Fatsoen zit ´m in zorgvuldig formuleren

Illustratie, Fatsoen zit ´m in zorgvuldig formuleren

In ons oordeel over andere godsdiensten, rassen en culturen komt het erop aan hoe we dat oordeel formuleren. Iedereen in de samenleving moet zijn zelfrespect kunnen behouden, volgens Jan Hoogland, ook de vreemdeling-die-in-uw-steden-woont.

Er loopt een diepgaande kloof door ons land en door grote delen van Europa. Die controverse gaat over de vraag hoe onze houding moet zijn tegenover vreemdelingen die in onze samenlevingen binnendringen. In het debat daarover is de nuance vaak ver te zoeken. Zo wordt bijvoorbeeld nauwelijks onderscheid gemaakt tussen immigranten (zoals de voormalige ‘gastarbeiders’), arbeidsmigranten (veelal uit Oost-Europa) en asielzoekers. Een sterk complicerende factor in deze controverse wordt bovendien gevormd door de discussie over de islam. Veel vreemdelingen in ons land hebben een islamitische achtergrond en de vrees voor de islam is momenteel erg groot. Zo spreekt bijvoorbeeld Wilders van een islamisering van Europa.

Recentelijk zijn er twee publicaties verschenen van adviesraden van de overheid over deze problematiek: van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid het rapport De nieuwe verscheidenheid – Toenemende diversiteit naar herkomst in Nederland, en van het Sociaal Cultureel Planbureau De religieuze beleving van moslims in Nederland. Het rapport van de WRR is in die zin spraakmakend, dat het de eerste keer is dat de WRR echt spreekt van een probleem als het gaat om het vermogen van een samenleving om vreemdelingen op te nemen. Tot op heden was de WRR volgens velen een typische representant van het ‘multi-culti-denken’. Nu lijkt de WRR echter in de ogen van de tegenstanders van dat denken een meer realistische koers te varen. Heel anders is de toon van het SCP-rapport. In dat rapport wordt benadrukt dat de religiositeit van vreemdelingen in Nederland niet afneemt, wat je zou verwachten in een geseculariseerde context als de Nederlandse samenleving, maar juist toeneemt. Met name mensen met een islamitische achtergrond lijken in Nederland eerder godsdienstiger te worden dan andersom. Een van de factoren die dat zou bevorderen is het feit dat deze mensen zich in onze samenleving vaak afgewezen en niet echt thuis voelen.

Verdeeld

Opmerkelijk is dat ook christenen over deze vraagstukken sterk verdeeld zijn. Zo maakt de ChristenUnie zich sterk voor de vluchtelingen. Heel anders dan bijvoorbeeld het CDA en de SGP die veel nadruk leggen op de nationale identiteit en de grenzen aan het vermogen van onze samenleving om vreemdelingen op te nemen.

Hoe zorgelijk is deze situatie? Telkens weer zijn mensen geneigd een vergelijking te maken met de Europese situatie tussen de twee wereldoorlogen. Want er zijn bepaalde parallellen tussen die periode en de huidige tijd. Denk aan het toenemende nationalisme en de angst voor vreemdelingen. Tegelijk wordt die vergelijking door velen als onkies beschouwd, omdat er geen enkele reden is de huidige situatie te vergelijken met het opkomende antisemitisme van destijds en de daaruit volgende holocaust.

Toch vind ik dat deze vergelijking gemaakt moet kunnen worden om onszelf in staat te stellen te leren van de geschiedenis. Daarbij is het natuurlijk wel belangrijk oog te hebben voor overeenkomsten én verschillen.

Evidente verschillen met het interbellum zijn in ieder geval de veel slechtere economische situatie van toen en het feit dat met name door de nazi-ideologie vooral de Joden in het centrum van de aandacht stonden. Ook nu is er nog altijd sprake van antisemitisme en volgens sommigen zelfs weer in toenemende mate, maar tegelijk zijn er veel (extreem)rechtse partijen die zich nadrukkelijk van dit antisemitisme distantiëren, zoals de Nederlandse PVV.

