Het probleem van professionals en amateurs

Wat is professionalisme? Is het de ellende die wij onszelf aandoen omdat wij onze eigen problemen niet meer kunnen of willen oplossen en dat liever aan professionals overlaten? Of is het de manier waarop bestuurders en beleidsmakers voor zichzelf een maakbare wereld willen scheppen waarin zij effectieve maatregelen kunnen nemen? Of is het, zoals professionals het zelf graag presenteren, een weg waarlangs effectiever en met betere kwaliteit gewerkt kan worden dan wanneer je het werk aan leken of amateurs overlaat? Jan Hoogland analyseert.

 

Als je het vlammende pamflet Leve de amateur – een hartstochtelijk pleidooi tegen de terreur van de professional (2019) van Merrifield leest is het zeker niet het laatste. Waar de professional het voor het zeggen krijgt, wordt de amateur al snel gemarginaliseerd. Terwijl in de ogen van Merrifield de amateur – anders dan de professional – door authentieke betrokkenheid wordt gekenmerkt.

Toen ik de titel van bovengenoemd boekje zag staan in een prospectus van uitgeverij Lemniscaat, werd ik onwillekeurig herinnerd aan mijn eigen lectorale rede, die ik in 2011 heb gehouden bij mijn aantreden als lector Samenlevingsvraagstukken aan wat toen nog heette de Gereformeerde Hogeschool (inmiddels Hogeschool Viaa) te Zwolle: ‘Amateurs gezocht – Over roepingsbesef in de professionele dienstverlening’ (2011).

In deze rede stelde ik enkele vraagstukken aan de orde rond de omslag van de verzorgingsstaat naar de participatiesamenleving in de tweede helft van de twintigste eeuw. Het woord participatiesamenleving werd pas echt populair nadat het door koning Willem-Alexander was gebruikt in de troonrede van 2013.

Waar de periode van de opkomst van de verzorgingsstaat gekenmerkt werd door een verregaande professionalisering van talloze taken en beroepen, wordt er in de participatiesamenleving juist weer een beroep gedaan op actief burgerschap en vrijwillige inzet. De vraag die ik in mijn rede aan de orde stelde is wat deze omslag betekende voor de rol van professionals. Ik deed dat tegen de achtergrond van de taakstelling van lectoren in het hoger beroepsonderwijs. Immers, hogescholen leiden professionals op en van lectoren wordt verwacht dat ze onderzoek doen ten behoeve van de verdere professionalisering van de praktijk en van de docenten die studenten moeten opleiden tot professionals.

Als mij één ding duidelijk is geworden gedurende mijn loopbaan als lector in het hbo, dan is het wel de populariteitsexplosie van het woord ‘professional’. Ik denk dat het woord ernaar kan solliciteren een van de meest gebruikte woorden te zijn in het hoger beroepsonderwijs.

Ook in mijn eigen loopbaan heeft het woord een belangrijke rol gespeeld. Qua opleiding heb ik een studie in de sociologie na mijn kandidaatsexamen afgebroken om verder te gaan met de filosofie. Net zoals een afgestudeerde student in de sociologie een socioloog genoemd wordt, geldt voor een afgestudeerde filosofiestudent dat hij of zij een filosoof is. Toch klonk dat laatste mij altijd wat aanmatigend in de oren. Immers, is filosofie wel net als natuurkunde of sociologie een vak waarin je je kunt professionaliseren? In zekere zin natuurlijk wel: je kunt bijvoorbeeld filosofiedocent worden. Maar tegelijk voelde het vreemd. Voor mij waren mensen als Kant, Locke of Habermas echte filosofen en was ik hoogstens een amateur met een diploma.

