Hans Peter Benschop – De vrolijke plicht tot nieuwsgierigheid

Het woord ‘plicht’ ligt hem na aan het hart, meer dan het woord ‘liefde’. Tegelijkertijd heeft hij voor in principe álle woorden weer een passionele liefde. Hij vindt niets mooier dan het historisch woordenboek! Cynisme is zijn grootste vijand. Tegenover het cynisme de vrolijkheid! En tegenover de waan van de dag, de nieuwsgierigheid. De areligieuze Hans Peter Benschop is een vat vol verrassende tegenstrijdigheden. Hij promoveerde bij de atheïst Herman Philipse op zijn idool Berkeley, de supergeestelijke Ierse priester-filosoof. En hij stuurde zijn kinderen bewust naar christelijke scholen.

 

Hans Peter Benschop (1960) is directeur van Trendbureau Overijssel. Hij werd geboren in Amsterdam en bracht zijn middelbareschooltijd door in Drachten.. Hoewel hij areligieus is opgevoed (“voor zover dat kan in Nederland”) ging hij naar een christelijke middelbare school. Daar werd de basis gelegd voor zijn latere studie filosofie, al legde hij die basis vooral zelf. Moraal heeft zijn hele leven een voorname rol gespeeld. Hij noemt zichzelf een ‘onverbeterlijke wereldverbeteraar’ die zich op school als ‘actievoerdertje’ opwierp te midden van veel VVD’ers.

 

Waar komt je belangstelling voor de moraal vandaan?

“In de vijfde klas van het vwo verbood de leraar geschiedenis mij een scriptie over Napoleon te schrijven. ‘Bedenk maar wat originelers!’, zei hij. Van de weeromstuit schreef ik een scriptie over de vraag ‘Is de mens goed of kwaad? Als hij de potentie heeft goed te zijn, hoe realiseren we die potentie dan?’ Ik heb gespijbeld om die scriptie te maken en me weken opgesloten in de bibliotheek. Ik nam de hele geschiedenis door van Aristoteles tot Kant, alle filosofische boeken die de bieb van Drachten rijk was.”

“Het ging over totaal onbegrijpelijke werelden die ik wilde begrijpen. Ik herinner me nog goed de Tractatus van Wittgenstein, want daar was een Nederlandse vertaling van gekomen, van W.F. Hermans. Hermans liet op de flaptekst zetten, en ik vind dat wreed, dat het zo’n helder en makkelijk boekje was. Als zestienjarige snapte ik er vanaf zin één al niets meer van. Ook door de Ethica van Spinoza was ik gegrepen.”

“Die vraag of de mens goed is, is kennelijk een vraag die met me meegaat. Ik lees nu Menselijke voorwaarden van Junpei Gomikawa. Het is een verhaal over een Japanse jongen die zeer hoge ethische eisen aan zichzelf stelt, en in de oorlog belandt. Door de oorlog, door de wereld zoals die is, gaat die moraal aan gruzelementen. Ik moest tijdens het lezen heel erg aan Primo Levi denken, aan Is dit een mens?. Dát is een boek vanuit het slachtoffer, Menselijke voorwaarden is vanuit de dader geschreven. Een ander boek dat ik op dit moment lees is Het einde van de Rode mens. Wanneer de instituties wegvallen, in dit geval het Sovjetregime, zie je waartoe mensen in staat zijn. Dat is behoorlijk afschuwelijk. De mens is volgens mij niet goed-of-fout, ik geloof wel dat je de mens heel fout en heel goed kunt maken. Er is een wisselwerking tussen de groep, de instituties aan de ene kant, en het individu aan de andere kant. Je kunt mensen niet aan hun lot overlaten. Daarom vind ik democratie zo belangrijk! Wij hebben in de westerse samenleving manieren gevonden om

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.