De betekenis van de mythe

Wetenschap maakt de werkelijkheid beheersbaar, mythen maken de wereld bewoonbaar. Als het gaat om de zin van het leven, blijven mythen dus onmisbaar. Tot zover gaat Jan Hoogland mee met Petran Kockelkoren. Maar hoe kun je geloven in verhaaltjes die je met de rede van hun kracht hebt beroofd? Jan Hoogland zoekt zijn heil bij Pascal.

 

Wat is een mythe? Het gebruikelijke antwoord zal zijn: een dikwijls oud en verzonnen verhaal over goden, godinnen, helden of heiligen dat veelal traditioneel is overgeleverd. Deze omschrijving is typisch modern in die zin dat daarin het fictieve karakter van de mythe centraal gesteld wordt. Voor moderne mensen is dat haast een vanzelfsprekendheid. Een mythe is niet historisch, maar fictief. Lange tijd hechtten mensen geloof aan dit soort verhalen, maar wij zijn in onze tijd tot het inzicht gekomen dat mythen geen waargebeurde verhalen zijn, ook al kan niet worden uitgesloten dat zij wel bepaalde historische wortels hebben.

 

Mythe en christelijk geloof

Deze typisch verlicht moderne zienswijze is in zekere zin ook door christenen overgenomen. Zij maken vaak een tegenstelling tussen de ‘waargebeurde’, historisch betrouwbare verhalen van de Bijbel en de ‘heidense’ mythen die als historisch onbetrouwbaar worden gezien of zelfs als vervalsingen of vervormingen van de oorspronkelijke verhalen. De ware verhalen van het christelijk geloof staan dan tegenover de mythen van de heidense religies. Zelfs waar de Bijbelse verhalen waarschijnlijk ontleend zijn aan oudere, mythische tradities, stelt men dat deze mythische tradities gebaseerd zijn op onbetrouwbare overlevering, de Bijbelse verhalen daarentegen de ware toedracht bevatten, door de Heilige Geest zelf geïnspireerd door en zo op schrift gesteld.

Deze zienswijze keert zich na verloop van tijd echter als een boemerang tegen het christelijk geloof zelf, namelijk wanneer de christelijke verhalen over bijvoorbeeld de opstanding van Christus door verlichte seculiere denkers ook als mythen worden geïdentificeerd. Voor het moderne seculiere denken is er geen fundamenteel onderscheid tussen bijvoorbeeld de Griekse mythen over de olympische goden en de mythen van het christelijk geloof: het zijn allemaal verzonnen, niet op feiten gebaseerde verhalen, die voor een wetenschappelijk gevormde blik geen standhouden.

 

Reacties

In hoofdlijnen kan men vanuit christelijke kring twee reacties op deze stand van zaken onderscheiden. De eerste is de orthodox-christelijke reactie. In die reactie wordt toegegeven dat de verhalen van het christelijk geloof geen wetenschappelijke grondslag bezitten, maar daarom niet minder waar of waargebeurd zijn. Het is geen kwestie van wetenschappelijk onomstotelijk bewijs, maar van geloof om deze waarheid te aanvaarden.

Een tweede reactie is dat de verhalen van het christelijk geloof weliswaar een mythisch karakter hebben, maar dat het wezen van de christelijke boodschap uit deze mythologische verpakking gepeld moet worden. Het gaat er met andere woorden om de christelijke boodschap te ‘ontmythologiseren’.

Goedbeschouwd wordt in beide reacties de seculiere zienswijze op de mythe bevestigd, namelijk dat het bij mythen gaat om door het modern wetenschappelijke wereldbeeld inhoudsloos geworden verhalen. De orthodoxe reactie bevestigt dat door voor het Bijbelse verhaal nadrukkelijk te claimen dat het geen mythe is. De tweede reactie doet dat door de christelijke boodschap als het ware door de mythische verpakking ervan heen te willen lezen.

