Huib Kalsbeek: Het ongeloof is me overkomen

Huib Kalsbeek

Interesse voor filosofie werd Huib Kalsbeek (80) met de paplepel ingegoten. Zijn vader, Leendert Kalsbeek, schreef de populaire inleiding op het werk van de filosoof Herman Dooyeweerd, De Wijsbegeerte der Wetsidee; proeve van een christelijke filosofie, die hele generaties studenten (waaronder die van mij) vertrouwd maakte met het neocalvinisme. Tijdens zijn studie Tandheelkunde verloor Huib Kalsbeek zijn geloof. Zijn interesse echter voor filosofie en het respect voor zijn christelijke opvoeding bleven. Zo kan het dat hij als atheïst trouw deelneemt aan de Katwijkse studiekring reformatorische wijsbegeerte. “En ik hoef niet op mijn woorden te letten!”

Mijn vader is opgeleid op de school van mijn opa. Die was in Woerden hoofd van een lagere school en later ook van een zogeheten ‘normaalschool’. Je kon vanaf de lagere school doorleren tot aan je onderwijzersacte. Daar kreeg ook mijn moeder les. Het Kalsbeekcollege in Woerden is naar mijn opa genoemd. Mijn vader had aanvankelijk veel belangstelling voor biologie en wilde eigenlijk studeren, maar dan moest je colloquium doctum doen. Hij volgde daartoe privélessen Latijn bij een pater, maar moest constateren dat het leren van Latijn niet voor hem was weggelegd. Hij zag wel verbanden, maar feitenkennis, woordjes leren, het domweg stampen van werkwoordsvormen en naamvallen was niets voor hem. Ik heb datzelfde probleem. Later ontwikkelde hij belangstelling voor filosofie. De drie delen Wijsbegeerte der Wetsidee van Dooyeweerd gingen mee op vakantie. Als onderwijzer dacht hij: “Dit is wel heel moeilijk allemaal, dit moet ik eens gewoon goed uitleggen.” Dat kon hij goed. Hij kon heel helder schrijven. Zijn concepten gingen naar Dooyeweerd. Hij bracht ze zelf en leverde ze af bij de voordeur. Mijn vader werd nooit binnen genodigd. Van een persoonlijke band met Dooyeweerd is het dus nooit gekomen. Ik denk ook niet dat hij daarop uit was. Het was de tijd van de hiërarchie. Dooyeweerd was een gezien hoogleraar en mijn vader ‘maar’ een onderwijzer. Hij was gevoelig voor die verhoudingen en respecteerde die. Wat Dooyeweerd betreft – ik weet niet of hij er belang aan hechtte dat zijn werk gepopulariseerd werd. Hij was een academicus pur sang. Een man van de elite. Op een simplificatie van zijn gedachten, zat hij waarschijnlijk niet te wachten.

Zelf vind ik dat de zwakte van zijn denken. Eenvoud is het kenmerk van het ware. Dooyeweerds systeem is veel te ingewikkeld. Hij heeft zich vastgezet op de stelling dat de diverse aspecten geheel onafhankelijk zijn van elkaar. Als hij dan ziet dat binnen een bepaald aspect ook andere aspecten te zien zijn, komt hij met termen als teruggrijpen en vooruitgrijpen om zijn systeem kloppend te houden. Volgens mij wordt bijvoorbeeld het ‘biotisch aspect’, op een lager aggregatieniveau geheel door fysische processen bepaald.

Utiliteit

Als ik mijn bezwaren tegen de WdW op de Katwijkse kring ter sprake breng, wordt gezegd: “Ja, maar het is tóch een mooi systeem! Het kan je helpen om ingewikkelde dingen juist te begrijpen.” Dan gaat het over de utiliteit van het systeem, en die is natuurlijk onmiskenbaar. Het is handig om als je een bepaald probleem hebt, al die aspecten na te lopen. Dan zie je weinig over het hoofd. Maar het blijft een dénksysteem. Het is niet de Bijbel! Soms krijg ik weleens de indruk dat aan Dooyeweerds werk dat gezag wel wordt toegeschreven. Ik merk dat mensen echt gehecht zijn aan het systeem. Ze voelen zich er op een bepaalde manier persoonlijk mee verbonden.

Bril

Dooyeweerd was een jurist. Mensen duiden de wereld vaak in de termen van hun vak. Dooyeweerd keek door de bril van de jurist. Tussen natuurkundige wetten en sociale wetten bracht hij geen verschil aan. Ik ben in de medische wereld opgevoed, dus ik zie overal medische aspecten aan. Wat zijn natuurkundige wetten? Onder bepaalde omstandigheden gebeurt er noodzakelijk dit of dat. En een sociale wet betreft de vraag: hoe hoort het? Dat natuurwetenschappers regelmatigheden in de natuur ooit een wet zijn gaan noemen, heeft niets met het juridische te maken.

