Antidotum tegen ondergangsstemming

De instrumentele waarde van optimisme en hoop zijn ongeveer gelijk. Maar hoop gaat verder, is de stelling van Jan Hoogland.

 

Al enige tijd ligt de Nederlandse vertaling van Oswald Spenglers Der Untergang des Abendlandes prominent in veel (betere) boekhandels. In het vorige artikel las u de uitstekende weergave van Spengler door Klaas van der Zwaag. Het boek confronteert ons opnieuw met de vraag wat ook voor onze tijd de meest passende houding is. Een van pessimisme, omdat alles fout dreigt te gaan en de geschiedenis lijkt uit te lopen op een catastrofe of een nieuwe wereldoorlog? Of een van optimisme omdat alle signalen ten aanzien van belangrijke ontwikkelingen in de wereld op positief staan? Dat laatste lijkt de boodschap te zijn van Steven Pinker in zijn laatste boek Verlichting nu. In dit artikel wil ik betogen dat pessimisme en optimisme weliswaar bruikbare, maar in ieder geval oppervlakkige termen zijn. Het concept hoop biedt betere perspectieven.

Meer dan ooit lijkt onze tijd gestempeld door de tegenstelling tussen pessimisme en optimisme. Ook meer dan ooit lijken de polen van die tegenstelling verdeeld te zijn over politieke richtingen. Het pessimisme lijkt zich vooral op te houden aan de uiterste flanken van het politieke spectrum en dan nog het meest aan de rechterflank, waar de populistische partijen zich bevinden. Met name de partijen in het centrum proberen een meer optimistische houding uit te stralen.

 

Tegenstelling

Dat de tegenstelling tussen pessimisme en optimisme in onze tijd zo onoverbrugbaar lijkt, heeft ongetwijfeld te maken met de enorme spanning tussen enerzijds de wetenschappelijke en technologische mogelijkheden die wij hebben om de wereld naar onze wensen in te richten, en anderzijds de immense schadelijke consequenties van deze mogelijkheden als wij ze niet goed onder controle hebben.

Een andere oorzaak van het feit dat de tegenstelling tussen pessimisme en optimisme zo groot lijkt is de schaal van de ontwikkelingen waarover wij ons zorgen maken. Maakten wij ons vroeger vooral zorgen over gebeurtenissen en ontwikkelingen in onze directe omgeving (het mislukken van de oogst, of de gezondheid van onszelf en mensen in onze directe omgeving), nu hebben veel van onze zorgen betrekking op veel grotere ontwikkelingen. Zo zijn het smelten van het poolijs en de stijging van de zeespiegel wereldomspannende ontwikkelingen die onvermijdelijk ook gevolgen hebben voor onze directe omgeving. Hetzelfde geldt voor de economie. Steeds meer Nederlandse bedrijven komen in buitenlandse handen. Kapitaalstromen gaan de gehele wereld rond. Economische ontwikkelingen in China hebben rechtstreeks ook gevolgen voor ons.

Daarbij komt de wereldwijde schaal waarop mensen hun zorgen en verwachtingen met elkaar delen. Hadden mensen vroeger vooral verwachtingen over hun eigen leven en de directe omgeving waarin zij dat leven leidden, nu hebben veel van die verwachtingen betrekking op ontwikkelingen op wereldschaal en zien wij ook vaak direct welke reacties allerlei gebeurtenissen en ontwikkelingen in de wereld wereldwijd oproepen. Veel van de in Europa zo ongewenste immigranten laten zich in hun poging om Europa binnen te dringen leiden door de talloze beelden en berichten die zij ontvangen over onze stijl van leven.

Omdat de schaal van de ontwikkelingen en uitdagingen waarmee wij geconfronteerd worden zo groot is, kunnen mensen ook een sterk gevoel van machteloosheid ontwikkelen. Een stemming die volgens mij heel treffend tot uitdrukking is gebracht door Paul Schnabel in een veelgeciteerd zinnetje: “Met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht”. Mensen lijken voor hun persoonlijk leven nog wel hoopvol gestemd te zijn, maar over ons gezamenlijk lot zijn ze veel pessimistischer.

