De meeste mensen deugen, maar niet deugen kunnen ze allemaal

Hannah Arendt vindt het kwaad oppervlakkig (banaal) en het goede diep. Maar ook het goede kan banaal zijn, volgens Jan Hoogland.

In het vorige nummer van Sofie ben ik uitgebreid ingegaan op het thema van de banaliteit van het kwaad bij Hannah Arendt. Ik heb de banaliteit van het kwaad toen omschreven als “de weigering om over zichzelf na te denken, de dialoog aan te gaan en de verantwoordelijkheid te nemen voor het eigen handelen” en noemde die weigering verwijtbaar.

Dat riep bij mij de vraag op of er ook met betrekking tot het goede sprake zou kunnen zijn van een vergelijkbare gedachteloosheid. Arendt zelf brengt dit thema niet ter sprake. Zij stelt dat het kwaad niet ‘radicaal’ (diepgeworteld) kan zijn, omdat alleen het goede diepte heeft en in die zin radicaal kan zijn. Dus volgens haar is banaliteit een eigenschap van het kwaad, niet van het goede.

Toch kwam ik een proefschrift tegen met als titel De banaliteit van het goede. In dit boek gaat de auteur Meralda Slager in op organisaties die erop gericht zijn belangrijke maatschappelijke doelen te realiseren, maar die in de loop van de tijd steeds meer een doel in zichzelf dreigen te worden en de ideële doelen dienen waartoe zij zijn opgericht uit het oog dreigen te verliezen.

Slager wil met de notie van ‘de banaliteit van het goede’ tot uitdrukking brengen dat ook het streven naar het goede in een bepaald opzicht banaal kan worden en tot een vorm van routinematig handelen kan vervallen. Zij brengt de term ‘banaliteit’ in verband met alledaagsheid, een opvatting die zij illustreert aan de hand van Heideggers analyse van het alledaagse. Heidegger heeft geen moreel oordeel over het alledaagse. Volgens hem hebben wij allemaal met het alledaagse te maken. Wat het water is voor de vis, is de alledaagsheid voor ons mensenleven: de omgeving waarin wij ons dagelijks bevinden. Toch daagt Heidegger ons uit over dat alledaagse na te denken en ons van de vanzelfsprekendheid ervan bewust te worden om zo bewuster en met meer aandacht te kunnen leven.

Zoals het kwaad in gedachteloosheid kan geschieden, geldt dat in zekere zin ook voor het goede. Een organisatie die gericht is op de realisering van een ideëel doel, de behartiging van een publiek belang, kan desondanks verstarren en tot routinematigheid vervallen. Dan wordt de organisatie als het ware een doel in zichzelf en verdwijnt de aandacht voor het ideële doel vanzelf naar de achtergrond. Er is dan sprake van een vorm van gedachteloosheid die de aandacht voor het goede verdringt: het goede wordt als het ware een automatisme.

Banaal versus diep

In dit artikel wil ik via een andere invalshoek verkennen in hoeverre er van zoiets als de ‘de banaliteit van het goede’ sprake zou kunnen zijn. Kun je ook het goede zien als iets dat wordt voortgebracht door een vorm van handelen die gedachteloos is, zonder bewuste intenties of aandacht? En welke consequenties heeft dat dan? De overeenkomst tussen de banaliteit van het goede en van het kwade zit hem dan in het feit dat beide vormen van handelen gedachteloos zijn. Wat hen onderscheidt is dat dit gedachteloze handelen in het ene geval het kwade, in het andere het goede uitwerkt, hetgeen tot de conclusie zou kunnen leiden dat ‘de banaliteit van het goede’ in ieder geval in die zin beter is dan de ‘banaliteit van het kwaad’, omdat zij het goede uitwerkt, hoe gedachteloos ook.

Tegelijk denk ik dat ‘de banaliteit van het goede’ niet in letterlijke zin als het spiegelbeeld van ‘de banaliteit van het kwaad’ opgevat kan worden. Immers, het goede is niet zonder meer het tegendeel van het kwade. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de opvatting van Augustinus, namelijk dat het kwaad als de afwezigheid van het goede (privatio boni) gedacht moet worden. Of, zoals Arendt het zegt, alleen het goede kan radicaal (diep) zijn, het kwaad is per definitie banaal.

