense-theorie. Deze theorie gaat ervan uit dat de ironicus doet alsof hij iemand anders is.
Schmidt voert sprookjesachtige elementen op tegen een realistische achtergrond. Deze sprookjesachtige elementen zijn voornamelijk zichtbaar in de rol van de karakters: dieren die praten, kinderen die heel wijs zijn voor hun leeftijd en volwassenen die zich eigenlijk heel onvolwassen gedragen. De karakters hebben, naast hun vaak komische voorkomen, daardoor meestal ook een scherp randje (the edge of irony). De helden in de boeken van Schmidt zijn eigenlijk altijd kinderen; of dit nu daadwerkelijk kinderen zijn, zoals in Pluk van de Petteflet en Otje, of volwassenen die eigenlijk nog kind zijn, zoals Tibbe en Minoes in Minoes. De karakters in de boeken van Schmidt zijn echter niet degenen die ironisch (willen) zijn. Sterker nog: de ironie in de karakters speelt zich vaak zelfs boven hun eigen hoofd af. Dit zorgt er (mede) voor dat de diepere betekenislaag door kinderen niet als storend ervaren wordt: het is niet alleen dat zij de ironie niet zien, zij zijn ook niet geïnteresseerd in deze ironie. De voorbeelden in dit artikel bevatten bovengenoemde kenmerken. Schmidt maakt in haar werk veel gebruik van tegenstrijdigheden, maar hier is niet altijd direct sprake van ironie. In Pluk van de Petteflet zijn hiervan veel voorbeelden te vinden zoals het eekhoorntje Duizeltje met hoogtevrees, de kakkerlak Zaza als beste vriend en de Krullevaar die zichzelf een uitgestorven vogel noemt. Deze tegenstrijdigheden zijn vaak expliciet zichtbaar omdat deze tegenstrijdigheden benoemd worden. In het geval van Duizeltje bijvoorbeeld: “‘Hoogtevrees?’ vroeg Pluk. ‘Een eekhoorn met hoogtevrees?’”
De tegenstrijdigheden die in dit artikel van belang zijn, worden echter niet expliciet genoemd en hebben vaak een relatie met de buiten het verhaal staande werkelijkheid; een werkelijkheid waarmee kinderen zich niet of nauwelijks bezighouden en die voor hen in het verhaal op dat moment ook helemaal niet relevant is. Het slachtoffer van de ironie is niet altijd degene boven wiens hoofd de ironie zich afspeelt. Het kan zijn dat de ironie juist gericht is op de persoon die heel goed begrijpt wat er bedoeld wordt. In het geval van Schmidt zijn dit vaak de (voorlezende) volwassenen of de wereld waartoe zij zich verhouden, buiten het verhaal.

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.