 

Pessimisme en optimisme als houdingen

Pessimisme en optimisme zijn termen voor houdingen die mensen kunnen innemen tegenover veranderingen in de werkelijkheid om hen heen. Een optimist is iemand die de kans positief inschat dat een bepaalde ontwikkeling tot een meer gewenste situatie leidt. Voor een pessimist geldt het tegendeel. Daarbij ligt het aan de persoon zelf welke houding hij of zij inneemt. Immers, voor beiden – de optimist en de pessimist – zijn de feiten gelijk. Het zijn dus subjectieve houdingen.

Neem bijvoorbeeld de internationale klimaatconferentie in het Poolse Katowice die op het moment dat ik dit schrijf van start is gegaan. Ongetwijfeld zijn er met betrekking tot deze conferentie optimisten en pessimisten te onderscheiden. Optimisten zijn op voorhand hoopvol over de uitkomsten ervan, pessimisten sceptisch. Op het eerste gezicht is dit puur subjectief. Toch kun je de vraag stellen wie van beide groepen de beste papieren heeft. Zouden optimisme en pessimisme niet gebaseerd moeten zijn op een soort ‘epistemische rationaliteit’? Het moet toch tot op zekere hoogte mogelijk zijn om de kansen op een goede afloop van deze conferentie redelijkerwijze in te schatten? Heeft een optimist evidence voor zijn verwachting dat de conferentie tot mooie opbrengsten zou kunnen leiden? Of zijn de verwachtingen van de pessimist reëler? Denk aan de omschrijving van de pessimist als een realistische optimist. Sceptici (een woord dat vaak als een soort synoniem voor pessimisten wordt gebruikt) zullen beweren dat het redelijker is om pessimist te zijn, want dan zul je het minst worden teleurgesteld door de uitkomst. Die kan eigenlijk alleen maar meevallen.

Waar de pessimist evenwel het minste risico loopt op teleurstelling, lijkt een houding van optimisme in allerlei situaties veel effectiever en productiever. Je zou kunnen zeggen dat optimisme een instrumentele waarde heeft, namelijk in die gevallen waar het gaat om veranderingen in de werkelijkheid die door ons eigen handelen kunnen worden veroorzaakt of versterkt. In die gevallen zal de optimist zich immers met veel meer energie en overtuiging inzetten voor het naderbij brengen van de gewenste situatie dan de pessimist. Daarom is de vraag of iemand al dan niet optimistisch is over het verloop van een bepaald traject bepaald geen neutrale vraag. Zonder de inzet van de optimist is de realisering van de gewenste situatie een stuk minder kansrijk. Zo zou je misschien zelfs van een zekere morele plicht tot optimisme kunnen spreken.

 

Pinkers Verlichting nu

In dit debat zijn er verschillende stemmen die vinden dat het de hoogste tijd is om eens een optimistische toon aan te slaan. Een van die mensen was de Zweed Hans Rosling (overleden in 2017) die met zijn TED-talks en met zijn boek Feitenkennis – 10 redenen waarom we een verkeerd beeld van de wereld hebben en waarom het beter gaat dan je denkt ons ervan probeerde te overtuigen dat wij vaak ten onrechte zwartkijkers zijn. In zijn boek en op zijn website (www.gapminder.org) laat hij zien dat de feiten erop wijzen dat veel indicatoren in de ontwikkeling van de wereld heel gunstig zijn.

Iemand met een soortgelijke missie is Steven Pinker, de auteur van Ons betere ik en Verlichting Nu. Pinker, die ook naar Rosling verwijst, schetst een uiterst gunstig beeld van de belangrijkste ontwikkelingen wereldwijd. Zijn bedoeling is vooral om op basis van de harde, wetenschappelijke feiten aan te tonen dat de sombere verhalen uit het nieuws en de media in ieder geval haaks staan op de belangrijkste actuele trends. Bijna alle indicatoren van vooruitgang staan op positief. Geen enkele reden voor

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.