Friedrich Nietzsche en de vrijheid van de ironie

Friedrich Nietzsche

Onze vrijheid bestaat in de mogelijkheid om onze vooronderstellingen tegen het licht te houden. Nietzsche gebruikt daarvoor het middel van de ironie. Nietzsche lezen is echter bepaald ongemakkelijk, volgens Hans Ester. Wie meegaat in de ironische spot en zichzelf denkt te kunnen scharen onder de elite van goede verstaanders, is zomaar zelf het mikpunt van diezelfde ironie.

De Duitse filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900) trok met een enorm taalvermogen ten strijde tegen de geijkte overtuigingen en waarden van zijn tijd. Hij wist de Duitse taal op briljante en buitengewoon geestige manier in te zetten voor zijn eigen filosofie waarin het leven in het middelpunt staat. Nietzsches werk is samen te vatten als één groot pleidooi voor het leven, tegen de dorre wetenschap en tegen elke oriëntatie op het geloof in het hiernamaals. De vraag is, hoe Nietzsche dat pleidooi voor het leven en voor de bevrijding van het denken over dat leven in de wisselwerking met zijn lezers gestalte gaf. Is de term ironie op Nietzsche van toepassing? Wanneer dat zo is, is het verleidelijk de vervolgvraag te stellen naar de verhouding van Nietzsches ironie ten opzichte van zijn vorm van humor en in verhouding tot zijn satirische afrekeningen met tegenstanders. Als classicus was Nietzsche uitstekend op de hoogte van de Griekse filosofie. Daarom is het zinvol om al op deze plaats de naam van Socrates te laten vallen. Socrates voert gesprekken met anderen, terwijl hij zich hult in de schijn van onwetendheid. Je doet je anders voor dan je bent. Je houdt je van de domme, dat is Socrates. Dat doet hij niet om anderen bloot te stellen aan een negatief oordeel over hun intellectuele tekortkomingen. Socrates past de socratisch-ironische methode toe om zijn gespreksgenoten tot inzicht te brengen over de grenzen van hun kennis en hen aan te moedigen om verder te denken dan zij deden. Deze ironie is van opvoedkundige aard. Nietzsche is zijn erfgenaam, maar dan wel een erfgenaam die zijn eigen weg gaat en retorische keuzes maakt die vooral naar de eerste helft van de negentiende eeuw, in het bijzonder naar de romantische dichters en denkers verwijzen.

De romantische ironie

Over de zogeheten romantische ironie is zeer veel gepubliceerd.1 Het gaat daarbij in de eerste plaats om commentaren van tijdgenoten van Friedrich Schlegel (1772-1829). Sommigen nemen zijn gedachten volledig over, anderen verwerpen het en reageren negatief. Tot deze laatsten behoort de filosoof Kierkegaard. Laatstgenoemde miste in de romantische ironie het ideaal en de rechtstreekse verbinding van denken en werkelijkheid. De discussie over de romantische ironie strekt zich over de gehele negentiende eeuw uit. Hoe divers de benaderingen ook zijn, allen vinden zij hun uitgangspunt in het werk van Schlegel, de gezaghebbende theoreticus van de Romantiek die ook met zijn werken als Lucinde opzien baarde, een erotische roman in brieven met een veelheid van gezichtspunten en perspectieven op de liefde die van de lezer een permanente vorm van opnieuw denken verlangen. Op de titelpagina van Lucinde staat: ‘Belijdenissen van een onaangepaste’. Schlegel begint zijn verduidelijking van het begrip ironie door naar Socrates te verwijzen. Ironie is volgens deze redenering een weloverwogen misleiding die niemand bedriegt behalve degenen die haar als bedrog beschouwen. Deze bedrogenen kunnen plezier hebben in het spel of boos worden, omdat ze aanvankelijk voor het lapje werden gehouden. Bij Schlegel draait de inzet van ironie om de combinatie van kunstzinnige aanleg2 enerzijds en wetenschappelijke geest anderzijds. Schlegel ziet in de ironie de mogelijkheid van een openbaring van de spanning tussen denken en scheppen. De verbinding tussen het ideaal van de absolute wetenschap en de werkelijkheid van de op de kunst gerichte filosofie veroorzaakt kortsluiting. Het ideaal zou bijvoorbeeld een idyllische beschrijving van het volmaakte menselijke bestaan kunnen zijn. In Schlegels ogen zou dit ongereflecteerde platheid tot resultaat hebben. Schlegel streeft daarentegen de wisseling na tussen ideaal en werkelijkheid, tussen het oneindige en het eindige. Homogeniteit van werkelijkheid en kunst is uitgesloten. Wanneer een kunstenaar een werk schept, dient deze kunstenaar zich ook uit te spreken over zijn verhouding tot zijn eigen werk. De kunst moet zich verheffen boven zichzelf door alle genialiteit en deugdzaamheid vanuit ironische distantie te beschouwen, precies de verwarrende kantelbeweging in Lucinde. De ruimte tussen werk en kunstenaar biedt de mogelijkheid om met de verhouding van het ideaal tot de werkelijkheid te spelen. Dat spel kan zich op afstand plaatsen van wat verstandig en goed is, maar – aldus Schlegel – wat onverstandig lijkt te zijn, moet tevens noodzakelijk en verstandig zijn. Het groteske als het uit zijn normale voegen gelichte kan bijvoorbeeld niet het eindstation zijn. Er moet op de strijd tussen tekening (de eendimensionale weergave) en de vertekening van het gladde, harmonische een zinvolle synthese volgen. De vraag is, in hoeverre Nietzsche zich het gedachtegoed van de romantische Schlegel heeft toegeëigend. Deze vraag moet op de achtergrond van de volgende alinea’s aanwezig blijven.

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.