Sophie
Sophie Sophie


Vraag nu een
GRATIS
proefnummer aan!

Vraag nu een gratis proefnummer aan!
Missie
Soφie is een uitgave van de Stichting voor Christelijke Filosofie. Zij biedt een intellectuele uitdaging door kritisch na te denken over actuele onderwerpen, geïnspireerd door de christelijke traditie.

Redactie
ing. P. de Boer
dhr. A. Deddens
mevr. drs. E.J. van Dijk
mevr. drs. M. Doornenbal
mevr. drs. R. Ebbers-van Aalst
dr. J. Ester
drs. I.D. Haarsma
prof. dr. J. Hoogland
dhr. A. Janse
dr. ir. R.A. Jongeneel
mevr. drs. D.G. Rots
dr. P.H. Vos
dr. K. van der Zwaag
Is kennis van God mogelijk? PDF Print Email
Written by   

De apologetische waarde van Alvin Plantinga's Reformed Epistemology II [1]

Kunnen religieuze overtuigingen rationeel, redelijk, gerechtvaardigd of verantwoord zijn? In een vorig artikel heb ik geprobeerd te laten zien hoe Reformed Epistemology deze vraag bevestigend beantwoordt. Maar er is een andere belangrijke epistemologische vraag die aan de gelovige gesteld kan worden of die de gelovige zichzelf kan stellen: kunnen religieuze overtuigingen gevallen van kennis zijn? ‘Geloven is prima, als je maar niet denkt dat je ook werkelijk kennis van God kunt hebben. Daarvoor is geloven iets dat veel te subjectief is.’ Ik denk dat Alvin Plantinga ook hier een waardevol antwoord geeft.

Tot aan het begin van de jaren zestig van de twintigste eeuw meenden filosofen dat er drie voorwaarden zijn die afzonderlijk noodzakelijk en samen voldoende zijn voor kennis. (i) De propositie in kwestie – datgene wat geloofd wordt – is waar. Je kunt immers niet iets weten als het niet zo is. Ik kan bijvoorbeeld niet weten dat Lissabon de hoofdstad van Spanje is of dat er minder dan tien miljoen mensen in Nederland wonen. (ii) Er moet sprake zijn van geloof of van een overtuiging. Als je niet de overtuiging hebt dat iets zo is, bijvoorbeeld doordat je twijfelt, dan kun je ook niet weten dat het zo is. Iemand die bijvoorbeeld betwijfelt of Franca Treur de auteur van het boek Dorsvloer vol confetti is, zouden we niet omschrijven als iemand die weet dat dit zo is. (iii) Ten slotte heb je een bepaalde rechtvaardiging nodig voor je overtuiging. Als ik op basis van een pure gok geloof dat Job Cohen op dit moment zijn tanden aan het poetsen is en dat zou toevallig zo zijn, dan zou ik niet weten dat Job Cohen nu zijn tanden aan het poetsen is.

Iedereen dacht dat deze analyse van kennis klopte, tot in 1963 Edmund Gettier in een artikel van maar drie bladzijden aantoonde dat de standaardanalyse niet klopt[2] Het soort tegenvoorbeelden dat hij gaf, wordt sindsdien Gettier-voorbeelden genoemd. Laat ik één zo’n Gettier-voorbeeld geven. Stel je voor dat Sven de kamer binnenkomt en de klok op drie uur ziet staan. De klok heeft altijd prima gewerkt, dus heeft hij goede redenen om te geloven dat het drie uur is. Hij gelooft dit dan ook. En het is inderdaad precies drie uur. Aan de drie voorwaarden van de standaardanalyse is voldaan: (i) het is waar dat het drie uur is, (ii) Sven gelooft dat het drie uur is, en (iii) Sven heeft goede redenen om te geloven dat het drie uur is. Maar stel je nu eens voor dat de klok precies vierentwintig uur geleden gestopt is met lopen. Als Sven een uur eerder de kamer was binnengelopen of een uur later, had hij ook geloofd dat het drie uur is. Intuïtief is het duidelijk dat Sven niet weet dat het drie uur is. Er is dus iets mis met de standaardanalyse van kennis.

Plantinga’s analyse van kennis

Plantinga’s visie op kennis is een van die vele analyses die sindsdien gegeven zijn. Zijn analyse is mede bedoeld om een oplossing te bieden voor het probleem van Gettier. Hij noemt datgene wat van waar geloof kennis maakt waarborg (warrant). In zijn kennisleer geeft hij daarom een analyse van waarborg in termen van vijf voorwaarden. Als een ware overtuiging aan deze voorwaarden voldoet, is zij een geval van kennis. Omdat zijn analyse vrij complex is, zal ik de voorwaarden kort uiteenzetten. De eerste voorwaarde is de volgende:

