Pieter Vos

Expert op het gebied van religie (in de lijn van Kierkegaard) en zoon van een timmerman. Je kunt het minder iconisch treffen. Pieter Vos is een echte denker, maar hij heeft door zijn ervaring genoeg common sense om te weten of die hamer waarmee je je in de werkplaats op je duim slaat ook bestaat buiten de waarneming. Toch is er in zijn leven een kloof tussen theorie en praktijk. Hij verbouwde zijn huis, zonder daartoe een opleiding te hebben gevolgd. Als lector morele vorming leidde hij docenten op, zonder ooit voor de klas te hebben gestaan op een basisschool. Als docent ethiek onderwijst hij aanstaande predikanten, zonder ooit predikant te zijn geweest. En het kwadraat daarvan dient zich nu aan: onlangs werd hij bijzonder hoogleraar geestelijke verzorging binnen de krijgsmacht, zonder ooit geestelijk verzorger te zijn geweest en in het leger te hebben gediend. Dit is een nummer over hoop. Laten we hopen dat niet de wet van de remmende voorsprong, maar die van de stimulerende achterstand geldt, bij de kloof die zich in Pieters curriculum voordoet. Een gesprek over zijn jeugd en over zijn fascinatie voor Heidegger, Levinas en Kierkegaard.

Pieter Vos werd 48 jaar geleden geboren in het ‘overjordaanse’ Terneuzen, Zeeuws-Vlaanderen. Een soort Galilea der Vlamingen. Voordat er een vaste-oeververbinding was, lag het zo geïsoleerd van de rest van Nederland, dat de gereformeerden een kerkscheuring aan zich voorbij lieten gaan. De ‘open brief’ uit de jaren zestig werd er geen kwestie, georiënteerd als de Zeeuws-Vlamingen waren op het katholieke zuiden. Winkelen en uitgaan deed je in Antwerpen, Gent of Brugge.

“Ik kom uit een aannemersfamilie. Mijn vader had een klein bouwbedrijf, mijn opa was timmerman, en diens vader was wagenmaker. Als jongetje was ik graag in de werkplaats van mijn opa. Liever dan bij mijn vader. Opa’s hebben meer aandacht en geduld. Zoiets zal het geweest zijn. Ik heb die bouwwereld altijd heel mooi gevonden. Op de basisschool was mijn vaste overtuiging dat ik zelf ook in die richting verder zou gaan. Op zaterdagen en in de vakanties assisteerde ik mijn vader, in de werkplaats en op bouwplaatsen. Mijn vader bouwde en verbouwde huizen, soms een heel rijtje, maar was ook wel onderaannemer voor grotere projecten, bijvoorbeeld bij de bouw van de gereformeerde kerk vrijgemaakt in Terneuzen.

Toch ben ik nooit geprest om in de aannemerij te gaan. Ik werd juist gestimuleerd om te studeren. Mijn ouders hadden daar zelf nooit de kans voor gehad. Wij als kinderen hadden die mogelijkheid wel: naar het vwo, gaan studeren en op kamers gaan in een studentenstad. Dan kom je in een heel andere sfeer terecht.

Op de middelbare school raakte ik geïnteresseerd in literatuur, en begon ook filosofische en theologische boeken te lezen. Zo kwam de ambitie op om theologie te studeren, wat ik in Kampen ben gaan doen, ‘aan de Broederweg’, en in de loop van mijn studie ook ‘aan de Oudestraat’, zoals dat toen heette.”

 

Terneuzen

“Zeeuws-Vlaanderen is nu een krimpregio, maar dat was in mijn jeugd anders. Toen trok het juist behoorlijk aan. De industrie groeide met Dow Chemical bijvoorbeeld. Daardoor kwam er ook meer intellectuele input. Dat merkte je in de kerkelijke gemeente en op school. Er zat wel leven in de brouwerij. Dat is denk ik nu anders. De twee scholengemeenschappen in Terneuzen zijn inmiddels gefuseerd. Wel gold al voor mijn generatie: wie ging studeren, keerde niet meer terug.

Ik zat op dezelfde school als filosoof Ad Verbrugge. Hij zat een paar klassen hoger, maar er lopen wel wat vergelijkbare lijntjes. Die hebben niet zozeer te maken met de leraren die we hadden, als wel met het klimaat op school, binnen en buiten de klas. Er zaten leerlingen van heel uiteenlopende levensbeschouwelijke achtergronden op school, maar daarover werd in het geëngageerde klimaat van de jaren tachtig wel echt gediscussieerd. Een klasgenoot van mij ging filosofie studeren in Leiden. Hij was enorm gefascineerd door de filosofie van Heidegger en wist dat op mij over te brengen. Daarmee was ik verkocht voor de filosofie.”