Daarmee heeft de verlicht moderne zienswijze op de mythe een diepe tweespalt in de christelijke theologie teweeggebracht. Enerzijds heb je christenen en theologen die een fundamenteel onderscheid maken tussen mythe en christelijke boodschap, waarbij de mythe het onauthentieke tegendeel is van de authentieke waarheid van het christelijk geloof. Anderzijds heb je theologen die menen dat de existentiële betekenis van de christelijke boodschap slechts behouden kan blijven door de mythische schil ervan af te pellen, waarmee zij het mythische en daarmee fictieve karakter van de Bijbelverhalen lijken te bevestigen.

Gemeenschappelijke vooronderstelling in beide zienswijzen lijkt de verlicht-moderne opvatting over de mythe te zijn, waarbij de mythe staat voor een door het moderne wetenschappelijke wereldbeeld achterhaalde manier van kijken naar de wereld.

 

De zienswijze van Kockelkoren

Petran Kockelkoren roept in zijn in 2018 verschenen boek Ganesha in Silicon Valley – De macht van de mythe op het wereldtoneel een heel ander beeld van de mythe op. In dit artikel wil ik me door dat boek laten uitdagen tot een hernieuwde bezinning op de mythe, mede tegen de achtergrond van het christelijk geloof.

Het is niet gemakkelijk om aan het omvangrijke boek van Kockelkoren recht te doen, want het is een rijk boek. De auteur is een rasverteller die kan putten uit een grote hoeveelheid verhalen. Bovendien is hij enorm belezen en weet hij de meest uiteenlopende visies en tradities met elkaar te verbinden.

Maar hierin toont zich ook meteen de zwakte van het boek. Het verliest zich enigszins in de verhalen, waardoor er niet veel aandacht is voor de hoofdlijnen van het betoog. Je zou het ook anders kunnen zeggen: je moet die hoofdlijnen er min of meer zelf uithalen. Ze zijn er wel, maar ze zitten verstopt in de verhalen zelf.

 

Hoofdlijnen

Ik zal in mijn beschouwing proberen een paar van die hoofdlijnen naar voren te halen, zonder ook maar enigszins te streven naar volledigheid. Daarna wil ik afsluiten met een kritische beschouwing.

De eerste hoofdlijn in het verhaal is die van de moderne tegenstelling tussen het wetenschappelijke en het mythische wereldbeeld, een tegenstelling die vals is volgens de auteur.

Een tweede hoofdlijn is dat wetenschappelijk en mythisch wereldbeeld niet tegenover elkaar staan, maar elkaar juist nodig hebben en aanvullen. Dit aan te tonen lijkt het hoofddoel van het boek.

Een derde hoofdlijn is het verschil in logica en kennisstrategie tussen wetenschap en mythe. Juist doordat wetenschap en mythe gekenmerkt worden door heel verschillende manieren van kijken en werken, kunnen zij elkaar aanvullen.

Een vierde hoofdlijn is de aandacht voor de wijze waarop techniek en mythe met elkaar verweven zijn. Technieken spelen een belangrijke rol in de overlevering van mythen en mythen op hun beurt spelen een belangrijke rol bij de wijze waarop mensen zich technieken eigen maken en deze inpassen in het eigen leven.

 

Een valse tegenstelling

Volgens de moderne, verlichte mens behoort de mythe tot een achterhaald verleden. Nu wij als mensen in staat zijn om verschijnselen die ons voorheen vrees inboezemden, met behulp van wetenschappelijke hulpmiddelen te verklaren en voor een deel ook te beheersen, hebben de mythische verklaringen voor ons hun betekenis verloren.

Het oorspronkelijk Griekse woord muthos staat voor het gesproken woord. Zeg maar: de manier waarop verhalen werden overgeleverd toen er nog geen schrift was. In moderne termen is dat een uiterst onbetrouwbare manier van overdragen van de waarheid. Pas met het schrift werd betrouwbare overdracht mogelijk.

Mede tegen die achtergrond behoort de mythe in hedendaagse ogen tot een voorbije tijd. Wij hechten er nauwelijks meer een ander belang aan dan als inspiratiebron voor entertainment in films of games. Maar voor ons verdere leven als moderne mensen heeft de mythe geen betekenis meer.