De meeste mensen deugen

Voor het vervolg van mijn verhaal wil ik aanknopen bij het geruchtmakende boek van Rutger Bregman, De meeste mensen een deugen – Een nieuwe geschiedenis van de mens. In dit boek onderzoekt Bregman de vraag hoe het komt dat eeuwenlang de zienswijze dat de mens van nature egoïstisch is en weinig rekening houdt met het belang van anderen, dominant was. Dat geldt zowel voor de christelijke traditie (met name ook het calvinisme) als voor de Verlichting. Bregman behandelt een groot aantal auteurs dat vanuit de filosofie en vanuit de wetenschap over dit onderwerp geschreven heeft. Het beeld dat daaruit naar voren komt is een stuk genuanceerder dan het dominante pessimistische mensbeeld doet vermoeden. Naast vele studies die een pessimistisch mensbeeld lijken te ondersteunen, zijn er ook talloze studies die het tegendeel lijken aan te tonen.

Vervolgens gaat Bregman nog een stap verder. Hij laat niet alleen zien dat er in het (vooral meer recente) wetenschappelijk onderzoek een veel genuanceerder beeld van de mens bestaat dan je op basis van het pessimistische mensbeeld zou verwachten, maar dat er bovendien sprake is van aantoonbare fouten en eenzijdigheden in studies die tot een negatieve beoordeling van de menselijke natuur concluderen. Bregman bespreekt daar meerdere voorbeelden van waaronder het roemruchte Stanford-gevangenisexperiment en het niet minder bekende experiment van Milgram.

Deze beschouwingswijze leidt tot een dubbele conclusie: 1) blijkbaar is het zo dat het mensbeeld waar filosofen of wetenschappers van uitgaan bij het bestuderen van de menselijke natuur en het menselijke gedrag in hoge mate bepalend is voor de uitkomsten van hun onderzoek. Het vooringenomen mensbeeld werkt blijkbaar als een selffulfilling prophecy: wie het mensbeeld heeft dat de mens van nature slecht en egoïstisch is, wordt daarin bevestigd door zijn onderzoek. 2) Als je vervolgens zo onbevangen mogelijk naar het wetenschappelijke materiaal kijkt, blijkt dat het in het geheel niet onrealistisch is van een meer positief mensbeeld uit te gaan. Dat geldt niet alleen voor de bevindingen in wetenschappelijk onderzoek, maar ook in de praktijk van alledag. Juist wanneer je uitgaat van vertrouwen in je medemens, blijkt dat vertrouwen ook steeds meer bevestigd te worden. Wantrouwen leidt tot versterking van het wantrouwen. Kortom: de meeste mensen deugen.

De eerste drie delen

Het boek bestaat uit vijf delen. Het eerste deel gaat vooral in op de vraag of de mens werkelijk van nature slecht is. In dat deel laat Bregman aan de hand van duidelijke tegenvoorbeelden zien dat mensen het juist heel moeilijk vinden om de ander kwaad aan te doen. Zo gaat hij bijvoorbeeld in op onderzoek dat laat zien hoe moeilijk het is voor militairen op het slagveld om anderen te doden, vooral in die situaties waarin je oog in oog met de vijand staat. De menselijke wreedheid wordt groter naarmate de vijand minder zichtbaar is, bijvoorbeeld bij het afschieten van granaten of het werpen van bommen.

In het tweede deel gaat Bregman vooral in op beroemd geworden onderzoek dat zou moeten aantonen hoe gemakkelijk mensen zich laten verleiden tot het kwaad. Hij noemt dit deel ‘Na Auschwitz’ omdat het dikwijls gaat om onderzoek dat is gedaan om de wreedheid van de holocaust beter te begrijpen.

Bregman behandelt hier onder andere het Milgram-experiment waarin aan proefpersonen wordt gevraagd een corrigerende elektrische schok toe te dienen aan iemand die zich in een andere ruimte bevindt op het moment dat de laatste een aan hem gestelde vraag onjuist beantwoord. De reacties van de betrokkene zijn hoorbaar voor de proefpersonen. Met het toenemen van de stroomsterkte, worden deze kreten steeds luider, totdat er uiteindelijk geen reactie meer komt. Veel van de proefpersonen blijken bereid te zijn heel ver in dit experiment mee te gaan.