Tegelijk is het goed om recht te doen aan het feit dat de vreemdelingenhaat van voor de Tweede Wereldoorlog zich niet beperkte tot de Joden. Ook homoseksuelen, Roma en Sinti waren er destijds de slachtoffers van. Sterker: alle nietAriërs waren voor de nazi’s inferieur. Dat verklaart ook dat Polen en de voor de SS’ers rechteloos en vogelvrij waren. De Duitse ideologie van destijds was uitgesproken racistisch in de zin dat de wereld verdeeld leek in mensen van het eigen ras (en daarmee verwante rassen en volken) en de andere, inferieure rassen. In die zin was het antisemitisme onderdeel van een veel breder verhaal. Hoogstens werd de Joden door de nazi’s verweten alle inferieure rassen op te zetten tegen het ene overheersende ras van de Ariërs.

Geen extremisme

Gelukkig zijn deze extremistische ideeën bij geen van de huidige rechtse partijen te ontwaren. En daarmee is misschien wel het belangrijkste verschil met de periode van voor de Tweede Wereldoorlog geschetst. Toch is daarmee niet alles gezegd. Want het extremisme van de nazi’s was de uitkomst van een proces. Het verloop daarvan was niet bij voorbaat te voorspellen. In zekere zin zou je kunnen zeggen dat er toen sprake was van een sterk opkomend extremisme dat uiteindelijk onbeheersbaar bleek. En in dat opzicht zijn er wel overeenkomsten. Om die reden vind ik het zeer belangrijk om in de discussies over de controverse rond het vreemdelingenbeleid uiterst zorgvuldig te zijn in de manier waarop wij over elkaar spreken. Ik zou twee voorbeelden willen noemen.

In de eerste plaats zou men uiterst zorgvuldig moeten spreken over de eigenschappen die verbonden zouden zijn met mensen van onderscheiden culturele, etnische of godsdienstige achtergrond. Een voorbeeld: volgens mij bestaat er een groot verschil tussen de volgende twee beweringen: “Onder mensen met een Marokkaanse achtergrond zijn er gemiddeld meer criminelen dan onder mensen met een Nederlandse achtergrond” of “Mensen met een Marokkaanse achtergrond zijn crimineler dan mensen met een Nederlands achtergrond”. De eerste stelling is feitelijk waar, maar laat open waaraan dit ligt. Zij biedt geen verklaring. De erkenning van dit feit kan aanleiding zijn voor de formulering van beleid om deze situatie te veranderen. De tweede stelling bevat echter meteen ook een interpretatie van het genoemde feit, namelijk dat dit verschil in criminaliteit rechtstreeks verbonden zou zijn met het Marokkaan-zijn van betrokkenen. Een dergelijke stelling is discriminerend en beledigend en bovendien absoluut onbewezen. Vergelijk dit bijvoorbeeld met de volgende beweringen: “Mannen zijn gemiddeld vaker betrokken bij ongelukken in het verkeer dan vrouwen” of “Mannen maken meer ongelukken in het verkeer dan vrouwen”. De laatste stelling geeft opnieuw een verklaring van de eerste bewering, namelijk dat het maken van ongelukken verbonden zou zijn met het man-zijn van de chauffeurs.

Het slechte van deze manieren van spreken is dat iets als verklaring wordt gegeven zonder dat ook maar enigszins inzichtelijk is hoe dat verband precies ligt. Zo bezien is het niet meer dan een speculatieve uitspraak die bovendien ook nog eens beledigend of vernederend is en daarmee immoreel. Want zij verziekt de onderlinge verhoudingen. Volgens mij moet het relatief simpel zijn om alle uitspraken over vreemdelingen en het vreemdelingenbeleid te ‘screenen’ op de wijze waarop culturele, etnische of godsdienstige achtergronden met persoonlijke eigenschappen worden verbonden om zo toelaatbare van ontoelaatbare, immorele beweringen te scheiden.

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.