 

Normatievepraktijkbenadering

Na mijn promotie in de filosofie in 1992 over een nogal abstract filosofisch thema (de metafysicakritiek van Theodor W. Adorno) ben ik voor het Lindeboom Instituut aan het werk gegaan met een onderzoek naar de professionele autonomie van artsen en de stijgende kosten van de gezondheidszorg (Hoogland e.a. 1995). In dat rapport, waarin een eerste versie van de op de filosofie van Herman Dooyeweerd gebaseerde ‘normatievepraktijkbenadering’ werd gepresenteerd, voerden de auteurs een pleidooi voor het eerbiedigen van de professionele autonomie van medische professionals. Want, zo stelden wij, een professie wordt gekenmerkt door eigen, intrinsieke waarden en een eigen, intrinsieke normativiteit, die niet ondergeschikt gemaakt mag worden aan externe belangen, zoals bezuinigingen op de gezondheidszorg. Tegelijk vonden wij dat echte professionalisering ook inhield dat professionals voortdurend moeten kunnen worden aangesproken op hun bereidheid om verantwoording af te leggen van hun handelen.

Die normatievepraktijkbenadering (Jochemsen en Glas 1997) is later een belangrijk thema geworden in het werk van meerdere hoogleraren die voor de Stichting voor Christelijke Filosofie als bijzonder hoogleraar werken of gewerkt hebben: Henk Jochemsen, Gerrit Glas, Maarten Verkerk, Roel Kuiper, Marc de Vries, Govert Buijs en Jan van der Stoep. Ook anderen zijn met deze benadering aan de slag gegaan. In 2019 is er een Engelstalige bundel uitgekomen waarin deze benadering voor verschillende professionele praktijken is uitgewerkt (De Vries en Jochemsen 2019).

In ons onderzoeksrapport van 1995 hebben wij ook kort stilgestaan bij de herkomst van het woord ‘professie’. De oorspronkelijke betekenis van dit woord hangt samen met het Latijnse woord ‘profiteri’ dat vertaald zou kunnen worden met ‘openlijk verklaren’ of ‘beloven’. Het woord ‘professio’ werd dan ook gebruikt om de kloostergelofte aan te duiden waarmee monniken zich bereid verklaarden zich te onderwerpen aan de regels van het klooster of de kloosterorde. Je zou ook kunnen denken aan de eed waarmee een arts zijn ambt aanvaardt.

Toen ik na een academische loopbaan van ruim tien jaar in een zorgorganisatie kwam te werken, viel mij op hoezeer ook daar woorden als professionaliteit en professionalisering een enorme vlucht hadden genomen. Wilensky stelde dit al aan de orde in een artikel uit 1964 met de speelse titel ‘The professionalization of everyone?’. Tijdens de opkomst van de verzorgingsstaat zijn steeds meer mensen in steeds meer beroepen zichzelf gaan aanduiden als professional. In mijn loopbaan bij de betrokken zorgorganisatie viel mij in ieder geval sterk op hoe allesomvattend het gebruik van termen als professional, professionalisering en professionaliteit was geworden. Soms op het benauwende af.

 

Amateurs en professionals

De eerste keer dat voor mij de term ‘professional’ opdook was denk ik in de context van sport. In mijn jeugd werd er altijd een scherp onderscheid gemaakt tussen ‘amateurs’ en ‘professionals’. Denk ook aan een term als ‘betaald voetbal’. Amateurs voetbalden uit liefhebberij, professionals deden het voor hun beroep en werden ervoor betaald. Ik herinner mij nog vaag dat de Olympische Spelen destijds in principe bedoeld waren voor sporters die zich niet beroepshalve met hun sport bezighielden. De Olympische Spelen vormden een topsportevenement voor amateurs. Daarom was er ook nooit deelname van teams met spelers afkomstig uit het betaalde voetbal. Onze schaatsers (Kees Verkerk en Ard Schenk) begonnen ook echt als amateur. Pas gedurende hun loopbaan kwam het professionele schaatsen op.