 

Heidegger

“Ik studeerde al theologie in Kampen ‘aan de Broederweg’, toen ik met Heidegger in aanraking kwam. Ik was er zo van onder de indruk dat ik met een groepje vrienden Sein und Zeit ging lezen. Later gingen we ook colleges filosofie en theologie volgen aan ‘de Oudestraat’, bij Renée van Riessen bijvoorbeeld.

Zij gaf vooral college over Levinas, maar ook Heidegger kwam aan de orde, omdat je Levinas niet kunt begrijpen zonder Heidegger. Ik heb bij haar uiteindelijk een scriptie geschreven over de relatie tussen Levinas en Kierkegaard.

Als vrijgemaakte theologiestudent colleges volgen aan de ‘synodale’ universiteit was een spannende onderneming. Niemand deed dat. Want het ging tegen de mores en de cultuur van de ‘Broederweg’ in om bij de concurrent aan de ‘Oudestraat’ te shoppen. Er stond ook wat op het spel. Nu was de filosofie een minder bedreigend terrein, maar als je je ook theologisch liet beïnvloeden, was dit gevaarlijk, zo werd gedacht, en helemaal met betrekking tot onze jaargroep, die als kritisch te boek stond. Ik ben er eenmaal om berispt. Ik zat in de senaat van de studentenvereniging toen we Kuitert uitnodigden om te spreken over zijn boek Het algemeen betwijfeld christelijk geloof. Wij vonden dat toen een eigenzinnig en spannend boek, waarin hij soms heel orthodox uitkwam, dan weer nieuwe wegen bewandelde. Alle reden om hem uit te nodigen op onze studentenvereniging aan de Broederweg. Dat feest ging dus niet door. Hij mocht niet ontvangen worden in wat wij ‘de soos der kerken’ noemden en als senaat werden we op het matje geroepen. Het ironische was dat we hem vervolgens in de sjieke Lemkerzaal ontvingen, waar ook de promoties plaatsvonden. Daardoor leek het alsof we hem met alle mogelijke egards behandelden. De enige aanwezige hoogleraar was Jochem Douma. Die ging altijd wel in gesprek. De rest liet verstek gaan. Overigens viel de lezing van Kuitert tegen. Zijn grootheid werd mede geschapen door de oppositie in orthodoxe kring. Wij hadden niet het gevoel dat het tot een echt gesprek was gekomen.

Ondanks dit alles kwam ik uiteindelijk niet in problemen. Studiepunten die ik aan de Oudestraat verzilverde, werden gelukkig gehonoreerd aan de Broederweg, waaraan ik ten slotte ook afgestudeerd ben. Na mijn studie ben ik als onderzoeker aan de Oudestraat gaan werken. Bij Gerrit Neven en Onno Zijlstra heb ik mijn proefschrift over Kierkegaard geschreven.”

 

Motief

“Ik ging echt theologie studeren om de theologie, om mijn interesse in levensbeschouwelijke vragen te verdiepen. Maar ook wel met het idee om daarna predikant te worden. Ik was als puber een keurige vrijgemaakte jongen op een brede, algemeen christelijke scholengemeenschap, waar ik allerlei opvattingen meekreeg. Tegelijk vormde de gereformeerde subcultuur toen een sterk tegenwicht. Daar bevond ik me in, en zo begreep ik mezelf ook. Dat was mijn identiteit. Ik had bijvoorbeeld een ongelovige vriend op school die me bepaalde bij het ‘natuurlijke licht’ van Calvijn. Hij zei dan: ‘Zie je wel, we hebben een gemeenschappelijke basis.’ Tegenover hem had ik dan de neiging om juist het bijzondere karakter van de openbaring in stelling te brengen en het fundamentele verschil te benadrukken. Ik dacht vanuit een sterk antithetisch en exclusief kader. Dat is door de studie theologie eigenlijk pas flink in beweging gekomen.”

 

Heidegger

“Ik was dus gefascineerd door Heidegger. Dat je zo kunt denken! Bij de studenten die ik kende in Leiden was het bovendien een filosofie die geleefd werd. Die was zo geïnternaliseerd dat ze als het ware heideggeriaanse gesprekken met mij voerden. Voor mij was dat aanleiding om me er diepgaand mee bezig te houden. Ik probeerde me die wereld waardoor ik geïmponeerd was eigen te maken.

