Is het christelijk geloof een verdovingstechniek tegen het besef van het tragische?

Het mooie Essay van de Maand van de Filosofie daagde Jan Hoogland uit om naar zichzelf te kijken. Is het christelijk geloof een voormoderne techniek om het besef van het tragische te verdoven, of maakt het dat besef intenser?

 

Filosoof/cabaretier Tim Fransen is de auteur van het Essay voor de Maand van de Filosofie Het leven als tragikomedie – Over humor, kwetsbaarheid en solidariteit. Het is een goed leesbaar boekje geworden van ruim 150 pagina’s over het menselijk tekort en hoe daar op een goede manier mee om te gaan. Fransen laat in dit boekje zien dat het juist de verbinding is tussen wijsheid (de filosoof) en humor (de cabaretier) die ons helpen kan met onze tragische situatie om te gaan.

In het boek deelt Fransen de filosofische geschiedenis ruwweg in tweeën: “Het eerste en grootste deel van de westerse (en niet-westerse) ideeëngeschiedenis heeft in het teken gestaan van de zoektocht naar iets wat de mens boven zijn gebrekkige bestaan kan uittillen: een of andere Bedoeling, of een volmaakte morele Waarheid. Dit zijn dingen die we met absolute ernst bezien, omdat ze de rechtvaardiging vormen van ons bestaan” (100). De overgang naar de tweede periode gaat heel geleidelijk, maar Nietzsche brengt de eerste periode “definitief om zeep met de dood van God”. Fransen vervolgt: “Met de kosmische orde in scherven, ondergaat de potentie van het kosmische een radicale transformatie. Zonder waarheid over wat er precies de bedoeling is, zonder waarheid over het hoogste Goed, zijn we in zekere zin allemaal een dwaas geworden. Niemand van ons kan nog met geloofwaardigheid claimen dat hij de absolute antwoorden in pacht heeft” of “dat hij dichter bij de goden staat dan een ander, dat hij meer dan een ander de goddelijke zegen aan zijn kant heeft, of meer kans heeft gered te worden van dit onvolmaakte bestaan”. Met als conclusie: “Onze fundamentele gebrekkigheid is wat er overblijft” (103, 104).

 

Driedeling

Ik zie hier zelf een driedeling: premoderniteit, moderniteit (voor Nietzsche) en postmoderniteit (na Nietzsche). De premoderniteit wordt in hoge mate gekenmerkt door het naïeve, nog niet werkelijk kritisch onderzochte geloof in religieuze wereldbeelden. De moderniteit wordt gekenmerkt door de geleidelijke dood van God zonder dat mensen zich de radicale consequenties daarvan nog echt realiseren. Kenmerkend voor de postmoderniteit is dat de dood van God in al zijn consequenties tot het bewustzijn van de mensen doordringt. Maar ook onze eigen tijd wordt nog steeds gekenmerkt door een mengeling van moderniteit en postmoderniteit.

De moderniteit is de tijd waarin de mens zijn lot langzaam maar zeker in eigen hand neemt. God en zijn beloften zijn niet langer nodig, want de mens is in staat om die beloften zelf te vervullen en dat niet in een geprojecteerd hiernamaals, maar gewoon in onze aardse werkelijkheid, hier-en-nu. De moderniteit wordt dus gekenmerkt door de overtuiging van mensen dat zij eens in staat zullen zijn om zelf een perfect en gelukkig leven te verwezenlijken.

Dan komt Nietzsche ons bewust maken van het feit dat de moderne mens ten onrechte denkt dat de menselijke kwetsbaarheid en het menselijk tekort overwonnen kunnen worden. Integendeel: met de dood van God is de gebrokenheid van onze werkelijkheid definitief geworden. Er is geen ontkomen meer aan. Het menselijk leven is tragisch tot in de kern. De enige uitdaging die wij ons kunnen stellen is niet de tragedie te overwinnen, maar ermee te leren leven.

Als Fransen hierin gelijk heeft, dan heeft hij in zijn essay een machtig punt te pakken. Wat hij de lezer in de kern duidelijk wil maken is dat bij een voortdurend en volledig besef van onze tragische conditie het leven onleefbaar is. Wij kunnen het leven slechts leefbaar maken door onszelf tegen dat volledige realiteitsbesef te beschermen. De moderne manier om dat te doen wordt door Fransen gezien als een verdovingstechniek: net doen alsof wij ons lot in eigen hand kunnen nemen en onszelf een perfect leven kunnen bezorgen. Daarmee maken wij onszelf iets wijs en ook nog eens tegen een veel te hoge prijs. Uiteindelijk zullen wij erdoor gedwongen worden de aarde en al haar mogelijkheden uit te putten, alle solidariteit op te geven en ieder voor zich te strijden voor een optimaal bestaan.