Vanuit deze context kwam ook een bepaalde gevoelswaarde mee met de termen amateur en professional. Amateurs deden het voor hun plezier, maar bij professionals kwam het erop aan: zij moesten presteren. De eersten werden dan ook vaak aangeduid als ‘maar amateurs’. Het woord ‘amateur’ heeft voor mij dan ook lange tijd de gevoelswaarde van inferioriteit gehad: je had de amateurs en je had het echte werk. Denk ook aan het woord ‘amateurisme’. Als je je auto moet laten repareren, ga je het liefst naar een professionele werkplaats en laat je het bij voorkeur niet over aan een ‘stelletje amateurs’. Voor de gezondheidszorg geldt wat mij betreft hetzelfde.

 

Liefhebber

Ik denk dat het tot de tijd dat ik begon met het voorbereiden van mijn lectorale rede uit 2011 geduurd heeft, voordat ik besefte dat het woord ‘amateur’ iets met ‘liefde’ en ‘liefhebben’ te maken had. De herkomst van dit woord staat dus eigenlijk haaks op zaken als inferioriteit of ‘amateurisme’. De ‘amateur’ (letterlijk vanuit het Latijn: liefhebber) doet dingen uit liefhebberij, omdat hij of zij er echt van houdt en het leuk vindt. Anders gezegd: de amateur is werkelijk intrinsiek gemotiveerd. Hij of zij heeft geen andere reden om iets te doen dan de eigen intrinsieke motivatie.

Toen ik mij dat realiseerde, begon de wereld van het professionalisme voor mij ineens te kantelen. Mij werd duidelijk dat de hiërarchie tussen de termen ‘amateur’ en ‘professional’ misschien wel net andersom lag dan ik altijd gedacht had. De amateur doet zijn ding uit intrinsieke motivatie en betrokkenheid. Daarmee is niet gezegd dat professionals uitsluitend handelen uit extrinsieke motivatie. Gelukkig niet. Veel professionals tonen warme betrokkenheid bij de mensen die zij helpen of ondersteunen. Maar hun betrokkenheid is wel anders en meer voorwaardelijk. Zo speelt extrinsieke motivatie altijd een rol in de betrokkenheid van professionals: zij zijn er voor hun inkomsten immers van afhankelijk. De betekenis van de extrinsieke motivatie heeft ook een keerzijde. Want ook daar waar professionals te maken krijgen met situaties die zij niet zien zitten of heel moeilijk vinden, moeten zij aan de bak. Anders dan amateurs kunnen zij in dergelijke situaties niet wegduiken voor hun verantwoordelijkheid: het is gewoon hun werk.

 

Terreur

Sinds ik mij bewust werd van deze ‘Umwertung der Werte’ kan ik mij ook veel meer voorstellen bij wat Merrifield ‘de terreur van de professional’ noemt. Want vanuit professionele optiek is het vooral de amateur die maar wat aanrotzooit en vrijblijvend betrokken is. Tegelijk ontbreekt het die amateur aan de nodige kennis en vaardigheden om de kwaliteit te leveren die je van professionals mag verwachten. Vanuit professioneel oogpunt bezien is de betrokkenheid van amateurs tweederangs. Je kunt daar niet op bouwen.

De aanklacht van Merrifield jegens professionals is natuurlijk niet nieuw. Denk bijvoorbeeld aan het destijds baanbrekende werk van Hans Achterhuis, De markt van welzijn en geluk (1980). Achterhuis verwijst daarin zeer geregeld naar Ivan Illichs Ontscholing van de maatschappij – Het einde van een illusie? dat eind jaren zeventig van de vorige eeuw vele herdrukken beleefde. Volgens velen gaan deze kritieken op het professionalisme vooral over de kinderziekten van nog niet volledig uitgekristalliseerde professies. Maar wie het boek van Achterhuis nog eens doorbladert zal al snel merken hoe actueel dit boek nog altijd is. Met het professionalisme is een andere betrokkenheid en logica dominant geworden in de publieke sector.

