Henk Geertsema – Gereformeerde hippie voor gerechtigheid en barmhartigheid

Henk Geertsema

De meeste vrijgemaakt gereformeerde jongeren in zijn tijd volgden vrijgemaakt onderwijs, om wel toegerust vervolgens de wereld in te kunnen trekken. Henk Geertsema legde de omgekeerde route af. Na diverse seculiere opleidingen trok hij de wijde wereld in. Door een late roeping meldde hij zich bij de destijds net opgerichte Gereformeerde Sociale Academie in Zwolle om de vrijgemaakte zuil, of wat daarvan over is, nooit meer te verlaten en haar pleit te bezorgen.

Henk Geertsema werd in 1954 geboren te Rotterdam. Na zeven jaar verhuisde het gezin naar Maassluis, waar hij zijn formatieve jaren had. Hij kocht grote geluidsboxen, want iedereen had grote boxen, en draaide Led Zeppelin en Pink Floyd, want iedereen draaide Led Zeppelin en Pink Floyd, ook zijn vrijgemaakte leeftijdgenootjes die naar de vrijgemaakte scholengemeenschap in Rotterdam gingen, hoewel het als verwerpelijk gold. Zelf bezocht hij de algemeenchristelijke mulo. Op een vrijgemaakte Bondsdag probeerde een zekere heer Nijhof de jongeren van de popmuziek af te helpen, maar de liedjes die hij draaide om het verderfelijke karakter ervan aan te tonen, werden door de jongeren uit volle borst meegezongen, waarop Nijhof in toorn ontstak. De enorme kloof tussen spreker en publiek viel samen met de kloof tussen leer en leven, die in Henks leven nog wel vaker zou opdoemen.

Na de mulo vatte hij het plan op om naar de kunstacademie te gaan, maar zijn ouders staken daar een stokje voor. In hun ogen was die wereld te vrij. Het waren wilde plaatsen van vernieuwing en dat ging wel ver voor een gereformeerde jongen. Hun voorstel was: als je schoolmeester wordt, kun je in elk geval een fatsoenlijk inkomen verdienen. “Maar ik had niks met kleine kindertjes. Dus kwamen we tot een ‘Rotterdams compromis’: de hogere zeevaartschool.” Hij werd twee jaar marconist op de grote vaart. Hij trotseerde stormen en tornado’s en maakte kennis met vreemde landen en culturen. In Pakistan en India zag hij de enorme armoede. “Dode lichamen lagen langs de kant van de weg. De kloof tussen rijken en armen was enorm. Ik heb gezien wat corruptie doet. Op de kade van een haven lag het voedsel dat we in Europa bij elkaar hadden gecollecteerd om de honger te bestrijden, maar dat voedsel kwam het land niet in. Daar moesten eerst invoerrechten over betaald worden. Dat de bevolking doodging, interesseerde niemand.”

Wild leven

Afgezien van de wilde baren was het leven van zeelui soms ook wild. Henk was daar niet helemaal op bedacht: “Het was een leuke tijd, maar na twee jaar dacht ik: dit is niet zo goed voor mij. Ik laat me te gemakkelijk verleiden. En ik zag mezelf ook niet oud worden in de radiohut.” Hij stopte en omdat hij niet genoeg vaartijd had opgebouwd om vrijstelling te krijgen, moest hij daarna eerst in het leger. Geplaatst in Tilburg bij de vrachtwagenchauffeurs, vond hij daar de geliefde met wie hij nog steeds getrouwd is. “Toen moest ik bedenken wat ik verder met mijn leven wilde. Ik vond het wel leuk om met jonge mensen om te gaan en had altijd al interesse gehad in psychiatrie, dus ben ik sociale academie gaan doen. Mijn ouders hadden toen kennelijk wat meer invloed en stelden de Gereformeerde Sociale Academie in Zwolle voor. Toen ik aankwam had de eerste lichting net examen gedaan. Mijn richting was inrichtingswerk (wat het dichtst bij psychiatrie zit); gaandeweg het eerste jaar maakte ik de switch naar maatschappelijk werk. Dat vak heb ik dik twintig jaar uitgeoefend.”

Gereformeerde Sociale Academie

Terwijl zijn ouders hem hadden aangemoedigd om in Zwolle te studeren, was dat door anderen juist afgeraden. “Als je naar Zwolle gaat, dan ga je bij het geloof weg, verder doen ze er sensitivitytraining. Niemand wist wat het was, sensitivitytraining, maar er waren enkele deskundigen die er een boekje over hadden geschreven. Een van hen, een arts, had tijdens een training bij een vrouwelijke deelnemer het schouderbandje gevoeld. Dat had hem opgewonden. En hoewel de arts zelf er zonder oordeel over schreef, was het voor sommige kerkmensen een voorbeeld van de gevaren van stilstaan bij je gevoel.”

Beschrijf eens hoe je aankwam op de academie.

