De vos Wolterstorff en het egeltje Dooyeweerd

Illustratie, De vos Wolterstorff en het egeltje Dooyeweerd

Onder filosofen heb je egels en vossen. Voor egels bestaat het universum uit louter buitenwereld. Vossen speuren naar wat voorhanden is. Nicholas Wolterstorff vindt zichzelf zo’n vos. Toch kan hij ook z’n stekels opzetten tegen Dooyeweerd, die hij een egel pur sang noemt.

Om hun leermeester Nicholas Wolterstorff te eren, stelden Bart Cusveller, Rob Nijhoff en Robert van Putten een bundel essays samen onder de titel Denken om shalom. De thematiek van de bundel is vergelijkbaar met die van dit nummer van Soφie: op het gebied van onderwijs, politiek, theologie en samenleving leveren diverse leerlingen en vrienden hun bijdrage. De boeiendste input komt van Wolterstorff zelf, waarmee zijn grootheid is onderstreept. Het biografische verhaal uit de bundel is tevens opgenomen in dit nummer, dus als dat u heeft aangesproken, moet u beslist ook het boek lezen.
De andere bijdrage van Wolterstorff aan Denken om shalom gaat over zijn verhouding tot het Nederlandse neocalvinisme. Het is een hoofdstuk dat in kort bestek een helder inzicht biedt in de motieven en projecten van Kuyper en Dooyeweerd. Voor Wolterstorff lig de betekenis van Kuyper in diens roeping om als christen deel te nemen aan alle praktijken in de samenleving, dus ook in de wetenschap. Belangrijk vindt Wolterstorff tevens de aandacht van Kuyper voor de subjectieve factor. Wetenschap is altijd het resultaat van interactie en van interpretatie. Vervolgens is wetenschap ook perspectivistisch van karakter: “Wie in kommer en ellende is opgegroeid, zal een geheel andere blik hebben op de rechtsverhoudingen (…) dan wie zich van jongs af baadde in overvloed” en “Een Roomsch-Katholiek heeft een geheel andere voorstelling van de historie der Reformatie dan een Protestant”, citeert Wolterstorff met instemming Kuyper.

Dialogisch pluralisme

Tot de subjectieve factor die een christen de wetenschap indraagt behoort ook zijn wereldbeschouwing, volgens Kuyper een omvattende interpretatie van het leven en de ganse werkelijkheid. Joden, humanisten, atheïsten – ze leveren met hun wereldbeschouwing allen hun eigen bijdrage aan de wetenschap. Door de dialoog kunnen we tegenstellingen overwinnen en dichter bij elkaar komen. Wolterstorff noemt deze gedachte van Kuyper dialogisch pluralisme.
Dit pluralisme staat echter op gespannen voet met de antithese. Van de veelheid (pluralisme) valt Kuyper terug op tweeheid: ten diepste ligt aan de veelheid van wereldbeschouwingen de religieuze antithese ten grondslag die de wereld verdeelt in tweeërlei mensen, tweeërlei wetenschap en tweeërlei geloof: christelijk geloof en wetenschapsgeloof. Volgens Wolterstorff schieten we met zo’n tweedeling niks op en gooi je al je verschillende collega’s op de grote hoop van het ongeloof. Dat leidt nooit tot de gewenste vruchtbare dialoog.

Dooyeweerd

Heeft Wolterstorff moeite met Kuypers antithese, bij Dooyeweerd zit hem de synthese dwars. Dooyeweerd plaatst zichzelf buiten een eeuwenlange traditie van christelijke filosofie, door het middeleeuwse denken aan te merken als synthesefilosofie, namelijk de synthese tussen het klassieke denken (natuur) en theologie (genade). Volgens Wolterstorff verliest Dooyeweerd zich, zoals wel vaker, in de grote greep. Hij brengt tegen Dooyeweerd in dat reeds de klassieke natuuropvatting gekerstend werd door veel filosofen, en dat bij de meesten, ook bij Thomas, het contrast tussen natuur en genade nauwelijks een rol speelt. Dooyeweerd is veel te veel bezig met zijn eigen systeem, ook als het om cultuur en samenleving gaat. Cultuur is bij hem vooral ontsluiting, differentiatie van structuren die in de schepping zijn gelegd. Dooyeweerd legt ordeningen bloot en kent de specifieke eigenschappen van kerk, school en gezin, hun ontwikkelingen en verstoorde ontwikkelingen, maar hij is daarmee niet in staat om maatschappelijke thema’s te agenderen. Ik zie onderdrukking en de roep om bevrijding. Ik zie onrecht en de roep om recht, zegt de vos Nick tegen de egel Herman, zullen we het daarover hebben? Wolterstorff eindigt deze beschouwing over Dooyeweerd met een voorbeeld. “We vragen bijvoorbeeld wat onze scholen moeten doen. Moeten onze scholen kinderen middageten aanbieden?” Geprikkeld geeft hij zelf het antwoord: “We zijn het niet aan God verschuldigd om de intrinsieke aard van de School te realiseren, we zijn het aan God verschuldigd om met onze eigen institutionele configuraties zijn zaak van rechtvaardigheid en shalom te dienen.”

