Govert Buijs – Expert in de liefde

Govert Buijs

Bij toeval stuitte Govert Buijs in zijn jeugd op de neocalvinistische traditie. Daardoor werd hij geholpen om geloof en samenleving te verbinden. Deze traditie blijft hij trouw. Maar niet door haar te herkauwen, want herkauwen is geen filosofie. Je moet zelf nadenken. En dan ontdek je toch ook allerlei dingen die al veel eerder bedacht zijn, bijvoorbeeld dat liefde, of de christelijke agape, een centrale drijfveer is in westerse samenlevingen. Onlangs werd Buijs benoemd tot bijzonder hoogleraar christelijke filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Over zichzelf praten doet hij met net zo veel tegenzin als Calvijn en van human-interestverhalen moet hij weinig hebben. De pseudoheroïek van het luctor et emergo is niet aan hem besteed. Wat worden we wijzer van al die egodocumenten over een getormenteerde jeugd, een tirannieke opvoeding en een bekrompen milieu dat men te boven is gekomen? Als het aan Govert Buijs zelf lag, liever dus geen interview voor de rubriek Ecce homo. Bovendien: hij heeft een goede jeugd gehad en komt uit een stabiel en warm nest. Dus veel spannends is er in dat opzicht niet te vertellen. Maar omdat dit oordeel al zeer levensbeschouwelijk is, in de zin dat het tekenend is voor de wijze waarop hij zijn eigen leven beschouwt, toch maar in deze rubriek.
“Ik kom uit een behoudend christelijk-gereformeerd gezin. Mijn vader was predikant. Aan de muur hing de bekende afbeelding van de brede en de smalle weg. Wij waren niet aangesloten bij Bewaar het Pand, de conservatieve beweging binnen deze kerken, maar zaten er wel dicht tegenaan. Onze cultuur was in zekere zin wereldmijdend; we beschouwden onszelf als vreemdelingen en bijwoners. Ik herinner me van onze tijd in Friesland dat onze buurman, weliswaar ook van onze kerk, maar toch politiek actief in de ARP, stemmen bij verkiezingen beschouwde als een wezenlijk deel van het christen-zijn. Mijn bevindelijke vader was het daar beslist niet mee eens. Natuurlijk moet je de overheid gehoorzamen en daarom ook maar stemmen, als een soort noodzakelijk kwaad, maar van de essentie van onze christenplicht kon toch alleen sprake zijn in relatie tot ons hemelse burgerschap.

Geen angst

Als kind had ik wel een ernstig maar geen angstig geloof, voor zover ik me kan herinneren, vooral een diep soort vertrouwen. Dat geloof heb ik op de een of andere manier behouden, of beter: ik ben er steeds weer bij uitgekomen, ondanks allerlei vragen en ook crisissen waar ik later doorheen gegaan ben. Ik geloof nog altijd – of misschien moet ik ook wel zeggen, steeds weer opnieuw – dat Christus de Redder van de wereld is en dat er door hem vergeving van zonden is. Ik beleef dat als een tere en kostbare zaak. Als tiener kon ik dat geloof echter moeilijk combineren met de wereld om mij heen in de jaren zeventig: verhitte discussies over kernwapens, rijk en arm, het communistische gevaar, levensstijl en hippiedom, het milieu. Ik had niet het gevoel dat het christelijk geloof daarover iets zinnigs te zeggen had. Hoe konden mensen uit mijn kerkelijke omgeving voorstander zijn van het bezit van kernwapens? Hoe kon je überhaupt wapens bedenken die de hele wereld vernietigen en hoe kon je ook nog bereid zijn die te gebruiken? Het stond voor mij vast dat dit niet te verenigen was met christelijk geloof. Maar dat betekende dat ik dus ‘links’ was en dat was in mijn omgeving wel heel erg fout. Dan kon je geen christen zijn. Wij hebben tegenwoordig de mond vol over polarisatie, maar dat is kinderspel vergeleken met de kernwapendebatten die we in de jaren zeventig hadden! Als je tegen kernwapens was, werd je een landverrader genoemd. ‘Dus jij wilt dat die soldaten hierheen komen en mijn dochters verkrachten, alleen maar omdat jij geen kernwapens wilt?!’
Op school las ik tijdens tussenuren in de leeszaal alle opinieweekbladen: Elsevier, de Haagse Post, Vrij Nederland, De Tijd, Hervormd Nederland. Het was duidelijk dat ik opgroeide in een wereld met grote problemen: de Koude Oorlog, kernwapens, wereldwijde armoede, milieuproblematiek, en niet te vergeten de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog met de Jodenvernietiging, een diepe schaduw over onze samenleving. De ernst daarvan greep me aan, maar ik had tegelijk het gevoel dat mijn geloof daar weinig over te zeggen had. Ik had sterk het idee dat als ik politiek-moreel de goede keuzes wilde maken, links wilde zijn dus, ik mijn geloof zou moeten opgeven. Ik ervoer dus achteraf gezien een soort kloof tussen natuur en genade, tussen kerk en samenleving. Ik had niet het gevoel dat ik met die vragen bij veel mensen om me heen terechtkon. Op een gegeven moment zag ik op tv – die we officieel niet hadden, maar mijn oudste broer had toch een ruis-en-sneeuw-producerend-beestje op zijn kamer gesmokkeld – een interview met een zekere Egbert Schuurman. Hij had dezelfde vragen als ik! En hij gaf eindeloos lange antwoorden – het leken wel colleges. Ik zat aan de buis gekluisterd. De andere dag fietste ik naar boekhandel Schaafsma in Dokkum om van mijn zakgeld Techniek, middel of moloch? van deze Egbert Schuurman te kopen. Het was niet op voorraad. Dat was de eerste teleurstelling, en toen ik het uiteindelijk in bezit had, kreeg ik letterlijk hoofdpijn van het lezen – de tweede teleurstelling. Ik was een jaar of veertien, vijftien en behoorde daarmee kennelijk niet tot de primaire doelgroep van het boek. Maar het fascineerde me wel enorm. Dit zijn de echt belangrijke vragen, voelde ik.

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.