Met deze moderne zienswijze is Kockelkoren het fundamenteel oneens. Hij ziet hierin een soort onjuist zelfbeeld van de moderne mens. De moderne mens denkt met de mythe gebroken te hebben, maar intussen tiert de mythe nog welig onder de moderne verhoudingen. Sterker nog, ook de opvatting dat de moderniteit radicaal met een mythische verklaringswijze van de werkelijkheid gebroken heeft zou je een mythe kunnen noemen. Zoals dat eerder al eens is gedaan door Horkheimer en Adorno in hun Dialektik der Aufklärung (1947).

Dus maakt Kockelkoren er in zijn boek veel werk van om te laten zien hoe de mythe in onze seculier-verlichte tijd onderhuids nog altijd springlevend is. Een van de voorbeelden die hij noemt is uitgewerkt door een van zijn belangrijke inspiratiebronnen, emeritus hoogleraar René Munnik.

 

Tijdmachine

René Munnik verdedigt in zijn boek Tijdmachines – Over de technische onderwerping van vergankelijkheid en duur (2013) de volgende stelling: “Naarmate wij onze wereld rationeler inrichten, neemt diezelfde wereld een steeds mythischer gestalte aan”. Hij laat dat zien aan de hand van belangrijke technische innovaties zoals het alfabet, de audiotechniek, fotografie en film. “Telkens weet Munnik aan te tonen dat de technieken die we inlijven ons terzelfdertijd opzadelen met gerealiseerde mythische motieven” (41).

Denk bijvoorbeeld aan de technische innovatie van het schrift of de fotografie (zie het artikel van Munnik in Soϕie, jaargang 4, nummer 1, februari 2014). Beide technieken hebben het karakter van ‘tijdmachines’. Niet in de zin van dergelijke machines uit sciencefictionverhalen, maar in die zin dat beide technieken het ons mogelijk maken om mensen uit een al dan niet ver verleden als onze tijdgenoten te ervaren: wij kunnen hun woorden nog lezen en hun gezichten nog zien. De fonograaf en de film gaan daarin nog verder: zij kunnen de personen uit het verleden in beeld en/of geluid actueel present stellen.

 

Onsterfelijkheid

Met deze technieken lijkt de mens ook zijn verlangen naar onsterfelijkheid in zekere zin te willen bevredigen. Ging het aanvankelijk nog onbeholpen met de relatief logge werking van een gevoelige plaat, langzamerhand is deze techniek steeds verder verfijnd en heden ten dage kunnen wij met onze smartphones aan de lopende band heel acceptabele foto’s schieten. Ook in de afgelopen vakantie hebben velen van ons kunnen zien waar deze technologie toe leidt. Op iedere fotogenieke plek ziet men massa’s mensen meer naar hun digitale schermpje kijken dan naar de prachtige uitzichten daarachter. Iedereen lijkt ernaar op jacht om het prachtige moment door middel van een momentopname te vereeuwigen, opdat wij nooit vergeten hier vlak voor deze magistrale kathedraal hebben gestaan. Die ‘vereeuwigingsverwachting’ hebben wij door middel van deze techniek zozeer ingelijfd, dat wij als het ware lichamelijk vereenzelvigd zijn (inlijving, ‘embodiment’) met deze technologische apparatuur: de ‘selfiestick’ die bij velen letterlijk een lichaamsdeel is geworden. Is dit gedrag uiting van onze rationaliteit of eerder van een onuitgesproken verlangen naar een eeuwig herbeleven van onze mooiste momenten?

 

Complementaire wereldbeelden

Nu zou je bovenstaand voorbeeld kunnen opvatten als een ongelukkige inconsistentie. We zijn weliswaar verregaand gerationaliseerd, maar vallen soms nog terug in premoderne gewoonten. Een moment van zwakte, maar daarmee nog geen patroon. Niks daarvan, zo luidt de boodschap van Kockelkoren, die mythische component in ons moderne leven is veel structureler dan wij weten willen. Want strikt genomen hebben wetenschap en mythe elkaar nodig. Zij hebben namelijk heel verschillende functies, die beide vervuld moeten worden.