Milgram wilde met dit experiment aantonen hoe gezagsgetrouw en volgzaam mensen zijn als hun gevraagd wordt een medemens leed toe te brengen.

Het Milgram-onderzoek heeft een zeer grote maatschappelijke impact gehad. Het is zeer bekend geworden en wordt vaak aangehaald om aan te tonen hoe gemakkelijk mensen zijn te verleiden tot kwaadaardige volgzaamheid. Bregman stelt echter terecht de vraag of je die conclusie wel uit het onderzoek mag trekken. Zijn stellingname is duidelijk: dit onderzoek is qua opzet zowel onethisch (het is niet geoorloofd op zo’n manier met proefpersonen om te gaan, mede vanwege de schadelijke impact die het onderzoek mogelijk op henzelf heeft), alsook wetenschappelijk ondeugdelijk. De deelname van de proefpersonen is er namelijk op gebaseerd dat zij de overtuiging hebben mee te doen aan een verantwoord wetenschappelijk onderzoek. Zij verwachten dat de betrokken wetenschappers dit experiment op een verantwoorde wijze hebben opgezet. Van boze opzet is bij de proefpersonen in ieder geval geen sprake. Hoogstens voelen zij zich in toenemende mate ongemakkelijk bij de voortgang van het experiment. Van vergelijkbare inhoud is het onderzoek dat Bregman heeft ingesteld naar het bijna even roemruchte Stanford-experiment.

Misschien wel het spannendste deel – het derde – gaat over de vraag waarom goede mensen slechte dingen doen. Opvallend aan dit deel is dat de conclusie inmiddels al getrokken lijkt te zijn: de meeste mensen deugen. Daarom is de inzet van dit derde deel vooral om de vraag te beantwoorden waarom mensen, als de meesten van hen deugen, toch nog slechte dingen doen. Het gaat nu dus niet langer om de bevestiging van het pessimistische mensbeeld, maar om de verklaring waarom er toch uitzonderingen bestaan op het in de ogen van Bregman meer realistische mensbeeld dat de meeste mensen deugen.

Bregman draagt drie verklaringen aan: 1) het verblindende karakter van empathie; 2) het corrumperende karakter van macht, en 3) de vergissing van de Verlichting. Wat het eerste betreft, stelt Bregman vast dat het menselijke vermogen om zich in de naaste in te leven ertoe leidt dat mensen al heel snel geneigd zijn andere maatstaven te hanteren voor mensen die hen nabij zijn, wat tot ongelijke behandeling kan leiden, die pijnlijk en uitsluitend kan zijn: ‘eigen volk eerst’. Ten tweede laat Bregman zien dat mensen die macht verwerven blijkbaar heel snel in de verleiding komen die macht ook te misbruiken om anderen onrecht aan te doen: macht leidt vaak tot zelfoverschatting en schaamteloosheid. Onder de ‘vergissing van de Verlichting’ verstaat Bregman de gedachte die volgens hem typisch is voor de Verlichting, namelijk dat zelfs wanneer de mens helemaal zo slecht nog niet is, het veiligheidshalve toch beter is om er niet vanzelfsprekend van uit te gaan dat mensen deugen. Bregman spreekt hier in variatie op het zogenoemde placebo-effect (het verschijnsel dat in medicijnproeven het ‘nep’medicijn dat wordt verstrekt aan de controlegroep toch vaak een gering gunstig effect heeft) van een nocebo-effect: als je veronderstelt dat mensen wel niet zullen deugen, dan word je daarin bevestigd.

Gedrag en handelen

Het boek van Rutger Bregman heeft al heel wat herdrukken beleefd. Je moet daaruit wel concluderen dat de boodschap ervan aanspreekt. Hoewel Bregman voor het schrijven van zijn boek veel research heeft gedaan, is het boek geen droge opsomming van wetenschappelijk materiaal. Steeds gaat het boek uit van waargebeurde verhalen om vervolgens vanuit wetenschap en filosofie te kijken naar hoe deze verhalen te verklaren zijn. Daarbij laat Bregman ook regelmatig zien hoe hij – mede door die verhalen – zelf in zijn denken veranderd is, ook ten opzichte van eerdere publicaties van eigen hand.

