Felix culpa, de troost van ironie in de Bijbel

Illustratie, Felix culpa, de troost van ironie in de Bijbel

Je verwacht het niet, maar het Nieuwe Testament staat bol van ironie. Lucas is de meester van de ironiserende vertelling. Bij Marcus gaat het om een doorlopende ontmaskering. Op het moment dat je denkt dat je de boodschap begrepen hebt, vergis je je. Johannes laat de ironie van de gebeurtenissen zien, door de lezer in te wijden in een andere taal en een kijkje te geven achter de schermen.

Nu de ene na de andere versie van de Bijbel op de markt komt – in deftige taal, in gewone taal, in straattaal – is het wachten op een Bijbelvertaling met emoticons, hét leeshulpje van de 21e eeuw. Mocht zo’n versie er komen, dan zullen de boeken van Lucas (het Evangelie en Handelingen) nogal lijvig uitvallen door de talloze smileys. Lucas is een intellectueel die de wereldtaal van die dagen zeer goed beheerst en de ironische stijl van vertellen meester is. Het hoogtepunt in zijn werk vind ik het pleidooi dat Paulus voert voor Agrippa en Festus in het proces dat de Joden tegen hem hebben aangespannen. De drie hoofdrolspelers bedienen zich alle drie zelf van ironie en elke andere verteller dan Lucas had de ironische details weggelaten, als hij ze al had opgemerkt.
Van een heel andere orde is de ironie in Johannes en Marcus. Johannes betrekt de lezer met ‘samenzweerderige’ knipogen en van Marcus krijgen we uitsluitend duimpjes naar beneden.

Ironie van gebeurtenissen

Laten we het klassieke voorbeeld van ironie uit het vorige artikel nemen. Izebel zegt tegen Achab: “Jij bent nog eens een koning!”. Ze bedoelt: Niet dus! Hetzelfde voorbeeld staat in de evangeliën. Romeinse soldaten die Jezus kruisigen, moeten in opdracht van Pilatus een bordje aan het kruis vastmaken, waar de ironie van afdruipt: ‘Koning der Joden’. Niet dus. Alles wat een koning wel heeft, heeft deze meneer niet. De soldaten maken een dolletje met hem, vlechten een kroon van takken, zetten die op het hoofd van Jezus en trekken hem een kleed aan. “Avé Majesteit! Koning der Joden!” Ironisch is de correctie die de Joden op dit bordje willen aanbrengen. Er moet staan dat hij gezegd heeft dat hij de Koning der Joden is, niet dat hij het is. Hadden ze dit niet tegen Pilatus gezegd maar tegen de soldaten dat was de spot ongetwijfeld verhevigd: ‘Oh, dus hij ís het niet! Hij heeft het alleen maar gezégd! Ja, nu snappen we het.’ Lijkt Jezus het slachtoffer van de ironie van de soldaten, Johannes betrekt de lezer op zo’n manier bij het verhaal dat de soldaten en de Joden het slachtoffer worden van de ironie. Maar dan gaat Johannes weer een stapje verder. Ook deze ironie wordt weer omgekeerd. De soldaten zijn geen slachtoffer, ze zijn actor. Ze kronen Jezus tot Koning. Ook de overige rollen worden omgedraaid. Niet Judas verraadt Jezus, maar Jezus geeft zich over. Niet Pilatus veroordeelt Jezus, maar Jezus neemt zijn kruis op zich.
Door de vertelling van Johannes wordt duidelijk dat het verraad van Judas, de veroordeling door Pilatus, de verloochening door Petrus weliswaar kwaad waren, maar noodzakelijk bijdroegen aan iets goeds: de realisering van het koninkrijk Gods. Door kwaad te doen, hadden ze daarin een actieve rol, paradoxaal gesproken.

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.