Herhaaldelijk drukt Kockelkoren deze complementariteit uit in varianten op de volgende zin: “De redelijke wetenschap is noodzakelijk om de wereld te kunnen beheersen, maar de mythe is even noodzakelijk om de wereld emotioneel herbergzaam te maken” (16). Wat de mythe kan, kan de wetenschap niet: het bewoonbaar maken van de werkelijkheid. Tegelijk: juist om die wereld bewoonbaar te maken, kan de wetenschap, gericht op beheersing, wel degelijk haar diensten bewijzen. Maar om als mensensoort die diensten te kunnen benutten, hebben we opnieuw de mythe nodig. Juist omdat de wetenschap geen antwoorden kan geven op onze zinvragen en daarmee ook niet op allerlei vragen die rijzen rond de manier waarop wij al die technische mogelijkheden op een juiste manier in ons leven en onze samenleving kunnen incorporeren in ons streven naar een goed leven.

 

Verschillende werking

Opmerkelijk is dat Kockelkoren nergens moeite doet de centrale termen uit zijn betoog van een definitie te voorzien. Ik vermoed dat dit geen onzorgvuldigheid is, maar eerder een soort principe. Immers, iedere definitie verwijst naar definiërende termen, die ook zelf weer definitie behoeven. Een definitie kan daarom niet meer zijn dan een hulpmiddel, waarvoor ook alternatieven voorhanden zijn, zoals het aanleveren van allerlei voorbeelden van het concept, zonder een essentie of een grootste gemene deler in al deze voorbeelden aan te kunnen geven.

Dat wil niet zeggen dat Kockelkoren helemaal aan een inhoudelijke bepaling van het verschijnsel mythe voorbijgaat. Zo stelt hij bijvoorbeeld dat mythen gekenmerkt worden door een eigen kennisstrategie ten opzichte van de wetenschap. Kockelkoren onderscheidt er drie. In elk van deze kennisstrategieën is er sprake van een eigen opvatting van tijd: die van de vroege, mechanische wetenschap van Newton, waarin het concept ‘oorzakelijkheid’ een centrale rol speelt; daarnaast die van de latere relativiteitstheorie met de rol van het ‘ruimte-tijdcontinuüm’ daarin; en als laatste, maar in de tijd eigenlijk eerste kennisstrategie die van de mythe. Binnen de mythische tijdsopvatting werd de tijd “beleefd als een gesloten kringloop die zich cyclisch herhaalde. De tijd verliep niet buiten de mensen om, maar de gemeenschap had van haar goden de taak gekregen om de tijd actief draaiende te houden, zelfs op straffe van ondergang bij verwaarlozing van die heilige taak. Dat moest gebeuren door middel van jaarlijks herhaalde rituele ensceneringen van geboorte, dood en wederopstanding” (32, 33). Met de invoering van de kloktijd doet de lineaire tijdsbeleving haar intrede, die gekoppeld raakte aan de wetenschappelijke kennisstrategie. Waar het Kockelkoren in het naast elkaar plaatsen van deze kennisstrategieën echter om gaat is dat “geen van de drie cognitieve strategieën met hun specifieke tijdsopvatting (…) claimen [kan] de hoogst ontwikkelde te zijn. Ze zijn weliswaar historisch achtereenvolgens in stelling gebracht om de wereld op orde te brengen, maar er zit niet noodzakelijk een vooruitgang in de reeks. De verschillende visies voldoen veeleer ieder aan verschillende menselijke behoeftes. Ze structureren onze verhouding tot de wereld, maar ieder volgens andere principes” (33).

 

Boodschap

De boodschap is duidelijk. Ten onrechte wordt in het op een wetenschappelijke denkwijze gebaseerde, modern-seculiere wereldbeeld gesuggereerd dat het mythische en het wetenschappelijke wereldbeeld elkaars concurrenten zijn, maar feitelijk zijn het slechts complementaire wereldbeelden die elk verschillende verlangens en behoeften bevredigen.