Heidegger heeft ook theologen op die manier beïnvloed. Denk aan Bultmann, de nieuwtestamenticus die het idee van de Entmythologisierung inbracht. Zijn theologie is een poging om onder de condities van de moderne tijd te kijken wat er nog houdbaar is. Hij maakt dan een wending naar het existentiële domein. Centrale begrippen die hij vindt in bijvoorbeeld het evangelie van Johannes verklaart hij tot existentiële categorieën.

Uiteindelijk vind ik Heidegger echter problematisch, dus mijn inzicht is wel voortgeschreden. De vraag is of er nog theologie mogelijk is, in de zin van denken over God. Bovendien zit er in Heideggers denken een groot ethisch tekort. Dat inzicht begon te dagen door het lezen van Levinas. Hij stelde de metafysica in ere, in de zin van een denken van het oneindige, van wat radicaal anders is.

Heidegger lezen is ook problematisch tegen de achtergrond van zijn gebleken nationaalsocialisme, dat hij als een lotsbeschikking zag. Maar hij heeft zeker ook iets gezien. Denk aan zijn analyse van het zorgend in de wereld zijn. En zijn analyse van de techniek. Al speelt ook daarin de gedachte aan een noodlot. Er zit iets fatalistisch in het idee van de geschiedenis die zich noodwendig voltrekt. Dat zie ik als een gebrek aan ethiek. Ethiek is de bereidheid om wat zich aandient te bevragen vanuit de vraag naar het goede. Bij Nietzsche zie ik hetzelfde als bij Heidegger. De toekomst van het nihilisme voltrekt zich onvermijdelijk als de noodzakelijke uitkomst van heel het westerse Grieks-christelijke zoeken naar waarheid. Dat loopt erop uit dat uiteindelijk iedere waarheidsaanspraak als schijn wordt ontmaskerd. Daarbij is de vraag of er niet een ander denken mogelijk is. Dat ik geen waarheid construeer, maar dat zich waarheid aandient. Dat moraal niet alleen maar een construct is, maar dat er een moreel appel op mij afkomt. En dat het goddelijke zich onherleidbaar aandient.”

 

WdW

“Aanvankelijk was ik kritisch op de Wijsbegeerte der Wetsidee, waarmee ik kennismaakte door de colleges van Kars Veling. Mijn referentiepunt was Heidegger. Wat moet je dan nog met een aspectenleer? Toen ik wat loskwam van Heidegger ben ik ook de reformatorische wijsbegeerte meer gaan waarderen, reden waarom ik bijvoorbeeld eind jaren negentig samen met anderen de conferentie in Kampen heb georganiseerd over theologie en filosofie en later nog een congres over geloofszekerheid. In die tijd (aan het eind van mijn studie) vond ik met name de transcendentale kritiek van Dooyeweerd interessant. Nog weer later, toen ik als lector morele vorming aan het hbo werkte ben ik gaan zien wat de potentie is van de aspectenleer, toegespitst op professionele praktijken en verbonden met de deugd-ethische insteek van MacIntyre. Het had er ook mee te maken dat ik weer met beide benen op de grond kwam.”

 

Kierkegaard

“Een doorbrekingservaring had ik echt met Kierkegaard. Via Levinas kwam ik bij hem terecht. Bij Levinas is de godsidee weliswaar aanwezig, maar die valt samen met de ander. Maar God zelf, kunnen we die nog denken? Is er na Heidegger nog theologie mogelijk? Met die vraag kwam ik uit bij Kierkegaard. Via Heidegger was dat lastig met zijn kritiek op de ontotheologie. Die kritiek kon ik ook wel meemaken. God is niet het hoogste zijnde of de uiteindelijke garant van de werkelijkheid. Waar vinden we hem dan wel? Niet in de existentiële categorieën op zich, zoals bij Bultmann. Maar hij valt ook niet samen met de ethische ervaring, zoals bij Levinas. Kierkegaard denkt voluit filosofisch, maar stuit uiteindelijk toch steeds op het religieuze als iets onherleidbaars. Daarmee kan hij een brug slaan tussen seculiere filosofie en religie. Hij doet dat op een kansrijkere manier dan Dooyeweerd met zijn transcendentale denkkritiek. Ik vind het fascinerend dat Kierkegaard tot op de dag van vandaag bestudeerd wordt door filosofen die zichzelf helemaal niet religieus noemen. Die worden dan toch bepaald bij het religieuze als iets wat niet tot iets anders te herleiden is.