 

Merrifield

Toen ik Leve de amateur! van Merrifield zag, was mijn nieuwsgierigheid dus meteen gewekt. Maar om twee redenen pakte het boek anders uit dan ik had verwacht. In de eerste plaats viel mij al snel op dat Merrifield zich vooral richt op een bepaald domein en wel met name op de planologie en de stedenbouwkunde. Hij laat mede vanuit persoonlijke betrokkenheid zien wat er allemaal verkeerd kan gaan in dit veld. De professies die mijn belangstelling hebben (de publieke dienstverlening in zorg en onderwijs) tref ik in het boek niet of nauwelijks aan. Daar staat tegenover dat veel van de dingen die Merrifield noemt ook voor andere domeinen herkenbaar zijn. In de tweede plaats hoopte ik op een mooie analyse van de verschillen tussen de betrokkenheid van amateurs en professionals. Een dergelijke analyse wordt echter niet geboden. Merrifield schrijft vooral een uitgebreid pamflet naar aanleiding van casussen, anekdotes, discussies, polemieken en zelfs van literaire uitingen. In dit pamflet gaat hij voornamelijk in op vraagstukken van de inrichting van de publieke ruimte en de botsing die zij kan opleveren met de alledaagse leefwereld van gebruikers en bewoners die als amateur bij deze ontwikkelingen betrokken zijn. Dat levert een bevlogen, goed leesbare en tot nadenken stemmende tekst op, maar maakt het tegelijk moeilijk er meer generieke conclusies aan te verbinden. Toch zijn er genoeg aanknopingspunten die zich ook voor andere domeinen laten uitwerken. In het vervolg wil ik op enkele van die aanknopingspunten verder ingaan.

 

Verschillende niveaus van professionaliteit

In de eerste plaats maakt Merrifield mij bewust van de complexiteit van het verschijnsel professionaliteit. Niet alleen de mensen die rechtstreeks in bijvoorbeeld de zorg of het onderwijs werken zijn professionals, de zogeheten ‘frontliniewerkers’, maar er is een heel professioneel bouwwerk om hen heen, waar zij deel van uitmaken.

In de hedendaagse discussie over professionals staan vaak de frontliniewerkers in het centrum van de aandacht. In het onderwijs of de zorg bijvoorbeeld gaat het vaak over de regelcultuur, de administratieve druk en de overdaad aan controle. Het frame dat achter deze voorstellingswijze ligt, is dat de bevlogen en intrinsiek gemotiveerde professionals door bestuurlijke drukte en managementbemoeienis ernstig worden gehinderd in hun beroepsuitoefening. Dit perspectief ontbreekt in het boek van Merrifield eigenlijk grotendeels. Hij laat namelijk zien dat ook de hele planning en beleidsvorming werk is van professionals.

Denk bijvoorbeeld aan het onderwijs. De laatste maanden zijn wij veelvuldig geconfronteerd met acties in het onderwijs. Juffen en meesters protesteerden tegen onderwaardering van hun functie, werkdruk en het lerarentekort. Docenten uit het hoger onderwijs protesteerden tegen het feit dat de enorme toename van het aantal studenten niet wordt gecompenseerd met uitbreiding van de onderwijsformatie. Daarbij zijn steeds de frontliniewerkers in beeld, de mensen die dagelijks het onderwijs vormgeven.

Maar veel van het werk dat zij doen moet worden uitgevoerd overeenkomstig het daarvoor geformuleerde beleid. Dat beleid wordt niet alleen uitgedacht door politici en ambtenaren, maar voor een belangrijk deel ook voorbereid en uitgedacht door professionals en deskundigen op allerlei terrein: onderwijskundigen, onderwijseconomen, planningsdeskundigen, onderwijssociologen en ‑psychologen. Allemaal mensen die op hun niveau ook professional zijn, ook al zijn ze dat niet op het niveau van het directe contact met leerlingen en studenten. En het zijn juist deze professionals die in hoge mate bepalend zijn voor de vraag wat op het uitvoerend niveau als professioneel handelen kan worden gezien. Denk bijvoorbeeld aan deskundigen die onderwijsprogramma’s, onderwijskwalificaties, toetsmethodieken en onderwijsmethodes ontwikkelen. Zij hebben een belangrijke invloed op de vormgeving van lerarenopleidingen en op de omschrijving van de voor onderwijsgevenden vereiste competenties.