Ik heb er geen behoefte aan het verhaal van Bregman kritisch te weerleggen. Ik denk dat hij in meerdere opzichten het gelijk aan zijn zijde heeft. Gek genoeg laat hij echter één vraag onbeantwoord in zijn boek, namelijk hoe het te verklaren is dat het pessimistische mensbeeld zo dominant geworden is. Hoe kan het dat er zowel in de christelijke traditie als in de Verlichting sprake is van een diepgaand wantrouwen jegens de goedwillendheid van de mens? De suggestie van Bregman is voortdurend dat dat wantrouwen niet terecht is, een misverstand. Maar zelfs als hij daarin gelijk heeft – en het bewijsmateriaal dat hij daarvoor levert is overtuigend – dan nog is de dominantie van dat pessimistische mensbeeld niet verklaard.

Het valt mij op dat Bregman zelf op deze vraag eigenlijk geen antwoord geeft. Wel geeft hij uitgebreid antwoord op de vraag waarom goede mensen slechte dingen doen, maar dat is een andere vraag.

Ik denk dat de vraag om de verklaring van de dominantie van het pessimistische mensbeeld een blinde vlek in het boek van Bregman zichtbaar maakt. Die blinde vlek is de vraag naar de moraal. Als ik het goed zie, is Bregman in het hele boek vooral bezig met een gedragsvraag: hoe komt het dat mensen die van nature op goed gedrag zijn aangelegd, zich af en toe toch misdragen? Bregman doet dit niet heel expliciet: hij zegt nergens dat hij zich in zijn boek tot de vraag naar gedrag beperkt, maar hij maakt eigenlijk nergens een heel duidelijk onderscheid tussen gedrag en handelen.

Voor mij is het verschil tussen gedrag en handelen gelegen in de morele dimensie van de menselijke activiteit. Mensen zijn in mijn ogen morele wezens die verantwoordelijk zijn voor hun gedrag en hun handelen. Maar juist in het menselijke handelen is die morele dimensie veel zichtbaarder dan in ons gedrag.

Onder gedrag versta ik al die menselijke activiteit die mensen min of meer vanzelfsprekend en gewoontegetrouw uitvoeren: eten, drinken, reiniging, stoelgang, werken, huishouden, autorijden, fietsen. Allerlei activiteiten die vaak volgens bepaalde regels worden uitgevoerd en volstrekt geaccepteerd zijn. Gek gezegd: iedereen doet het, het hoort gewoon bij het leven. Maar ook veel van het werk dat mensen opgedragen krijgen en volgens de regels uitvoeren. Allemaal activiteiten die we vaak nogal routinematig uitvoeren, zonder er veel bij na te denken.

Onder handelen versta ik al die menselijke activiteit waarin mensen zichzelf publiek presenteren en hun eigen persoonlijkheid en persoonlijke keuzes tot uitdrukking brengen. Hier gaat het om activiteiten die mensen zeer bewust, overdacht en met een duidelijke intentie uitvoeren. Hannah Arendt benadrukt vooral ook het initiërende karakter van het menselijke handelen: “Handelen wil, in de meest algemene betekenis van het woord, zeggen: een initiatief nemen, beginnen (…), iets aan de gang brengen (…)” (Arendt 1994, 175).

Neigingen

Het valt mij op dat Bregman in zijn boek heel vaak een beroep doet op gedragswetenschappelijk onderzoek. Je zou kunnen zeggen: onderzoek naar hoe mensen geneigd zijn te doen onder allerlei – al dan niet experimentele – omstandigheden. Wat doen mensen als ze zich in hun alledaagse, natuurlijke omgeving bevinden? Het gaat hier vooral om wat Kant als ‘Neigung’ aanduidt: wat mensen in bepaalde omstandigheden geneigd zijn te doen. En zijn conclusie lijkt te zijn dat het menselijk gedrag in al die omstandigheden over het algemeen deugt en adequaat is. Mensen zijn zo beroerd nog niet als zij een bedelaar tegenkomen of iemand in nood aantreffen. Zelfs op het slagveld zijn zij in hun gedrag opvallend menslievend: zij vechten vooral uit onderlinge kameraadschap en hebben er juist vaak heel veel moeite mee om een tegenstander te doden.

