Duurzame schaarste

Ad van Geesbergen analyseert twee duurzaamheidsparadigma’s, dat van de ecologische economie en van de milieueconomie. Aan die paradigma’s liggen volgens hem levensbeschouwelijke overwegingen ten grondslag, zonder dat ze als levensbeschouwelijk worden herkend.

 

Het huidige duurzaamheidsbeleid kan in Tour de France-termen worden gezien als een vlakke etappe in aanloop naar de bergen. De zware cols moeten nog komen. In Nederland hebben de klimaattafelgesprekken een indrukwekkende lijst van uitdagingen op het terrein van duurzaamheid opgeleverd. Ik noem er enkele: het isoleren en gasvrij maken van woningen, fossielvrije energievoorziening, verduurzaming landbouw en transport, het creëren van een circulaire economie. Dat al deze uitdagingen nu op tafel liggen is het gevolg van het decennialang te weinig serieus nemen van alarmerende signalen die de grenzen van de groei aangaven. Gevoed en beheerst door het idee van een maakbare samenleving hebben we de spanningen tussen behoeften en beschikbare middelen toegedekt door een ‘geloof’ in technologische oplossingen. Een bedekking die lastige vragen lange tijd aan het zicht heeft onttrokken. De opeenstapeling van verontrustende berichten over het klimaat en een reeks van milieucrises markeren het einde van een periode van vooruitschuiven van problemen: het idee van maakbaarheid stuit op grenzen. De heftigheid waarmee het maatschappelijk-politieke debat over duurzame ontwikkeling gevoerd wordt, wijst op fragmentering van wereldbeelden en op ‘het uiteenvallen van het meest elementaire vertrouwen in de wereld en van de fundamenten waarop onze beschaving rust’ (Neiman, 2019, 19).

 

Brundtland

In het debat speelt de Brundtland-definitie van duurzame ontwikkeling een belangrijke rol. Deze definitie luidt als volgt: “een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder daarbij de behoeften van de toekomstige generaties in gevaar te brengen”. (“… to meet the needs of the present without compromising the ability of future generations to meet their own needs”, WCED, 1987, 24). Aan deze definitie kleven levens- en wereldbeschouwelijke opvattingen. Normatieve begrippen als rechtvaardigheid en verantwoordelijkheid lichten helder op: de verdeling van lasten en lusten tussen huidige en toekomstige generaties.[1]

De Brundtland-definitie is nog steeds leidend bij het opstellen van beleidsadviezen op het terrein van duurzaamheid. Daarbij worden economische duurzaamheidstheorieën gebruikt voor het analyseren van de effecten van dat beleid. Voor een goede afweging van beleidsvoorstellen is helderheid over de vooronderstellingen waarop dergelijke theorieën zijn gebaseerd belangrijk. Deze vraag naar verheldering van de vooronderstellingen is relevant, omdat economen bij het theoretisch uitwerken van het begrip duurzaamheid voor de lastige uitdaging staan, hoe handen en voeten te geven aan de verwevenheid van wetenschap en levens- en wereldbeschouwelijke opvattingen (= levensovertuigingen). In mijn promotiestudie heb ik, geïnspireerd door de filosofie van Dooyeweerd, die verwevenheid in twee economische duurzaamheidsparadigma’s kritisch geanalyseerd: de milieueconomie van Pearce en Turner en de ecologische economie van Daly en Farley.

 

Waarom Dooyeweerd?

Op basis van Dooyeweerds filosofie is het mogelijk om

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.