 

Functie en competentie

Nu zou je kunnen zeggen dat het de frontlinieprofessionals zijn die steeds meer zijn gaan lijden onder een onderwijsbeleid dat wordt ontwikkeld op een veilige afstand van de uitvoering van dat beleid ‘op de werkvloer’. Daar zit iets in. Het zijn de frontlinieprofessionals die opereren op de grenslijn tussen de alledaagse leefwereld van de burger enerzijds en het professionele bouwwerk anderzijds. Tegelijk ontlenen veel professionals hun status en beroepserkenning aan de inrichting van dat professionaliteitsbouwwerk. Mensen met een ‘hogere’ kwalificatie willen ook een hogere beloning ontvangen voor hun werk en bescherming van hun status. Op allerlei manieren wordt er onderscheid gemaakt tussen functie- en competentieniveaus. Ook de uitvoerende professionals staan op hun strepen.

Een fraai voorbeeld daarvan is de poging van beleidsmakers in de gezondheidszorg om een nieuw beroep in te voeren, namelijk dat van de regieverpleegkundige. Al jaren wordt er onderscheid gemaakt tussen verschillende niveaus van verpleegkundigen: de mbo-niveaus 1-4 en het hbo-niveau 5. In de praktijk bleek dit onderscheid echter niet goed te werken en lopen de verschillende niveaus in het uitvoerende werk gemakkelijk in elkaar over. Om die reden wilde men bij wet een nieuw beroep invoeren, namelijk dat van de regieverpleegkundige (op hbo-niveau) om zo meer recht te doen aan de onderscheiden professionaliteitseisen. Dit zou betekenen dat er een duidelijker onderscheid zou kunnen worden gemaakt tussen de verschillende mbo-niveaus en het hbo-niveau.

Uiteindelijk heeft de minister dit wetsvoorstel (BIG versie 2) weer moeten intrekken. Te veel uitvoerende verpleegkundigen waren bang dat zij niet langer bevoegd zouden zijn werkzaamheden uit te voeren die zij tot dan toe op basis van hun opleiding en ervaring wel al mochten verrichten. Het protest tegen deze wettelijke maatregel was zo massaal dat de minister de wet introk, mede uit vrees voor de mogelijkheid dat veel verpleegkundigen een andere baan zouden gaan zoeken. Ervaren verpleegkundigen kwamen massaal in opstand tegen de papieren werkelijkheid van beleidsmakers.

 

Binnen- en buitenperspectief

Een tweede inzicht dat ik aan Merrifield ontleen is dat het wezenlijke verschil tussen professionals en amateurs is gelegen in de aard van betrokkenheid. Amateurs zijn direct belanghebbenden en deelnemers in de praktijk waarin zij betrokken zijn, terwijl deze betrokkenheid voor professionals altijd indirect is. Als het gaat om stedenbouwkunde en planologie, dan is de professional degene die bijvoorbeeld een wijk als de Bijlmermeer uitdenkt en ontwerpt, terwijl de amateur degene is die er woont en voor zijn of haar welzijn direct afhankelijk is van het al dan niet welslagen van het project. De kennis en deskundigheid van de professional wordt voor een belangrijk deel bepaald door een buitenstaandersperspectief, terwijl het perspectief van de amateur dat van een directbetrokkene is. In de praktijk wordt veel te weinig recht gedaan aan dit verschil in perspectief.