Sterker nog, ondanks het feit dat het pessimistische mensbeeld het tegendeel suggereert, blijkt die alledaagse modus van reageren vaak nog versterkt te worden in crisissituaties. Crises brengen het beste in mensen naar boven. De dagelijkse routines zorgen er dan blijkbaar voor dat mensen onder meer extreme omstandigheden minder panisch reageren dan men zou verwachten. Bregman illustreert dit door in te gaan op de wijze waarop Britten en Duitsers reageerden op de bombardementen op elkaars steden gedurende de Tweede Wereldoorlog. Die reacties liepen niet veel uiteen: zowel Britten als Duitsers bleken over het algemeen deze rampen heel nuchter en met veel onderlinge hulpvaardigheid op te vangen.

Omdat Bregman eigenlijk nauwelijks ingaat op het onderscheid tussen gedrag en handelen kun je ook niet stellen dat hij het alleen maar over gedrag heeft. Maar wat wel opvalt is dat hij het in het gehele boek nauwelijks over moraal heeft. Volgens mij is moraal echter een thema dat vooral een rol speelt als we het over het menselijke handelen hebben.

Voor mij is het onderscheid tussen gedrag en handelen niet heel erg principieel. Mensen zijn verantwoordelijk voor beide. Een verkeersongeluk veroorzaken, zou ik geen handeling noemen: het geschiedt meestal zonder intentie. Maar tegelijk is het ook geen kleinigheid en zijn mensen er verantwoordelijk voor hun uiterste best te doen verkeersongelukken te voorkomen. Ook al gaat het slechts om gedrag, er zit een morele kant aan.

Maar wel is duidelijk dat moraal een steeds grotere rol gaat spelen naarmate menselijke activiteiten meer kenmerken van handelen vertonen. Bijvoorbeeld als het gaat om het aangaan van vriendschappen of relaties, het opvoeden van kinderen, het ontplooien van maatschappelijke of politieke activiteiten, het publiceren van boeken of artikelen en dergelijke. Het oproepen tot haat tegenover bepaalde bevolkingsgroepen of tot een duurzamer manier van consumeren zijn vormen van handelen waar mensen bewust, intentioneel voor kiezen.

Het vierde en vijfde deel

Ik stelde dat Bregman het nauwelijks heeft over moraal. Althans: niet expliciet. Impliciet heeft hij het er wel degelijk over. Net zoals hij het in zijn boek niet uitsluitend heeft over gedrag. Ik denk dan bijvoorbeeld vooral aan het vierde en vijfde deel van zijn boek. In die delen zoekt Bregman expliciet naar een alternatief voor het pessimistische mensbeeld dat lange tijd dominant geweest is in het beschouwen van de mens en de menselijke verantwoordelijkheid.

In deel vier laat Bregman zien hoezeer het menselijke gedrag vaak bepaald wordt door het feit dat mensen elkaars gedrag met externe vormen van motivatie proberen te beïnvloeden: belonen en straffen: wie bepaalde gewenste resultaten behaalt, ontvangt een beloning en ongewenst gedrag wordt bestreden door afschrikking en door sancties. Allemaal factoren buiten intermenselijke relaties en persoonlijke motivaties om. Daartegenover stelt Bregman het fenomeen van de intrinsieke motivatie: bijvoorbeeld als mensen elkaar helpen omdat ze dat fijn vinden om te doen, in plaats van omdat zij er een beloning voor krijgen.

Ook besteedt Bregman aandacht aan de betekenis van het spelen in het leven van mensen. Het leven ontleent zijn sjeu niet aan het alledaagse en routinematige gedrag van mensen, maar aan het creatieve, innovatieve en onverwachte karakter van het spel. Deze omschrijving doet veel denken aan Arendts definitie van het handelen.

Ten slotte wijst Bregman ook op nieuwe mogelijkheden voor democratie, namelijk de intensivering van het onderlinge contact en het oplossen van vraagstukken van ‘onderaf’ in plaats van te denken vanuit de gevestigde systemen.