Vandaar Kockelkorens conclusie: “De kritische terugkeer naar de mythe is even onontbeerlijk als onvermijdelijk. Het is immers onmogelijk je te bevrijden van mythische verlangens en behoeften. Maar een kritische terugkeer tot de mythe hoeft niet per se retro te zijn. We moeten het begrip ook niet willen reserveren voor manifestaties van culturen die zogenaamd dicht bij de natuur en het eenvoudige landleven zijn gebleven. Er is juist grote behoefte aan actuele mythen die ons in staat stellen met meer geavanceerde bestaansdilemma’s in het reine te komen” (34).

Elders stelt Kockelkoren dat “mythische verhalen stelsels van analogieredeneringen” zijn. “Het patroon dat op het ene vlak wordt gevolgd, herhaalt zich in telkens wisselende gedaanten op ieder ander vlak. De luchtbruggen tussen de verschillende schaalniveaus worden gevormd door metaforen. Door magische identificatie kan het ene vlak het volgende beïnvloeden” (89). Geen causale verbanden dus, maar analogieredeneringen. Anders dan vanuit de moderne interpretatie van mythes vaak wordt beweerd, hebben mythes meerdere functies dan alleen het verklaren van de oorsprong van onze werkelijkheid. Inderdaad: er zijn oorsprongsmythen, die vanuit modern perspectief worden gezien als een concurrerend verklaringsmodel met betrekking tot de vraag hoe alles is ontstaan. Maar er zijn ook mythen die specifiek gaan over transities en overgangsfasen in het leven, in de samenleving of in de cultuur (transitieriten). En er zijn mythen gericht op de legitimatie van de macht of de bestaande orde. Functies die niet door een wetenschappelijke manier van kijken kunnen worden vervuld en daarmee de complementaire rol van mythen bevestigen.

 

Mythe en techniek

Een vierde hoofdlijn die te onderscheiden is, is dat er een intensieve samenhang bestaat tussen materiële factoren en de mythische verhalen daaromheen. Steeds is er sprake van een sterke interdependentie tussen beide. Dat werd al duidelijk uit het hierboven aangehaalde voorbeeld van de technische innovaties van het schrift en de fotografie en de betekenis daarvan voor de omgang met het verleden.

In het benadrukken van deze samenhang is Kockelkoren duidelijk geïnspireerd door de aanhangers van de empirische wending in de techniekfilosofie, met name door de figuur van Latour. “In We zijn nooit modern geweest (1991) stelt de wetenschapsfilosoof Bruno Latour dat het moderne denken, waarvan de aanvang doorgaans bij Descartes wordt gelegd, nooit in staat is geweest te breken met het premoderne mythologische wereldbeeld. Integendeel, hoewel die breuk programmatisch in de moderniteit zit besloten, woekeren de mythische motieven onder de dekmantel van de objectiviteit juist meer dan ooit tevoren” (37). Wat Latour vooral duidelijk maakt is dat de scheiding tussen het object van onze kennis en het kennend subject, welke laatste wordt gekenmerkt door een eigen innerlijk en door bewustzijn, in hoge mate een kunstmatige scheiding is, die in tal van opzichten niet valt vol te houden. Zo “brengt een antropologische beschrijving van wetenschappelijke bedrijvigheid aan het licht dat er allerlei grensoverschrijdingen en hybrideseringen tussen object en waarnemend subject optreden. Hybriden zijn tussenvormen, niet helemaal zuiver object, maar ook slechts min of meer subject. Het zijn cross-overs waarop de mythe juist is toegesneden maar waar de wetenschap geen raad mee weet” (37/38).

Daarmee is ook de titel van Latours boek verklaard: We zijn nooit modern geweest. “Stiekem denken we mythischer dan ooit tevoren. We weten de hybriden echter niet langer expliciet in het wetenschappelijke wereldbeeld te accommoderen en desnoods te pareren” (38). Verhalen daarover vormen het leeuwendeel van het boek van Kockelkoren.

 

Antwoord op de uitdaging

Het boek van Kockelkoren is rijk en meeslepend. Tegelijk is het niet gemakkelijk er filosofische conclusies aan te verbinden. Kockelkoren blijft grotendeels in de vertelmodus. Daartussendoor doet hij ook veel verreikende wijsgerige beweringen, maar vaak op een nogal terloopse wijze, om vervolgens weer naar een heel ander onderwerp over te springen.

