Iemke Epema: Als ik niet vertrouw dat er goedheid is, kan ik wel ophouden

Iemke Epema

Deze maand promoveerde ds. Iemke Epema op het proefschrift ‘Niets gaat ooit verloren’, een studie naar transcendentie en transformatie in het denken van Charles Taylor. Deze studie laat zien wie Iemke is: ze wil alles begrijpen. Begrijpen wat de mens is, wie God is, hoe het geloof in elkaar zit. Daarom ging ze ooit theologie studeren. Later volgde een soort roeping tot predikant, vanuit haar passie dat het in de kerk om de inhoud gaat. Als we die inhoud een beetje begrijpen, verandert er veel. Ten goede. Meer dan door welke actie ook.

Iemke Epema groeide op in Roden. Ze ging graag naar de kerk, een gereformeerde kerk (synodaal). Haar moeder was van huis uit hervormd, haar vader vrijgemaakt. Even waren haar ouders samen vrijgemaakt. Op dat moment werd Iemke gedoopt. Ze beschikt dus over de juiste papieren. Als ze bij haar opa en oma logeerde, bijvoorbeeld met oudjaar, ging ze naar hervormde kerk. Een mooi oud gebouw met een indrukwekkend orgel. Iedereen kon er gewoon over de drempel stappen en was er welkom. Het bezorgde haar een ander gevoel dan ze kende van de gereformeerde kerk in het dorp. Dat was een kerk waar je lid van moest zijn om erbij te kunnen horen. Gereformeerden vormden samen een club. Ze stonden ergens voor. De hervormden hadden een wat lagere drempel. Het was er wat mystieker. Na de middelbare school ging Iemke een jaar naar Frankrijk en woonde in het gastenhuis van een Dominicanessenklooster bij Parijs. Ze maakte schoon en hielp met de ontvangst van de gasten. Tegelijk kreeg ze iets mee van het kloosterleven. Dat vond ze fascinerend. Mede daardoor werd ze op het spoor van de theologie gezet. Om de wereld te kunnen begrijpen, was theologie de studie die haar het meest trok. Voor haar moeder was de kerkgang belangrijk. Haar vader kon het in haar jeugd in de kerk niet goed vinden. Door de studie wilde ze uitvinden waar ze nu zelf stond. Ze meldde zich in Groningen, omdat de duplex ordo haar het best paste. Als ze predikant wilde worden, kon dat altijd nog wel. Ze kreeg college van bekende oudtestamentici als Van der Woude en Labuschagne. Ze werd gegrepen door het vak Kerkbouw van Regnerus Steensma. Maar toch koos ze naast het bijvak Godsdienstwetenschappen Kerkgeschiedenis als hoofdvak, niet in de sfeer van jaartallen en feitjes, maar in de sfeer van ideeëngeschiedenis. Ze schreef een scriptie over de Britse schrijfster George Elliot, die agnost werd nadat ze Das Leben Jesu van Strauss en werk van Feuerbach in het Engels had vertaald. Tegelijk bleef Elliot op zoek naar iets van een geloof. In haar tijd, het Victoriaanse tijdperk, wordt al merkbaar dat er een kader aan het wegvallen is.

Na haar studie ging ze een jaar naar Leipzig. Op het moment dat ze het voornemen kreeg, vond de Wende plaats en toen ze er een week woonde was de Wiedervereinigung van Oost- en West-Duitsland een feit. Het was een periode van enorme veranderingen. Het hele leven lag overhoop. De stad kreeg een ander gezicht. Gebouwen werden opgeknapt. Mensen gingen bewust nadenken: in wat voor samenleving zijn we nu terechtgekomen en willen we dat? Voor kerken en predikanten werd de vraag: wat is onze plek nú? In zekere zin was het een revolutionaire omslag, in elk geval heel plotseling, niet geleidelijk. Iemke ondervond dat de kerk een belangrijke betekenis heeft voor de samenleving. Maar er gebeurden ook heel wonderlijke dingen: predikanten gingen bijvoorbeeld ineens veel meer verdienen, waarbij de vraag was: kunnen we dit accepteren? Dat was echt een gewetensvraag: van een kritische outsider ging je als predikant ineens tot de gevestigde orde behoren, met dito beloning. Na dat jaar besloot ze de kerkelijke opleiding te volgen en het risico te aanvaarden dat ze ooit predikant zou worden. Ze begon in een paar dorpen in Noord-Groningen, rond Eenrum, het Hoge Land, een heel mooi stukje Nederland. Daarna ging ze naar Enschede en werd stadspredikant. Een omgeving die veel ‘geseculariseerder’ is dan Zwolle, waar ze sinds 2005 verbonden is aan een protestantse gemeente die zich ‘ruimzinnig’ noemt.

Waarom ben je ooit predikant geworden?

Dromen en idealen zijn moeilijk om goed terug te halen. Ik vond en vind dat het belangrijk is dat er een kerk is en dat die blijft bestaan. Niet als een eilandje maar in verbinding met de cultuur en de samenleving. Ik vind het belangrijk dat het Bijbelse verhaal verteld wordt, dat er een plek is waar mensen nadenken over hun leven, gekoppeld aan dat Bijbelse verhaal, dat ze samen een gemeenschap vormen van heel verschillende mensen en anderen de mogelijkheid bieden om daaraan deel te nemen.