Mensenrechten

De meest kritische bijdrage op Wolterstorff zelf komt van Govert Buijs. Hij vraagt zich af of het wel zo handig is van Wolterstorff om te claimen dat mensenrechten uitsluitend vaste grond hebben met een theïstische basis. Die doet deze claim in Justice: Rights and Wrongs uit 2008. Buijs wijst op de katholieke filosoof Jacques Maritain, die betrokken was bij de totstandkoming van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Die mensenrechten werden geformuleerd ‘met de handen op de rug’. De deelnemers mochten zich wel uitspreken over de vraag of ze het ermee eens waren, op voorwaarde dat ze de achtergrond, het waarom, zouden verzwijgen. Zo ontstond wat John Rawls zou noemen overlappende consensus. Wanneer je het waarom claimt, maak je het anderen nodeloos moeilijk om eenzelfde oordeel te hebben, vindt Buijs. Hij stemt Wolterstorff toe dat het filosofisch heel moeilijk is om zonder een verwijzing naar God mensenrechten te formuleren, zoals ook MacIntyre al aangaf: ‘rights attaching to human beings simply qua human beings’ bestaan niet. Maar juist omdat het zo moeilijk is, en tegelijk het belang van deze rechten heel hoog is, moeten we ze koesteren en niet claimen. De rechten staan immers onder druk. Voordat we het weten, mogen ouderen en gehandicapte kinderen zonder meer gedood worden, zoals Aristoteles al vond. En dan was Aristoteles nog een weldenkend mens… Wolterstorff stelt zich meer antithetisch op dan hij in relatie tot Kuyper aangaf te zijn.

Negatieve theologie

Aardig is de discussie die in de bundel zelf gevoerd wordt tussen Wolterstorff en Bas Hengstmengel. In zijn bijdrage over het neocalvinisme valt Wolterstorff Dooyeweerd aan op de onmogelijkheid die er volgens Dooyeweerd is om te spreken over God. Hij vindt het betoog van Dooyeweerd innerlijk tegenstrijdig. Hengstmengel neemt het voor Dooyeweerd op.

Het is weliswaar onvermijdelijk om over God te praten en na te denken, maar onze begrippen zijn niet zomaar op God van toepassing. God is hoger dan ons denken, staat buiten de tijd en buiten de geschapen werkelijkheid. De begrippen die wij gebruiken zijn grensbegrippen. Volgens Hengstmengel vat Wolterstorff dit concept van Dooyeweerd verkeerd op. Als we begrippen gebruiken voor God, zijn dat analoge begrippen, analoog aan wat we gewend zijn ermee aan te duiden. Hengstmengel: “Wanneer we bijvoorbeeld spreken over God als Vader, kunnen we de betekenis die het vaderbegrip voor ons heeft niet overstijgen, maar beseffen we dat Gods vader-zijn meeromvattend is. Hetzelfde geldt voor het spreken over de eigenschappen van God. Wij begrijpen wat ‘machtig’ is en we kunnen spreken over God in termen van ‘almacht’ (…) Ze zijn geen materiaal voor logische gevolgtrekkingen en causale verbanden.”

“Een God aan wie logische eigenschappen worden toegekend is in Dooyeweerds perspectief echter niet de God van de Bijbel, maar een metafysisch construct. De vraag is waar gelovig spreken in Bijbelse termen overgaat in reflectie op dat geloof. (…) Dooyeweerd zet die overgangen wel sterk aan. Wolterstorff lijkt die overgangen wel van erg weinig belang te vinden.” Een boeiende discussie, waarin Hengstmengel verrassende bronnen aandraagt.

God-taal

Persoonlijk ben ik net zo huiverig als Dooyeweerd voor het creatieve gebruik van analogieën. Ik vind Dooyeweerd vroom als hij op een Joodse manier de hand op de mond legt als het over God gaat en ik vind Wolterstorff vroom als hij onbekommerd van alles en nog wat over God weet te vertellen. Toch heb ik mij op ten minste één plaats in het boek dooyeweerdiaans verwonderd. Het betreft een tere zaak. Wolterstorff heeft zijn zoon verloren toen deze 25 jaar was. Het verdriet daarover moet overweldigend zijn en enorm desoriënterend. Ik ken verdriet niet op die manier. Maar ik frons wel mijn wenkbrauwen als ik lees: “Ik deel nu in de pijn over de dood van zijn Zoon.” Herman Veenhof citeert deze uitspraak van Wolterstorff in een overigens prachtig hoofdstuk ‘Rouw en verdriet’. Ik zou zelf nooit op zo’n gedachte komen en ik zou ook niet weten welke troost ze biedt. Juist door zo’n ervaring blijkt de pluraliteit; maar zolang er een plurale dialoog plaatsvindt is dat geen probleem. Aan die dialoog en dus aan de shalom draagt dit boek weldadig bij.

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.