Duidelijk is dat wat hem betreft de rationaliteit van het modern-seculiere wereldbeeld van onmiskenbaar belang is, maar dat de pretentie niet waargemaakt kan worden, namelijk dat de wetenschappelijke denk- en kenwijze een omvattend wereldbeeld zou kunnen leveren. Integendeel: als het gaat om de vraag naar de zin van het leven, blijft een mythische manier van denken onontbeerlijk: wetenschap maakt de werkelijkheid beheersbaar, mythische verhalen maken haar bewoonbaar.

Kockelkoren laat zien dat dit met name blijkt als het gaat om de breuklijnen in de werkelijkheid en ons leven. Precies daar waar de werkelijkheid en ons leven op de grenzen stuiten van wat ons vertrouwd is en waar wij vat op hebben, komt de onvervangbare betekenis van de mythe aan het licht.

 

Verwarrend

Tegelijk vind ik het betoog van Kockelkoren in een aantal opzichten verwarrend en lijkt het mij dat hij er zelf ook niet goed uitkomt. Hij beklemtoont de onmisbare rol van mythen en lijkt ons daarmee op te roepen tot een soort herstel van ons geloof in de mythen, maar hij suggereert tegelijk een soort van kritische verhouding tot diezelfde mythen. Hij bepleit nadrukkelijk geen terugkeer naar het naïeve, voormoderne geloof in de mythe.

Verder wordt uit het verhaal van Kockelkoren ook niet duidelijk hoe deze kritische toeëigening van de mythe en de betekenis van mythische verhalen voor ons omgaan met de werkelijkheid er precies uit moet zien. Wat Kockelkoren met zijn boek vooral lijkt te willen bereiken is om modern-seculier denkende mensen ervan bewust te maken hoezeer het mythische denken hen – tegen hun zelfbeeld in – nog steeds in de greep heeft. Wij kunnen wel denken de mythe achter ons gelaten te hebben, maar feitelijk speelt diezelfde mythe nog steeds een grote rol in ons leven. Maar is erkenning van dat feit voldoende, of moeten we verdergaan door de mythe ook weer actief en bewust een plek geven in ons leven? En zo ja, hoe dan? Hoe kiezen wij onze eigen mythe? Hoe ons tot de mythische dimensie van ons leven te ‘bekeren’?

 

Nietzsche

Interessant is in dit verband het deel van het boek waarin Kockelkoren aanknoopt bij de zienswijze van Nietzsche. Hij opent zijn betoog over Nietzsche met de volgende zin: “Het is in onze jongste geschiedenis niet de eerste keer dat iemand een pleidooi voert voor de wederbelevendiging van de mythe. Nietzsche heeft er zijn levenswerk van gemaakt” (52). Maar Nietzsche bracht zichzelf daarmee tegelijk ernstig in de problemen. Want: “hoe kun je geloven in goden, nadat je ze eenmaal als menselijke projectie en esthetisch verzinsel hebt ontmaskerd?” (53). Nietzsche probeerde dat langs de weg van zijn enthousiasme voor de muziekdrama’s van zijn aanvankelijke held Richard Wagner. Maar op een gegeven moment knapt Nietzsche daar helemaal op af en breekt hij radicaal met Wagner. Op dit punt in zijn betoog aangekomen citeert Kockelkoren een passage uit Safranski’s biografie over Nietzsche: “Nietzsche wil zich vanaf dat moment [de breuk met Wagner; JH] niet meer toestaan om met behulp van een geraffineerde reflectie – dus met de rede – de rede buiten werking te stellen, door zich zó sterk in de droom van een esthetische mythe in te leven dat je ten slotte gelooft dat je zult geloven… Nee, met die hele betovering door de tragedie maak je jezelf maar iets wijs” (53). Volgens Kockelkoren valt Nietzsche hier ten prooi aan weer een andere mythe: “Het probleem waar Nietzsche mee kampte is het westerse logocentrisme, de religie van de woordelijke waarheid” (54). Anders gezegd, juist omdat Nietzsche gelooft in waarheid als de overeenstemming tussen de werkelijke stand van zaken en de woordelijke weergave daarvan. Doordat hij daarin gelooft, maakt hij het voor zichzelf onmogelijk de mythe op een geloofwaardige manier te doen herleven.

