Heeft lijden schoonheid? (3)

Het lijden in de kunstwerken van Käthe Kollwitz heeft niet alleen kracht door het narratieve, door de uitbeelding van een geschiedenis en door de afwezigheid van sentimentaliteit. Wat is er nog meer aan de hand?

Over schoonheid hebben veel filosofen en kunsthistorici geschreven. Zelden word ik daardoor echt geraakt of krijg ik het gevoel dat het helpt om beter naar kunst te kijken – wat de rol van filosofie zou moeten zijn. Het lukt me niet bij Plato, niet bij Kant en niet bij de neocalvinistische traditie. Het mag het calvinisme als verdienste worden aangerekend dat het de kunst uit het diensthuis, uit het kerkelijk en adellijk opdrachtgeverschap heeft geleid, naar het beloftevolle land van het alledaagse leven, zowel in de uitbeelding van die alledaagsheid (denk aan de Hollandse meesters in de gouden eeuw) als in de niet-verheven benadering van kunst. En toch wordt dat denken over kunst, ook in christelijke kring, al gauw weer heel ingewikkeld. Als het over schoonheid gaat, zou ik het graag houden bij de omgangstaal, die ook de taal is van de dagboeken van Kollwitz, maar dat is bijna onmogelijk.

Een kunstenaar is geen profeet, was het adagium van Hans Rookmaaker, de bekendste christelijke kunstfilosoof van de twintigste eeuw in Nederland. Hij bedoelde natuurlijk, elk heeft zijn eigen rol: een predikant moet niet gaan schilderen, en een kunstenaar moet niet gaan profeteren. Ik betwijfel dat. Over schilderen gesproken, Klaas Schilder zag in Jan Zwart een profeet op de orgelbank en ik zie in Käthe Kollwitz een groter profeet over het sociale vraagstuk dan Abraham Kuyper.

 

Normen

Ik heb moeite met een normatieve benadering van kunst. Het esthetische mag dan een aspect zijn van de schepping en daarmee ‘zijn eigen soeverein kennen’ en zijn eigen normativiteit – kunstwerken zijn zelf een schepping. Zij zijn daarom eigen-wettelijk, scheppen hun eigen normen. Je kunt over harmonie nadenken, de gulden snede definiëren, nagaan hoe de verhoudingen van die gulden snede terugkomen in de natuur, maar dat is altijd descriptief, achteraf, nooit prescriptief. Je kunt van een kunstwerk zeggen dat het mooi is omdat het de regels van de gulden snede volgt, maar de vraag is of het kunstwerk is gemaakt ‘in gehoorzaamheid’ aan die regels. Als je geraakt wordt door een kunstwerk dat de regels van de gulden snede schendt, moet je de normativiteit voor die schoonheid opnieuw bepalen: waarom is het niettemin mooi? Kortom, de kunst

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.