Het lastige aan Kierkegaards werk is dat het vaak voor meerderlei uitleg vatbaar is. Daarom heeft er geen echte schoolvorming plaatsgevonden. Dat zou trouwens ook tegen zijn eigen denken indruisen. Hij probeert iets te denken dat zich uiteindelijk alleen in mijn eigen existentie toont. Daarom ziet hij zijn schrijverschap als een soort socratische vroedvrouwkunde: er moet iets bij de lezer gebeuren. Dat neemt niet weg dat zijn invloed heel groot is.  Als je kijkt naar zijn Wirkungsgeschichte in de theologie: de Römerbrief van Barth kun je niet begrijpen zonder Kierkegaard. De hele dialectiek van tijdelijkheid en eeuwigheid komt direct bij Kierkegaard vandaan. Je kunt ook Sein und Zeit niet begrijpen zonder vooral de ‘theologische’ Kierkegaard. Heidegger geeft dat zelf ook aan, zij het summier. Ik herken hele passages uit de Opbouwende toespraken van Kierkegaard in Heideggers ‘Daseinsanalyse’. Al geeft Heidegger er een heel andere draai aan en is het essentieel religieuze er juist uitgefilterd.

Een tweede golf van Kierkegaardinteresse is verbonden met het existentialisme van Sartre en Camus. Ook hier is de religieuze Kierkegaard naar de achtergrond verdwenen. Juist dat religieuze komt op verrassende wijze terug in een derde, postmoderne golf van Kierkegaardinterpretatie, zoals bij John Caputo, Mark C. Taylor en Jacques Derrida. Ook op die interpretatie is echter weer het nodige af te dingen. Kortom, over de interpretatie van Kierkegaard is eindeloos te twisten. Dat heeft misschien iets tragisch, maar het is toch ook de grootsheid van zijn schrijverschap.”

 

Theologie en filosofie

“Mij heeft Kierkegaard dus in eerste instantie geholpen om de verbinding tussen theologie en filosofie terug te vinden. Kierkegaard lezen was voor mij ook wel een existentiële ervaring. Het begon voor mij, net als voor veel lezers denk ik, met het boek Vrees en beven. Van dat boek ben ik nooit meer afgekomen en ik kwam er nooit helemaal mee klaar. Er blijft iets onverteerbaars in zitten.

Tegelijk maakte Kierkegaards lezing van Genesis 22 voor mij de theologie spannend. Theologie is geen droge exegese, waarin je met handboeken en commentaren een tekst fileert totdat er niets van overblijft, maar een strijd op het scherp van de snede. Theologie is ook geen bouwwerk dat min of meer vanzelf volgt uit de eenmaal aanvaarde geloofsvooronderstellingen. Er is een risico aan verbonden. Mijn eigen leven staat op het spel. Zo’n soort leeservaring was het.

Het bracht mij ook tot een zoektocht. Wat betekent dit? Wat voor consequenties heeft het voor mijn leven? Tot die tijd was mijn geloof een rationeel stelsel van waarheden, gecombineerd met een basisvertrouwen. In de tijd dat ik Kierkegaard begon te lezen, maar ook eerder al door het lezen van allerlei theologie, kwam ik los van een veilige wereld. Achteraf zie ik dat er misschien ook een existentiële diepte zat in de theologie van Schilder, die ik al op mijn zestiende las. Daar zat een bepaalde toon in waardoor ik getroffen werd en die maakte dat ik me aangetrokken voelde tot de studie theologie. Zo gaan die dingen denk ik ook in eerste instantie, op een affectief niveau. Schilder was ook geraakt door Kierkegaard, maar hij liet de veronzekering en de existentiële vragen van Kierkegaard uiteindelijk niet echt toe. Hij vond zekerheid in de openbaring van de Bijbel die klaar en duidelijk is. Dat is dan het fundament waarop je de theologie als bouwwerk kunt optrekken. Daarmee fungeerde Schilder destijds voor mij toch vooral als bevestiging van mijn veilige identiteit. Toen ik me echt in de theologie en filosofie stortte, werd ik me bewust van het problematische uitgangspunt van zijn theologie. Al snel vond ik bij hem niet meer wat ik zocht. Hij speelde in mijn ontwikkeling verder geen rol meer.