Over het terughalen van de motivatie voor het ambt: Ik denk soms dat ik er toen redelijk naïef in stond. We zien wel waar we uitkomen en het geloof zal altijd wel worden doorgegeven. Ik had wel een optimistisch beeld. We zijn als organisatie nu heel erg bezig met ons eigen voortbestaan. Ik had gedacht dat de inhoud de kern van mijn werk zou worden, Als mensen op zoek zijn naar het goede is dat al een transcendente beweging maar ik word nu soms in beslag genomen door zaken waar ik me eigenlijk helemaal niet mee bezig wil houden. Als je dit werk waardevol vindt, ga je natuurlijk ook moeite doen om het voort te zetten. Dat is op zich niet verkeerd, maar het kan ook vanuit een soort kramp gaan.

Het patroon herhaalt zich. Ik kwam het in mijn eerste gemeente tegen. Een aantal dorpjes had samen een streekgemeente gevormd, maar die was weer uit elkaar gevallen. Dat had bepaalde wonden geslagen waar ik in mijn tijd als predikant nog mee te maken had. In Enschede is nu één grote stadskerk gekomen. Dat waren eerst allemaal losse wijken. We hebben eindeloos veel vergaderd. In Zwolle is het meer van hetzelfde: de ene fusie na de andere. Dat is de bestuurskamer. Hoe ziet de kerkzaal eruit? Op zondag zitten er zo’n twee- tot driehonderd mensen in de kerk, en dat ziet er heel vitaal uit. Maar als je verder vooruit gaat denken: wat als de oude generatie wegvalt en niet alles zomaar wordt overgedragen zoals dat vroeger ging. Ik probeer er een beetje ontspannen in te staan. De zondagse erediensten blijven we houden: zingen, bidden, lezen en er een beetje uitleg bij krijgen. Ik vind dat nog steeds een goed concept.

Hoe ben je tot je promotieonderzoek gekomen?

Vlak nadat het boek uit was, in 2007 hebben we met een groepje theologen uit Zwolle A Secular Age van Taylor gelezen. Dat gebeurde onder leiding van de Kamper docent Gerrit Neven. Hij gaf aan de PThU colleges over Taylor. Wij gingen dan naar Kampen en dan deed hij voor onze groep hetzelfde programma als met zijn studenten. Zo gingen we door dat boek heen. Ik werd er heel enthousiast over. Toen kwam de vraag op, kunnen we er nog meer mee doen? Zo is het tot mijn onderzoeksvoorstel gekomen.

Wel een hele klus naast een volledige baan als predikant.

Het is niet alleen een klus, het is ook heel leuk om te doen. Het geeft een tegenwicht tegen al die bestuurlijke beslommeringen. Mij geeft het bovendien focus. Ik heb het altijd leuk gevonden om te lezen en te studeren, maar ja, je kunt zo veel lezen. Als je gericht bent, werk je ergens naar toe.

Heb je er verlof voor gekregen?

We hebben permanente educatie en dan kun je allerlei cursussen volgen, maar als je met zo’n project bezig bent, dan mag je al je tijd (drie weken per jaar) daaraan besteden. Dat heb ik vijf jaar gedaan, naast een 80%-aanstelling. Ik had dus één Taylordag in de week en dan nog drie weken Taylorvakantie. Plus in de zomer van 2016 drie maanden onbetaald verlof.

Knap werk. Ik kwam niet door Taylor heen.

Die klacht hoor je vaak. Hij schrijft inderdaad wijdlopig. Hij wil een brede cultuurgeschiedenis schrijven waarin alles meegenomen wordt. Het lijken uitweidingen, maar ze zijn onmisbaar voor het verhaal. Ik vind zelf dat hij helder schrijft. Maar het boek vraagt wel uithoudingsvermogen en dan helpt het om het in een groep te doen.

In de Reformatie gebeurt iets paradoxaals. We ontwikkelen een antropocentrisch wereldbeeld. De mens is weliswaar de kroon op de schepping, maar als koning tegelijk volkomen onwaardig.

Dat is inderdaad de paradox die Taylor wil aanwijzen. Eigenlijk was de Reformatie bedoeld om de transcendentie van God te benadrukken en de afstand tussen God en mens, maar omdat die afstand zo groot is geworden, gingen mensen het ook zelf maar een beetje uitzoeken. Het werden gescheiden werelden en dat was nu juist niet wat de Reformatie wilde bewerkstelligen. Daardoor ging het immanente zich sterk ontwikkelen, bijvoorbeeld via de wetenschap. De kosmos werd een autonome sfeer. Losgemaakt van God.

Kunnen we achter die vorm van secularisatie terug?

Niet volgens Taylor. En ik denk zelf ook niet dat dat kan. Taylor ziet zowel winst als verlies, en dat spreekt mij aan. Hij is misschien nog wel uitgesprokener over de winst dan over het verlies. Dat het immanente zo’n sterke plek heeft gekregen en dat de humaniteit zo belangrijk is geworden, is ook wel iets om heel erg blij mee te zijn. Alleen als het immanente kader hermetisch gesloten is en er helemaal geen openingen meer zijn voor transcendentie, verliezen we wel iets heel wezenlijks.

Hoe kunnen er dan toch openingen komen?

We kunnen niet terug naar de middeleeuwen waarin dat veel meer met elkaar verweven was. Die ontwikkeling zijn we gewoon doorgegaan dus moeten we daar ook mee zien te leven. Taylor is wel vrij optimistisch over de gedachte dat we toch niet genoeg zullen hebben aan een gesloten immanente wereld. Die zal altijd onbehagen oproepen waardoor ook altijd het verlangen zal worden gewekt naar iets hogers.

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.