Je zou het misschien ook anders kunnen zeggen: het perspectief van de amateur is het perspectief van de alledaagse leefwereld van directe deelnemers aan praktijken. Het perspectief van de professional is daarentegen gebaseerd op kennis en deskundigheid waarin een bepaalde mate van theoretische of beschouwelijke afstand van de praktijk wordt genomen. De professional kijkt meer naar de praktijk als een functionerend systeem met allerlei afhankelijkheidsrelaties die het mogelijk maken de praktijk op een bepaalde manier in te richten en te besturen zodat gestelde doelstellingen kunnen worden bereikt. Daarin liggen zowel de kracht als de beperkingen van de professionele benadering en betrokkenheid. In termen van de filosofie van Dooyeweerd zou je hier kunnen opmerken dat professionals zich in hun werk baseren op kennis die abstraheert van de alledaagse zinsamenhang waarin de werkelijkheid zich aan ons voordoet. Daardoor kunnen zij hun focus meer richten op functionele verbanden, maar altijd ten koste van een bepaalde gevoeligheid voor die zinsamenhang en de vanzelfsprekendheid daarvan in de alledaagse ervaring. Juist in het bewustzijn van zijn beperking toont zich de meester. Het benutten van wetenschappelijke kennis (of die nu fundamenteel of praktijkgericht is) vraagt om het vermogen om deze binnen een meer integraal perspectief te hanteren (Blokhuis 2019).

 

Marginalisering van de politiek

Een derde inzicht dat ik aan Merrifield ontleen is dat professionele betrokkenheid in zekere zin een politiek-democratische betrokkenheid bij vraagstukken en praktijken buiten werking zet. Zoals gezegd baseert professionele betrokkenheid zich voornamelijk op ‘objectieve’ kennis (buitenstaandersperspectief). De oplossing van de professional is zoveel mogelijk gebaseerd op functioneel inzicht. De professional doet liever uitspraken over de vraag of een maatregel of interventie evidence-based is dan of die politiek of moreel gewenst is. Het beantwoorden van die laatste vraag behoort immers niet tot de competentie van professionals.

Tegelijk moet men echter vaststellen dat de deskundigheid van professionals ook in de politiek in toenemende mate een doorslaggevende rol speelt. Sterker, je zou van een verregaande professionalisering van de politiek kunnen spreken. Merrifield spreekt hier van ‘professionele democratie’: een democratie waarin professionals en technocraten steeds meer invloed krijgen ten koste van echte politici. Steeds meer wordt de taal van deskundigen en technocraten de taal waarin politieke beslissingen worden gelegitimeerd. Bovendien blijkt deze taal zich ook steeds explicieter te richten op een legitimatie van politieke beslissingen in termen van economische waarde en noodzakelijkheid. Professionals zijn vaak bezig de dagelijkse vragen en problemen in de mal van efficiency en kosteneffectiviteit te persen.

 

Grotere kloof tussen systeem- en leefwereld

In de vierde plaats wijst Merrifield erop dat door de voortgaande ontwikkeling de kloof tussen de betrokkenheid van amateurs en die van professionals in de publieke beleidsvorming steeds groter wordt. De betrokkenheid van amateurs wordt steeds verder gemarginaliseerd of zelfs genegeerd. Met als gevolg dat de betrokkenheid van amateurs steeds meer ondergronds gaat: óf je hebt burgers die zich steeds meer aan de systemische samenhangen aanpassen door een meer en meer gereguleerd leven te leiden, óf je hebt gemarginaliseerden, daklozen, illegalen, die de kelders van de stad bewonen. Deze ondergrondse wereld en de wereld van de professionele stedenbouwkundigen en stadsplanners lopen steeds verder uit elkaar, maar bevinden zich tegelijkertijd op dezelfde plaats. Waarbij er soms tekenen zijn dat die systeemwereld uit de hand dreigt te lopen doordat professionals hun greep erop verliezen, terwijl nieuwe, veelbelovende initiatieven steeds meer in die informele wereld ontstaan.