Het vijfde deel van Bregmans boek, ‘De andere wang’, is genoemd naar een fragment uit één van Jezus’ toespraken: “Als iemand je op de wang slaat, bied hem dan ook de andere wang aan …” (Lucas 6 vers 29). Met name ook dit deel kan moeilijk anders worden verstaan dan een oproep tot een andere houding. Ik zou daar al snel het woord ‘moraal’ voor gebruiken. Bregman roept ons op tot een nieuwe moraal, een van ontmoeting en contact in plaats van confrontatie en polarisatie. Maar opvallend is opnieuw dat Bregman dit helemaal niet presenteert als een morele oproep. Het staat bij hem louter in het verlengde van de uitwerking van het nieuwe realistische mensbeeld dat hij omarmt op basis van de gepresenteerde gedragswetenschappelijke gegevens.

Opmerkelijk aan de afwezigheid van het thema ‘moraal’ in het verhaal van Bregman zijn die plekken waar het woord ‘moraal’ wel even kort genoemd wordt. Zoals bijvoorbeeld in het derde deel, waar Bregman komt te spreken over door Kiley Hamlin verricht onderzoek naar het morele kompas van baby’s. Dit vanuit het Infant Cognition Center aan de Universiteit van Yale uitgevoerde onderzoek is bij uitstek een voorbeeld van gedragswetenschap. Het gaat om een experiment met baby’s van maanden. Zij krijgen een poppenkastvoorstelling te zien “waarin één figuur behulpzaam was, en een ander een rotzak” (259). Daarbij werd onderzocht naar welke van beide poppen de kinderen reikten na het zien van deze voorstelling. De conclusie laat zich raden: “Vrijwel alle baby’s strekten hun armen uit naar de goedzak” (259).

Volgens mij leert dit voorbeeld ons niets over het ‘morele kompas’ van baby’s. Hoogstens leert het ons dat baby’s niet ‘van nature geneigd zijn tot het kwaad’. Het slechte is ons dus in ieder geval niet aangeboren. Maar over moraal zegt dit nog weinig, vooral omdat moraal per definitie niet iets is wat is aangeboren. Moraal heeft van doen met het menselijke vermogen van de wil. En de wil ontwikkelt zich pas bij het opgroeien, doordat de mens een persoon wordt met een eigen verantwoordelijkheid. Dat laatste is iets dat bij deze baby’s van zes maanden nog nauwelijks een rol speelt.

Dat Bregman zich nauwelijks met morele vragen bezighoudt blijkt ook uit de wijze waarop hij ingaat op de vraag hoe het kan dat goede mensen slechte dingen doen. Zelfs uit zoiets oppervlakkigs als dat Bregman hier het woord ‘slecht’ in plaats van ‘kwaad’ gebruikt, leid ik af dat hij het thema moraal uit de weg gaat. Maar ook zijn betoog hier is opvallend.

Neem bijvoorbeeld het al eerder aangehaalde voorbeeld dat dat militairen het uiterst moeilijk vinden om tegenstander te doden, zodat bajonetten (steekwapens) vaak ongebruikt en geweren vaak volledig geladen bij om het leven gekomen soldaten werden teruggevonden. Kortom: waar mensen ‘slechte’ dingen doen, doen zij dat vaak nog uit herkenbare, empathische motieven. Echt verkeerd gaat het pas als mensen zich verbonden voelen met een groep en onderscheid gaan maken tussen ‘wij’ en ‘zij’. Door dergelijke vormen van in- en uitsluiting en de rechtvaardigingen die daarvoor gegeven kunnen worden, kan het slechte in de mens naar boven komen. Het wij-zij-denken vormt een ongekende bron van vechtlust en wreedheid die telkens weer de kop opsteekt in de geschiedenis van de mensheid. Maar ook als het gaat over dit wij-zij-denken lijkt Bregman het vooral te hebben over neigingen. De tien leefregels uit het laatste hoofdstuk van het boek zijn dan ook stuk voor stuk oproepen om erop te letten niet in deze kuil te vallen en onze slechte neigingen hier zo veel mogelijk te onderdrukken. Je zou dat beschaving kunnen noemen.