Gezin

Ik heb nooit van mijn vader les gehad. Hij gaf les aan de ‘gewone’ hervormde school in Katwijk. Ik ging naar een gemengd hervormd-gereformeerde opleidingsschool. De hervormde scholen leidden op tot het lager beroepsonderwijs of de mulo, een middelbare school die voor de meeste Katwijkers de hoogst haalbare vervolgopleiding was. De opleidingsschool bereidde de leerlingen ook voor op de hbs of het gymnasium. We kregen wat algebra om de sommetjes op het toelatingsexamen van de hbs makkelijker te kunnen oplossen.

Wij moesten van mijn ouders ‘s zondags één keer naar de kerk. Je mocht zelf kiezen naar welke je toe ging. We gingen vaak naar de ‘gymnastiekzaal’ in Katwijk aan den Rijn. Daar preekten dominees enigszins aan de vrijzinnige kant, althans volgens Katwijkse begrippen. Dat was min of meer onze ‘ligging’ binnen het geloofsspectrum binnen het protestantisme.

We mochten, anders dan andere Katwijkers, fietsen op zondag en ook kaartspelen. Maar je mocht geen aanstoot geven en daarom deden we sommige dingen niet. Mijn vader las voor aan tafel. Meestal uit de Bijbel. Hij sloeg wel sommige gedeelten over, die niet voor onze oren bestemd waren. Soms las hij ook een theologisch boek. Ik herinner me bijvoorbeeld De Navolging van Christus van Thomas à Kempis.

Ik was de vierde van zes kinderen; ik had twee oudere broers, een oudere zus, een jongere broer en een jongere zus. De aandacht ging vooral naar de oudsten. Ik volgde de gesprekken aan tafel zonder eraan deel te nemen. Ik maakte dus alles wel mee en werd door die gesprekken zelf ook gevormd. Mijn oudste broer studeerde theologie in Leiden en werd predikant.

Studie

Na de hbs ging ik in Utrecht tandheelkunde studeren. Ik volgde catechisatie bij de studentenpredikant en deed belijdenis in de Domkerk. Door de colleges filosofie die onderdeel waren van het studium generale werd het christelijke geloof voor mij steeds minder vanzelfsprekend. Als kind had ik geleerd: ongelovigen gaan naar de hel. Dat was een stok achter de deur om het geloof toch maar in stand te houden. Op een gegeven moment dacht ik: maar als je echt a-theïst bent is die dreiging vervallen. Toen heb ik ervaren – het was geen keuze – ik heb erváren, dat ik ongelovig was. Ik ben naar de studentenpredikant gegaan en heb hem gezegd: “Ik heb weliswaar belijdenis gedaan, maar ik ben nu ongelovig.” “Dat vind ik jammer!” zei hij. Ik antwoordde “Dat kan ik me voorstellen, maar het is niet anders.” Zo nam ik afscheid van de kerk. Ik besefte dat mijn ongeloof voor mijn ouders verdriet zou opleveren. Daardoor heb ik lang gewacht om het hun te vertellen.

Totdat ik afgestudeerd was. Als tandarts moet je bij de uitreiking van je diploma beloven alles te doen voor het welzijn van je patiënten en daarbij de eed of gelofte afleggen. ‘Zo helpe mij God’ of ‘Dat beloof ik’. Ik koos, anders dan mijn ouders hadden verwacht, voor de laatste formulering. Ik moest eerlijk zijn tegenover mezelf en niet alleen ter wille van de gemoedsrust van mijn ouders God noemen bij de gelofte.

Mijn vader zei later dat hij al eerder twijfel had over mijn geloof. De weekenden dat ik thuis was, ging ik al niet meer naar de kerk. Daarna is mijn vader mij brieven gaan schrijven. Dat is een hele briefwisseling geworden, zowel met mijn vader, als met mijn zwager die in Afrika als zendingsarts werkte. Ik moet die brieven nog hebben, maar ik zou ze niet meer willen lezen. Mijn eigen brieven zijn waarschijnlijk niet bewaard. Ik heb gemerkt hoe belangrijk de rol van een sociaal netwerk is bij het in stand blijven van het geloof, een netwerk dat je vasthoudt en vast wil houden. In Utrecht was ik als student in de kerk volstrekt anoniem. Niemand kende mij en niemand miste mij. Voor mij had het ongelovig worden in mijn eigen woonomgeving in Utrecht dus geen enkele consequentie.

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.