 

Slot

Natuurlijk valt er nog veel meer te zeggen over de tegenstelling tussen professionals en amateurs. Het pamflet van Merrifield is enerzijds inspirerend, maar vraagt anderzijds ook om kritiek. Soms lijkt het erop dat hij helemaal klaar is met de wereld van de professionals en deze heeft afgeschreven. Die conclusie gaat mij veel te ver. Volgens mij hebben professionals op tal van manieren bewezen een belangrijke bijdrage te kunnen leveren aan de kwaliteitsverbetering en innovatie van het handelen binnen praktijken. Maar ik deel Merrifields zorg daarover dat de professionele logica overschat wordt en men zich veel te weinig bewust is van de eenzijdigheid en de beperkingen ervan.

Vandaar dat ik mij meer verbonden voel met die auteurs die met betrekking tot professioneel werk de term ‘roeping’ weer onder het stof vandaan willen halen. Zie bijvoorbeeld het artikel van Jan van der Stoep in het vorige nummer van Soϕie.

Dat neemt niet weg dat het beeld dat Merrifield schetst van een groeiende kloof tussen de leefwereld van ‘gewone mensen’ en het ‘papieren universum’ van professionals veel herkenning oproept in een wereld waarin de opkomst van een populistische tegenpolitiek tegen de gevestigde orde een van de beeldbepalende ontwikkelingen is. ‘Gewone mensen’ met hun ‘amateuristische betrokkenheid’ lijken steeds meer te worden gemarginaliseerd.

Wat Merrifield op deze manier laat zien is dat professionals in zekere zin in een eigen universum leven, namelijk dat van een illusoire, maakbare, beheersbare en planbare omgeving, zonder door te hebben dat ze zich daarmee steeds verder verwijderen van de directbetrokkenen die zich steeds meer gemarginaliseerd en buitenspel gezet voelen. Dit leidt ertoe dat de in de alledaagse leefwereld gefundeerde betrokkenheid van de amateurs zodanig wordt weggedrukt en miskend, dat deze in toenemende mate alleen nog maar ‘ondergronds’ tot uitdrukking kan worden gebracht in al dan niet erkende burgerinitiatieven, grassroots en informele gemeenschappen, die het wel zonder professionals regelen.

 

Naar aanleiding van

Merrifield, A., Leve de amateur – Een hartstochtelijk pleidooi tegen de terreur van de professional (vertaald door D. Lagrand), Rotterdam, 2019

 

Literatuur

Blokhuis, P., ‘Integrale kennis’, Soϕie, jrg. 9 no. 4 (augustus 2019), 24-27

Vries, M.J. de, Jochemsen, H., The normative nature of social practices and ethics in professional environments, Hershey, 2019

Hoogland, J., Amateurs gezocht! – Over roepingsbesef in de professionele dienstverlening. Zwolle, Gereformeerde Hogeschool (lectorale rede), 2011 (https://hbo-kennisbank.nl/details/sharekit_viaa:oai:surfsharekit.nl:524f6e62-08d5-4c39-84b0-81077ef9b3fe)

Hoogland, J., Jochemsen, H., Polder, J.J., Strijbos, S., Professioneel beheerst – Professionele autonomie van de arts in relatie tot instrumenten voor beheersing van kosten en kwaliteit van de gezondheidszorg. Ede, 1995

Stoep, J. van der, ‘Spitten en niet moe worden. Christelijk geloof als inspiratiebron voor goed werk’. Soϕie, jrg. 9 no. 6 (december 2019), 4-9

Jochemsen, H., Glas, G., Verantwoord medisch handelen – Proeve van een christelijke medische ethiek. Amsterdam, 1997

Wilensky, H., ‘The professionalization of everyone?’, American Journal of Sociology, 70 (2), 1964, 137-158