Wat mij hieraan opvalt is dat Bregman het probleem van het kwaad eigenlijk probeert te ontlopen door dit vraagstuk op zo’n manier te behandelen dat het niet over moraal gaat, maar eerder om het onderdrukken van neigingen of slechte gewoontes. Daarmee probeert hij mijns inziens de steen des aanstoots van het morele kwaad te ontlopen, namelijk de erkenning van het feit dat het kwaad dat mensen doen vaak geen andere herkomst heeft dan de onwil van de betrokkenen om dat te doen, waarvan zij weten dat het goed is. Dit niet willen, dat volgens Hannah Arendt de bron is van het kwaad, blijft bij Bregman volledig onbesproken.

De mogelijkheid van het kwaad

In welke zin kan het bestaan van het morele kwaad verklaren dat het pessimistische mensbeeld zo lange tijd gedomineerd heeft en ook nu met het verschijnen van de ‘blijde boodschap van Bregman’ ook nog niet zomaar verdwenen is? Ik denk dat dit alles te maken heeft met het feit dat er bij elk mens een zeker besef is van de eigen kwetsbaarheid dienaangaande. Mensen kunnen zichzelf niet geheel en al vertrouwen als het gaat om het kwaad.

Dit besef is bijvoorbeeld aan de orde wanneer mensen zichzelf afvragen wat zij gedaan zouden hebben in omstandigheden waarin andere mensen flagrant foute keuzes gemaakt hebben. Vaak wordt daarvoor bijvoorbeeld naar de Tweede Wereldoorlog verwezen: zou jij jouw Joodse buren bescherming hebben geboden als ze in hun nood bij jou zouden hebben aangeklopt? Zou jij het opgenomen hebben voor iemand die onrechtvaardig behandeld wordt door een autoritaire overheid? Wat zou jij gedaan hebben als lid van een compagnie die op bevel van hoger hand grote wreedheden moest uitvoeren?

Ik denk dat mensen die bereid zijn over dergelijke zaken na te denken bij zichzelf grote aarzelingen zullen kennen daar heel stellige antwoorden op te geven. De vraag of je in een concrete situatie de moed zou hebben je rug recht te houden is voor de meesten van ons geen gemakkelijk beantwoordbare vraag.

Het vermogen van mensen die deugen om in voorkomende situaties toch tegen beter weten in of tegen het eigen geweten in te handelen, is – volgens Kants these van het radicale kwaad – de oorsprong van het kwaad in de wereld. En er zijn twee manieren om op het besef van dit vermogen te reageren.

De eerste is om met dit besef te leven en er een kwetsbaarheid van de eigen persoon in te herkennen. Wellicht kan men zich er ook in oefenen om met die kwetsbaarheid om te gaan vanuit het besef dat er altijd situaties kunnen zijn waarin de wil zwak is en eerder geneigd is weg te duiken voor de eigen verantwoordelijkheid dan moedig te doen wat goed is.

De tweede mogelijkheid is om het kwaad bij de ander te leggen, dat wil zeggen, jezelf te rekenen tot de groep van de ‘meeste mensen’ die deugen en het kwaad slechts neer te leggen bij een minderheid van mensen die maar niet willen deugen. Deze mogelijkheid is zeer reëel en verleidelijk.

Ik denk dat het niet voor niets is dat Arendt haar these van de banaliteit van het kwaad ontwikkeld heeft naar aanleiding van haar onderzoek naar het Eichmann-proces. Deze casus is ontleend aan een periode uit de geschiedenis waarin het morele besef van mensen werkelijk op de proef is gesteld: laten wij ons meevoeren in het kwaad, gaan wij langs de kant staan om te zien hoe het afloopt of gaan wij in tegen het onrecht dat wij dagelijks om ons heen zien gebeuren? Alle Duitsers, maar ook veel Nederlanders, hebben in de naziperiode op de een of ander manier voor deze keuze gestaan.

