De banaliteit van institutioneel racisme

Uit verveling keek ik naar een Tweede Kamerdebat en veerde op. Geen corona-shit maar een Zwarte Pietendiscussie. Dat ik die nog eens als een bevrijding zou ervaren! Pieter Derks beklaagde zich al dat het voor die discussie nooit het goede moment is, want de tijd is óf – rond de intocht – rijp voor polarisatie, óf – de rest van het jaar – zwanger van verzadiging: alsjeblieft nu niet. Daarom mag 4 juni 2020 te 23.00 uur voor mij de boeken in. Premier Rutte gaf de aftrap voor een waardig debat waarvoor we ruim de tijd hebben nu een intocht er dit jaar niet in zit, tenzij we een anderhalvemeterlint vormen van Spanje tot aan Paesens-Moddergat.

Rutte deed een unieke bekentenis. “Vroeger hoorde ik bij de groep Zwarte Piet is zwart.” Maar door de ontmoeting met veel mensen met een donkere huidskleur die aangaven zich ongelooflijk gediscrimineerd te voelen, is hij anders gaan denken. “Dit is het laatste wat je wilt bij een sinterklaasfeest.”

Naast premier is Mark Rutte ook leraar maatschappijleer aan de Johan de Witt scholengroep in Den Haag, een school die minder wit is dan de naam doet vermoeden. Rutte kent veel fatima’s en ahmeds. Alleen daardoor al is hij premier van alle Nederlanders, veel meer dan Trump ooit president van alle Amerikanen kan zijn. Door zijn statement laat Rutte zijn eigen gevoeligheid zien en ook zijn flexibiliteit: de wal keert het schip. Ook al is een feest niet discriminerend bedoeld, als het wel die uitwerking heeft, moeten we iets veranderen. Waarom dan geen noodverordening tegen Zwarte Piet? Anders dan bij een biologisch kwaad is Rutte de liberaal bij een moreel kwaad. Hij kan niets opleggen, “omdat ook veel mensen van de traditie houden. Het heeft geen zin mensen te dwingen het symbool los te laten”.

Het was een debatje met een lege Tweede Kamer. Alleen de zorgwoordvoerders waren aanwezig en vielen twintig meter van elkaar in slaap zodra het over racisme ging. De aanwezige fractieleiders Klaver, Kuzu en Ouwehand waren gelukkig alert. Zij dwongen Rutte te erkennen dat er ook institutioneel racisme is, binnen de overheid, op de arbeids- en woningmarkt. Rutte gaf toe, maar hij wilde de term institutioneel racisme niet gebruiken omdat “fatsoenlijke Nederlanders met goede bedoelingen dan het idee zouden kunnen krijgen dat zij worden weggezet als racist”. Dat is in elk geval heel depolariserend gedacht. Tegelijk wordt het mechanisme van de banaliteit van het kwaad zichtbaar. Rutte benoemde dat immers zelf: ook al heb je met het sinterklaasfeest niet de bedoeling te discrimineren, het gebeurt toch en dan werk je er zelf aan mee. Dat kwaad zit ook in de arbeidsmarkt. De meeste fatima’s en achmeds krijgen geen goede stageplek en komen alleen al vanwege hun naam niet door de selectie. Zijn bedrijfs- of overheidsmedewerkers daarom racistisch? Nou, ze voelen dat niet zo, want hun zoontje kan toch prima opschieten met Mustafa op voetbal? Maar ze werken intussen mee aan een systeem dat racistisch is. “Misschien moeten we die pijn juist voelen”, zei Jesse Klaver terecht. Leest u verder Jan Hoogland. Veel leesplezier.