Eigenaardige overtuigingen: over religieus geloof in de filosofie en elders in het denken

Wat zijn religieuze overtuigingen voor ‘eigenaardige’ overtuigingen? Waarom zijn ze zo stabiel en richtinggevend voor het denken en handelen en de identiteit van gelovigen? Zijn het overtuigingen met een geheel eigen aard of verschillen ze toch niet wezenlijk van onze andere ‘gewone’ overtuigingen? Jeroen de Ridder hield zijn oratie over deze thematiek. Amsterdam, 1943. Een indringend gesprek tussen de jonge bioloog Johann Heinrich Diemer en de Amsterdamse filosoof Herman Dooyeweerd.[i] Na afloop schreef Diemer direct dat hij niet meer terug zou komen bij het Laboratorium voor Anatomie en Embryologie van de Rijksuniversiteit Groningen. Diemer was tot de conclusie gekomen dat zijn positie daar onverenigbaar was met zijn gereformeerde geloofsovertuiging. Niet omdat er een conflict tussen biologie en christelijk geloof zou

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.