 

In de war

“Waar ik van in de war raak als ik Kierkegaard lees? Neem Vrees en beven – dat draait voortdurend om de spanning tussen het eigene van de religie en de ethiek. Abraham krijgt de opdracht om naar de offerplaats te gaan en zijn zoon te offeren. Kierkegaard thematiseert dat in termen van een tegenstelling tussen de ethische verantwoordelijkheid voor zijn zoon en de religieuze opdracht om iets te doen wat daarmee totaal in tegenspraak is. Het ethische lijkt radicaal te worden opgeschort. Kierkegaard verkent in vergaande mate in hoeverre dat inderdaad legitiem is. In hoeverre bestaat er een teleologische suspensie van het ethische? Maar wordt hier dan toch niet het plegen van een moord religieus gelegitimeerd? Dat blijft een spannende vraag. Al is het duidelijk dat het ethische niet wordt opgeheven. Want dan zou de spanning er juist uit zijn. Het bevel tot offeren klinkt, terwijl het ethische gebod om je zoon lief te hebben ook tot het einde wordt gehandhaafd. Abraham gelooft dat hij ondanks het voornemen te gaan offeren, zijn zoon toch zal behouden. Ik kom daar niet helemaal uit. En toch denk ik dat Kierkegaard hier iets te pakken heeft. Veel meer dan bijvoorbeeld Kant. Kant zal blijven verdedigen dat zo’n opdracht nooit de opdracht van God kan zijn. Want God kan niet tegen het ethische ingaan. Dan ben je snel klaar met het verhaal. Overigens is het verhaal in de traditie ook geen probleem. Bij Calvijn is het verhaal onproblematisch en eigenlijk in de hele  joodse en christelijke traditie. Het gaat dan vooral om een beproeving van de gelovige, een beproeving die gelovig wordt doorstaan. Genesis 22 wordt voor het eerst een probleem bij Kierkegaard. Dat geeft ook iets aan van de grootheid van zijn denken. Hij zet de spanning tussen het ethische en het religieuze neer zoals dat nog niet eerder gedaan is.

Waarom? Omdat hij duidelijk wil maken dat het religieuze niet tot het ethische is terug te brengen. Het gaat dus om de eigenheid van het geloof! Het specifieke, het onherleidbare van de religie staat op het spel.”

 

Hoop

Vrees en beven is een boek met veel lagen. Een van de lagen is de dubbele beweging van het geloof. Geloof is iets anders dan resignatie. In resignatie zou Abraham zijn zoon werkelijk opgeven. Zoals Jefta, die zijn dochter moet afstaan. Jefta staat haar af omwille van een hoger doel. Noem dat doel het religieuze. Het kan ook omwille van een hoger ethisch doel zijn, neem Agamemnon die zijn dochter offert.

Maar het eigene van het geloof is dat het een dubbele beweging is: je geeft je zoon op in het vertrouwen dat je hem weer zult ontvangen. Dat staat voor de hoop tegen alle verwachting en berekening in, waarmee op extreme wijze het eigene van het geloof is verwoord.”

 

Geen angst

Vrees en beven intrigeerde mij, niet omdat het appelleerde aan religieuze angstgevoelens, want die  heb ik nooit gekend. De spiritualiteit van mijn jeugd was er een van basisvertrouwen. Er wordt weleens schamper gedaan over verbondsautomatisme, maar ik zou die nadruk op het verbond toch ook credits willen geven. Ik kan me bijvoorbeeld niet herkennen in de gereformeerde cultuur zoals die door Maarten ’t Hart is beschreven. We discussieerden op de jeugdvereniging wel over verkiezing en verwerping, maar daarin stond existentieel weinig op het spel. Het gereformeerde milieu was voor mij beschermend en nooit onveilig.

Een aspect waar ik wel van moest loskomen is wat Ab van Langevelde heel raak ‘het klimaat van het absolute’ heeft genoemd. Gereformeerde geloofszekerheid betekende oneerbiedig gezegd het aanhangen van een dichtgetimmerd rationeel stelsel van waarheden. Dat stelsel werd een werkelijkheid op zichzelf, die antithetisch tegenover andere denkbeelden stond. Welke vraag je ook had op catechisatie, de dominee wist wat het antwoord was. Die geloofszekerheid heeft natuurlijk weinig meer met geloof te maken en blokkeert ook openheid naar andersdenkenden. Daar heb ik mezelf enorm tegen verzet toen ik ontdekte dat je ook heel anders aan theologie kunt doen. En Kierkegaard heeft me geholpen om te gaan begrijpen wat dan wel het eigene van geloof is.  Maar ik voel me door de subcultuur waarin ik ben opgegroeid niet psychisch of existentieel beschadigd. Ik heb bijvoorbeeld altijd een onvoorwaardelijk vertrouwen gevoeld van mijn ouders in mij als persoon. Zoiets is denk ik veel krachtiger dan welke invloed van welke levensbeschouwing of docent ook.”