“Het overgrote deel van de studenten was jong en idealistisch en had weinig idee hoe de wereld buiten de kerk eruitzag. Hoewel ze in hippieachtige kleding rondliepen waren het grotendeels brave, gereformeerde jongeren, die bijvoorbeeld geen idee hadden van wat diepe armoede was, zoals ik die gezien had. Aan het wereldvreemde probeerde de sociale academie wat te doen, en dat was terecht. Ik vond het wel erg therapeutisch allemaal. Dat is de reden waarom ik de overstap maakte van inrichtingswerk naar maatschappelijk werk. Sommige docenten bepaalden wat jouw diagnose was. Je moest het zelf ontdekken, maar zij bepaalden wanneer jij het ontdekt had. Ze waren even dogmatisch als gereformeerde predikanten en journalisten, zij het op andere onderwerpen.

Maar er waren ook docenten die mij intellectueel veel brachten, die theorieën bespraken, me hielpen om die te begrijpen. Die conceptueel sterk waren en gedreven. Dat vond ik fascinerend, ook wel door de verwarring die dat opleverde.”

Die verwarring was waarschijnlijk dan weer een voedingsbodem voor de therapeutische cultuur?

“Ja. Je werd eerst ontregeld en vervolgens geresocialiseerd binnen de kaders van de ‘therapeut’.

Hoe was de sfeer? Was de GSA een hippieparadijs in de gereformeerde wereld?

“Ik denk het wel. Maar ik heb niet uitbundig deelgenomen aan het studentenleven. De GSA was een oefenplaats, waar mensen experimenteerden, maar het was tegelijk buitengewoon beschaafd. Zelfs alcoholgebruik was beschaafd, zeker als je het vergeleek met de wereld om ons heen. Hetzelfde gold voor drugs. Ik heb gelukkig nooit drugs gebruikt. Maar ook op de GSA was het geen gewoonte.”

Waarin bestond dan het experimentele?

“Dat je het over gevoelens en relaties kon hebben, over het verbodene, zonder dat er direct een oplossing of een theologisch antwoord gevonden hoefde te worden. Dat was dus al een bevrijding. Dat je gevoelens van verliefdheid, frustratie, woede, lust, twijfel gewoon ter sprake kon brengen en er lering uit kon trekken. Bonhoeffer lezen kon gewoon! In Kampen was dat toen not done, evenmin op de kweekschool. Bovendien hadden we het naast gevoel ook over macht. We verdiepten ons in de Frankfurter Schule. Impliciet werd het vraagstuk van de macht in de kerken aan de orde gesteld. Dat zie ik als de verdienste van de GSA. Wie bepaalt wat toegelaten wordt? En wie bepaalt wie de bepalers zijn? Jannes Jansen, iemand die iets eerder dan ik aan de GSA is afgestudeerd, heeft het destijds opgenomen voor homoseksuelen in de kerk. Dat hij dat deed, was buitengewoon spannend. Want als je homoseksueel was, behoorde je dat (a) niet te zijn, en als je het dan toch was hoorde je er (b) niet over te praten. Er was grote eenzaamheid onder deze groep broers en zussen. Jannes Jansen stelde de vraag naar de vorming van morele consensus. Hoe wordt bepaald wat wel toegelaten is en wat niet toegelaten is? Voor het eerst werd een tegenstem vernomen. Tot aan die tijd werd de publieke opinie bepaald en gedomineerd door een kleine groep theologen en journalisten.”

Waarom is de GSA eigenlijk opgericht?

“Het doel was om ervoor te zorgen dat er gereformeerde hulpverleners, opvoeders en maatschappelijk werkers werden opgeleid die vanuit een positief gereformeerd geloof in de hulpverlening konden werken. Daarnaast kreeg de Stichting Gereformeerde Kinderbescherming, die sinds de jaren vijftig bestond en gericht was op pleeggezinnen uit de gereformeerde wereld, behoefte aan gereformeerde hulpverleners, maatschappelijk werkers en inrichtingswerkers die voor de gereformeerde kinderen konden zorgen.

Als ik het kort door de bocht zeg: de aanleiding was voor een deel om het systeem in stand te houden, door aanvullende voorzieningen te creëren, zodat ondanks bedreigingen die gereformeerde wereld in zichzelf kon blijven functioneren. Dat lijkt negatief, maar dat was toen positief bedoeld, daar ben ik van overtuigd.

De doelen naar buiten waren: opvoeding van de kinderen, steun aan de gezinnen, zodat de ouders het samen zouden volhouden. Die doelen vormden samen de aanleiding tot de oprichting van de Gereformeerde Sociale Academie.

Daarnaast vond iedereen dat studenten ook weerbaar moesten zijn tegen moderne filosofieën, psychologie en sociologie. Want de wereld ging natuurlijk wel op de schop. Sinds de jaren zestig gingen de opvattingen over macht verschuiven, en over rechtvaardigheid. Daaraan moest tegenwicht worden geboden. Theoloog Schilder heeft ooit geschreven over het vraagstuk ‘Prediker contra psychoanalyticus’. Schilder vond uiteraard dat je naar de pastor moest en niet naar de psycholoog, behalve als je echt heel erg gestoord was, maar al dat psychologische gedoe… We wisten immers allemaal dat we zondig waren, en waarom zouden we dan nog verder in die zondige dingen gaan wroeten? Daar kwam zijn standpunt ongeveer op neer. Het was in zekere zin revolutionair dat theologen als Douma en Trimp achter de oprichting van de Gereformeerde Sociale Academie stonden.”

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.