Ik denk dat ik Kockelkoren hier wel kan volgen, maar blijf mij toch afvragen wat hij hiermee oplost. Inderdaad: als je gelooft dat alleen dat waar kan zijn wat op de een of andere manier is gebaseerd op de overeenstemming tussen wat wij denken en zeggen en de werkelijke stand van zaken, dan is het onmogelijk om geloof te hechten aan mythische verhalen. Want die zijn ‘niet waar’ in die zin. Maar daarmee is de vraag nog niet beantwoord in welke zin zij dan wel waar zijn.

 

Pascal

Recent zag ik de film L’Avenir waarin actrice Isabelle Huppert de hoofdrol speelt van een filosofiedocente. Bij de begrafenis van haar moeder spreekt zij de bezoekers toe met onder andere een citaat uit de Pensées van Pascal. Belangrijk is daarbij te bedenken dat het hier gaat om een passage waarin Pascal het gezichtspunt van een niet-gelovige probeert te verwoorden: “’Dit is wat ik zie en wat mij in verwarring brengt. Ik richt mijn blik naar alle kanten, maar overal zie ik slechts duisternis. De natuur heeft mij niets te bieden wat mij geen reden geeft tot twijfel en verontrusting. Als ik er niets in zou zien wat op een God wees, zou ik concluderen dat deze niet bestaat. Als ik alom de tekenen van een Schepper zag, zou ik rust vinden in het geloof. Maar omdat ik te veel zie om te loochenen en te weinig om zeker te zijn, bevind ik mij in een beklagenswaardige positie, waarin ik honderdmaal wenste dat zij [de natuur] het ondubbelzinnig zou aangeven indien zij door een God in stand wordt gehouden, en indien de tekenen die zij daarvan geeft misleidend zijn deze helemaal achterwege zou laten; dat ze alles zou zeggen of niets, zodat ik weet waaraan ik mij te houden heb, terwijl ik daarentegen in mijn huidige situatie, waarin ik niet weet wie ik ben en wat ik moet doen, noch mijn plaats noch mijn plicht ken. Mijn hele hart verlang ernaar te weten wat het ware goede is, om zich daaraan te wijden. Voor de eeuwigheid is geen prijs mij te hoog” (Pascal, Gedachten, 1997; fragment 429).

Het dilemma dat Kockelkoren hier met Nietzsche verwoordt, wordt door Pascal met behulp van een staaltje van diepe inleving in het standpunt van de ongelovige expliciet gemaakt. Hoe kun je geloven in iets wat niet werkelijk overtuigt?

Het betoog van Kockelkoren is één grote bevestiging van een andere uitspraak van Pascal: “Het hart heeft zijn eigen redenen, waar de rede niets van weet” (Pascal, Gedachten, 1997; fragment 423). De rationele wetenschap reikt ons maar een van de kennisstrategieën aan die wij nodig hebben voor onze inspanningen om zo goed mogelijk te leven. Voor ons hart kunnen wij niet zonder een complementaire kennisstrategie, die volgens Kockelkoren in mythische verhalen te vinden is.

Kockelkoren toont overtuigend aan dat mythische verhalen ook in het leven van modern-seculiere mensen een grotere rol spelen dan zij zelf denken en beseffen. Zij zijn veel minder seculier dan zij zichzelf zien.

Maar dat besef is nog niet voldoende om ook tot een positieve toeëigening van een meer mythische zienswijze te kunnen besluiten. Ten aanzien van de vraag hoe wij tot een dergelijke kritische toeëigening kunnen komen, laat het verhaal van Kockelkoren mij in ieder geval in de steek en voel ik mij meer verwant met Nietzsche en Pascal en hun formulering van de hiermee gegeven dilemma’s.

 

Naar aanleiding van

Petran Kockelkoren, Ganesha in Silicon Valley – De macht van de mythe op het wereldtoneel, Amsterdam, 2018