Opvallend was de reactie van veel Duitsers na afloop van de oorlog: ‘Wir haben es nicht gewusst’. Opvallend ook de reactie van veel Nederlanders na de bevrijding. Ineens bleken veel meer mensen in het verzet gezeten te hebben dan er tijdens de oorlog daadwerkelijk in het verzet zaten. Direct na de bevrijding werden ‘de mensen die niet deugden’ publiekelijk te schande gemaakt, zoals het kaalscheren van de moffenmeiden. Anders gezegd: direct rekent men zichzelf tot de ‘meeste mensen die deugen’ en weet men de mensen die niet deugden apart te zetten, hetgeen vermoedelijk een uiting is van een kwaad geweten.

Hoezeer Arendt ook ontkent dat het kwaad radicaal (diep) kan zijn, toch is haar these van de banaliteit van het kwaad een soort bevestiging van Kants these van het radicale kwaad: het kwaad vindt zijn oorsprong in de weigering de confrontatie met het zelf aan te gaan en het eigen geweten te negeren. Dat bedoelt Arendt volgens mij met de notie van de gedachteloosheid.

De banaliteit van het goede

In welke zin zou je daartegenover kunnen spreken van een banaliteit van het goede? Meerdere keren haalt Susan Neiman in haar werk een spreuk aan die volgens haar van Kurt Tucholsky afkomstig is: “het tegenovergestelde van goed, is goed bedoeld” (Neiman 2009, 348). Stel dat je de titel van het boek van Bregman zou herformuleren als: De meeste mensen bedoelen het goed. Ik denk dat die titel even waar en doeltreffend is als die van Bregman. Maar toch zou ik op basis van deze titel beter kunnen begrijpen waarom het door Bregman als pessimistisch getypeerde mensbeeld toch de discussie zo lang heeft kunnen domineren. Ik denk dat er goede redenen zijn om met Bregman in te stemmen dat dit pessimistische mensbeeld veel te eenzijdig is en weinig recht doet aan de realiteit van het menselijk gedrag. Maar ik begrijp nu wel beter waarom die geruststellende gedachte nog niet zomaar een pleidooi voor een optimistischer mensbeeld rechtvaardigt. Het pessimistische mensbeeld drukt iets uit van ons wantrouwen tegen onze eigen goede bedoelingen. Of anders: het is uitdrukking van ons besef dat je er met goede bedoelingen alleen nog niet bent en dat die zelfs heel (zelf)misleidend en daarmee heel gevaarlijk kunnen zijn.

Zou je dit gegeven kunnen aanduiden met een notie als ‘de banaliteit van het goede’? De banaliteit van het goede, dan uitgelegd als de neiging van mensen om in eigen goede bedoelingen te geloven om dan niet verder meer te hoeven nadenken over de eigen morele positie? En zou het kunnen dat hier ook steeds de verleiding ligt van wat wel politieke correctheid wordt genoemd: de snelheid waarmee we erbij zijn om ons ‘goede gezicht’ te laten zien: “Ik ben echt niet racistisch”; “natuurlijk ben ik tegen zwarte piet”; “ze moeten pedofielen hard aanpakken”; “het is onverantwoord IS-weduwen en hun kinderen naar Nederland terug te halen”. Of het nu gaat om linkse of rechtse correctheid: het is altijd de ander die slecht is. Wij weten vaak precies wie er fout zijn.

Met deze kritische opmerking wil ik geen enkele afbreuk doen aan het mooie boek dat Bregman geschreven heeft. Wel wil ik ermee duidelijk maken dat hij volgens mij een essentiële dimensie van het vraagstuk buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens mij heeft hij de kern van het pessimistische mensbeeld dat hij bestrijdt niet doorgrond: de meeste mensen deugen, maar niet deugen kunnen ze allemaal.

Literatuur

  1. Arendt, Vita activa: De mens: Bestaan en bestemming, Amsterdam, 1994
  2. Arendt, Eichmann in Jeruzalem. De banaliteit van het kwaad, Amsterdam/Antwerpen, 20178
  3. Bregman, De meeste mensen deugen. Een nieuwe geschiedenis van de mens. Amsterdam, 20195
  4. Neiman,Morele helderheid. Goed en kwaad in de 21ste eeuw, Amsterdam, 20092
  5. M.T. Slager, De banaliteit van het goede, Utrecht, 2012