Het ritueel en het heilige

Het proces van het ontstaan van idealen is verweven met het proces van het ontstaan van het zelfbeeld van een samenleving. Precies daarin is de gelegenheid gegeven voor een samenleving om zichzelf te veranderen al naargelang de idealen, maar daarin schuilt ook het gevaar dat die idealen worden gebruikt voor de zelfsacralisering van de samenleving, aldus Hans Joas in zijn nieuwe boek De macht van het heilige. Een voorpublicatie met een inleiding van Jan Hoogland.

Inleiding

Binnenkort verschijnt er een vertaling van het boek Die Macht des Heiligen van de Duitse socioloog Hans Joas. Joas is een internationaal bekende vertegenwoordiger van zijn vakgebied met een bijzondere belangstelling voor het Amerikaanse pragmatisme. In zijn meer recente werk blijkt hij ook een bijzondere belangstelling voor religie te hebben ontwikkeld.

Opvallend daarin is zijn afwijzing van de secularisatiethese, de these dat secularisatie als gevolg van de modernisering van de wereld en de rationalisering van ons wereldbeeld onvermijdelijk zal leiden tot een geleidelijke verdwijning van religie. Dat wil niet zeggen dat Hans Joas van de weeromstuit zelf religieus geworden is. Eerder lijkt het erop dat hij in religie iets ziet wat zich niet laat marginaliseren, omdat het een soort antropologische constante is. De kern van religie volgens deze opvatting zoekt Joas in wat hij als ‘ideaalvorming’ aanduidt. De notie van ‘ideaalvorming’ is voor hem nauw verweven met noties als ‘zelfontstijging’ of ‘zelfoverstijging’ en ‘solidarititeitsvorming’.

In dit artikel geven we enkele passages weer uit het derde hoofdstuk van de genoemde studie, getiteld: ‘Het ritueel en het heilige – Een antropologie van de ideaalvorming’. In dit hoofdstuk laat Joas zien schatplichtig te zijn aan de analyse die de Franse socioloog Émile Durkheim (1858-1917) van het verschijnsel religie gegeven heeft. Durkheim was zelf beslist geen religieus persoon, en een fervent aanhanger van de laïcité, de volstrekte scheiding van kerk en staat waarbij de religie iedere plek in het publieke leven wordt ontzegd en geheel naar de privésfeer wordt verbannen. Dit laïcisme van Durkheim betekende echter niet dat hij zichzelf vereenzelvigde met de verlichtings-rationalistische of marxistische religiecritici.

Jan Hoogland

 

De wending naar het ritueel

We moeten ons een religieus ritueel onder de oorspronkelijke bevolking van Australië zoals dat rond 1900 werd beoefend, ongeveer als volgt voorstellen: de stam van de Warramunga viert gedurende meerdere dagen achtereen het feest van de slang Wollunqua. De beide onderafdelingen van de stam, vanuit wetenschappelijk perspectief vergelijkbaar met de phratriai van de Griekse oudheid, nemen daarbij totaal verschillende rollen voor hun rekening. Slechts de helft van hen mag bij een bepaalde gelegenheid de rite vieren. De andere helft moet zich ertoe beperken ‘de acteurs te tooien, de plaats en de instrumenten voor te bereiden en als publiek aanwezig te zijn. Voor dat doel moeten ze eerst uit vochtig zand een heuvel opwerpen waarop met rode donsveren een figuur wordt afgebeeld die de slang Wollunqua voorstelt.’ [1]

Pas bij het vallen van de nacht begint de eigenlijke ceremonie. De leden van de beide phratriai betreden in afzonderlijke groepen de heuvel en beginnen te zingen. Als gevolg van de voorafgaande dagen van het religieuze feest en door de opwindende voorbereidingen op dit hoogtepunt zijn sommigen al behoorlijk overprikkeld. Op een bepaald moment in deze steeds verder toenemende opwinding halen de mannen van de phratria die de rite viert hun vrouwen en geven die aan de mannen van de andere phratria, waaruit deze vrouwen stammen, zodat deze mannen met hen geslachtsverkeer kunnen hebben. Wat er dan gebeurt, is buiten de context van het feest

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.