 

Relativeren

Zijn alternatief is om onze gebrekkigheid radicaal onder ogen te zien en in de erkenning daarvan naar verlichting te zoeken in het verbond tussen wijsheid en humor dat ons tragische bestaan draaglijker kan maken. Want met behulp van (humaniserende) humor kunnen wij de erbarmelijkheid van onze situatie en ons fundamentele onvermogen om die situatie radicaal te verbeteren onder ogen zien, maar tegelijk ook relativeren. Op basis daarvan leren wij steeds beter onze eigen gebrekkigheid en kwetsbaarheid te aanvaarden en in te zien dat wij juist dit met alle mensen delen. Dat zou tegelijk ook de basis kunnen zijn voor een meer waarachtige solidariteit tussen mensen, waar de één meer en vaker dan de ander wordt getroffen door pech en onheil.

Ik heb er geen behoefte aan Fransens sympathieke en eerlijke boodschap tegen te spreken. Wel heb ik mij door zijn beschouwing laten uitdagen om mijn eigen christelijke overtuiging nog eens tegen het licht te houden. Is het nu werkelijk zo dat het christelijk geloof, wat Fransen eigenlijk suggereert, een voormoderne ‘verdovingstechniek’ is tegen de ondraaglijke tragiek van ons bestaan?

Volgens mij kun je deze vraag het beste beantwoorden door te onderzoeken welke van de twee gezichtspunten uiteindelijk het meeste recht doet aan het menselijk tekort en de daaruit voortkomende tragiek van het bestaan. Ik denk dat de christelijke zienswijze dan toch minder slechte papieren heeft dan Fransen suggereert.

 

Vergelijking van perspectief

Ik zou de vergelijking op twee punten willen maken. Hoe wordt vanuit beide zienswijzen aangekeken tegen 1) het onuitroeibare verlangen van mensen naar een volmaakt gelukkig, ongebroken en puur bestaan en 2) het verschijnsel van het morele kwaad.

Om met het laatste te beginnen. Wat opvalt in de zienswijze van Fransen is dat volgens hem het menselijk tekort en de daaruit voortkomende tragiek gegeven lijken te zijn: zij horen bij het leven. Je zou haast zeggen: het tekort hoort tot onze natuur. In zijn beschrijving van het menselijk tekort in vijf dimensies (lichamelijk, psychisch, epistemisch, moreel en existentieel) lijkt er wat dat betreft alleen een beetje twijfel door te klinken als het gaat om het morele tekort. Als Fransen aan de behandeling hiervan begint, merkt hij op dat de soorten leed uit het eerder behandelde lichamelijke, psychische en epistemische tekort “zuiver tragisch” zijn “in de zin dat ze niemands schuld zijn”. Bij het morele tekort moet er echter ook aandacht besteed worden aan leed waaraan wij als mensen wel schuldig zijn. Maar in plaats van diepgaand op dit verschil in te gaan, lijkt Fransen er bijna overheen te fladderen door vooral in te gaan op de oorzaken waardoor wij – onvermijdelijk, dus zonder daar echt schuld aan te hebben – moreel zo feilbaar zijn. Feitelijk is dat ook wat hij de ‘banaliteit van het kwaad’ noemt: het feit dat alle mensen – onbedoeld – moreel feilbaar zijn en de ernstige consequenties die daaruit kunnen voortvloeien.

 

Schuld

Hier ligt volgens mij een belangrijk verschil tussen een christelijke zienswijze en de opvatting van Fransen. In een christelijke zienswijze is de tragiek van het leven verbonden met de komst van het morele kwaad in de wereld, de zondeval. De tragiek van het leven is zo bezien niet moreel neutraal, maar heeft te maken met menselijke schuld. Je zou het ook zo kunnen zeggen: het morele kwaad ligt aan de wortel van de menselijke tragedie.

Deze zienswijze vormt volgens mij geen vlucht voor de tragiek, maar verdiept haar eerder. Hij maakt duidelijk dat die tragiek als een vloek kan worden geduid. Dat het menselijk tekort een gegeven is, zoals Fransen stelt, wordt hierdoor alleen maar bevestigd: de mens is niet in staat zich aan deze vloek te onttrekken. Maar het krijgt wel een andere betekenis.

Mijns inziens is de kern van het christelijk geloof niet dat de gelovige door zijn geloof aan deze vloek kan ontsnappen door de belofte van een eeuwig gelukzalig leven, ook al beleven veel christenen dit misschien wel zo. Volgens mij is de kern van de christelijke boodschap eerder dat deze vloek de gelovige niet hoeft te verlammen in het streven naar het goede. Ook al kan de mens wezenlijk niets veranderen aan de condition humaine, het menselijk tekort en de tragedie van het leven, dat hoeft hem nog niet te beletten het goede te doen en het kwade na te laten. Kortom: de christelijke geloofsovertuiging helpt mensen om niet cynisch naar de tragedie van het bestaan te kijken, maar elk moment weer

Verder lezen?
De verdere inhoud van dit artikel of deze pagina is voorbehouden aan onze abonnees (u kunt hier inloggen).
Bent u nog geen abonnee, vraagt u dan een proefnummer aan, of registreert u zich direct online voor een abonnement.