(a) De overtuiging dat een bepaalde propositie p waar is, is geproduceerd door een betrouwbaar cognitief mechanisme.
Met een betrouwbaar mechanisme bedoelt Plantinga een mechanisme dat functioneert zoals het ontworpen is. Dat ontwerp kan zowel het resultaat zijn van een goddelijke scheppingshandeling als van een evolutionair proces of zelfs beide. Atheïsten als Daniel Dennett gebruiken de term ‘ontwerp’ (design) ook om het functioneren van bijvoorbeeld ons hart te beschrijven. Hetzelfde lijkt van toepassing op onze cognitieve mechanismen, mechanismen die overtuigingen produceren. Toch is (a) niet voldoende. Een thermometer kan betrouwbaar zijn, maar slecht functioneren doordat hij zich op vijf kilometer diepte in de oceaan bevindt of op de maan. Een andere voorwaarde is daarom dat het cognitieve mechanisme functioneert in de omgeving waarvoor het bedoeld is:
(b) De overtuiging dat p is geproduceerd in een omgeving die voldoende lijkt op die waarvoor dat cognitieve mechanisme ontworpen is.
Maar ook dit is niet voldoende. Heel wat mechanismen zijn niet op waarheid gericht, maar bijvoorbeeld op overleving. Iemand die graag beter wil worden kan tegen allerlei medische aanwijzingen in geloven dat dat gaat gebeuren en daardoor ook daadwerkelijk zijn kansen op overleving vergroten. Dus:
(c) Het cognitieve mechanisme dat de overtuiging dat p heeft geproduceerd, is gericht op waarheid.
Een vierde voorwaarde is echter vereist. Immers, al is een cognitief mechanisme gericht op waarheid en functioneert het zoals het bedoeld is, dan kan het nog zijn dat het mechanisme onvoldoende vaak ware overtuigingen produceert. Het volgende is dus ook vereist:
(d) De kans is groot dat een overtuiging dat p, die door dat cognitieve mechanisme geproduceerd is, waar is.
De vijfde en laatste voorwaarde is dat degene die de overtuiging heeft voldoende overtuigd is van de waarheid van de propositie die geloofd wordt. Iemand die maar een zwakke overtuiging heeft dat de blauwvintonijn met uitsterven bedreigd wordt, zouden we niet beschrijven als iemand die weet dat de blauwvintonijn met uitsterven bedreigd wordt. Dus:
(e) De overtuiging dat p is voldoende sterk.
Kortom, volgens Plantinga is het zo dat als iemand niet aan een van deze vijf voorwaarden voldoet of geen ware overtuiging heeft, die persoon niet weet dat p. Maar als iemand met een ware overtuiging aan (a) – (e) voldoet, dan weet hij dat p. Plantinga’s visie biedt, zo meent hij, ook een oplossing voor Gettier-gevallen. In het bovenstaande voorbeeld verwerft Sven de overtuiging dat het drie uur is in een misleidende omgeving, een omgeving waarin de klok plotseling gestopt is met lopen. Daarom heeft hij geen kennis van het feit dat het drie uur is. In andere Gettier-gevallen zal aan een of meerdere van sommige andere voorwaarden niet voldaan zijn.[3]

Waarom de iure argumenten van de facto argumenten afhankelijk zijn

De apologetische waarde van Plantinga’s analyse van kennis is mijns inziens tweeledig.[4] Ten eerste hebben, zoals Plantinga betoogt, sommige religieuze overtuigingen waarschijnlijk waarborg als het theïsme – de these dat God bestaat – of meer specifiek het christelijk geloof waar is. Als God bestaat, kunnen we dat dus werkelijk weten. Het volgende model laat dat zien. Omdat dit model gebaseerd is op het werk van Thomas van Aquino en Johannes Calvijn noemt Plantinga dit model het A/C-model. Volgens het A/C-model heeft elk mens een ingeschapen cognitief mechanisme dat de overtuiging produceert dat God bestaat, een sensus divinitatis. Hierbij beroepen Thomas en Calvijn zich op teksten als Rom. 1:18-20, waar Paulus zegt dat iedereen van nature God kent. Dit mechanisme is bij mensen ingebouwd en het gebeurt dan ook regelmatig dat mensen in bepaalde omstandigheden – zoals het lezen van de Bijbel, het wandelen in de bergen, het zingen van een lied – de overtuiging hebben of krijgen dat God bestaat. Hoewel de sensus divinitatis in ieder mens van nature aanwezig is, werkt dit mechanisme niet in alle mensen even goed. Het kan, voornamelijk als gevolg van de zonde, beschadigd zijn, onderdrukt worden, gemanipuleerd worden, enzovoort.

De overtuiging die door de sensus divinitatis geproduceerd wordt, is volgens het A/C-model fundamenteel, dat wil zeggen niet gebaseerd op een redenering of argument. En net zo goed als bijvoorbeeld perceptuele waarneming of herinnering is deze overtuiging op een juiste manier fundamenteel (vgl. mijn vorige artikel). Dit betekent niet dat alle christelijke overtuigingen door de sensus divinitatis geproduceerd worden, integendeel. Alleen algemene theïstische overtuigingen, zoals de overtuiging dat God bestaat of dat Hij de schepper is van het universum, worden door dit mechanisme geproduceerd. Specifiek christelijke overtuigingen, zoals die omtrent Christus, de heilige Geest, de Bijbel, of de wederkomst, zijn veeleer het gevolg van de werking van de heilige Geest in de harten van mensen.

Op basis van dit model redeneert Plantinga als volgt. Stel je nu eens voor dat theïsme waar is, dat wil zeggen dat God bestaat. Als die almachtige en goede God ons gemaakt heeft naar zijn beeld, dan is het heel waarschijnlijk dat Hij wil dat wij Hem kennen. En dan is het te verwachten dat Hij ons zo geschapen heeft dat wij Hem kunnen kennen. De sensus divinitatis zal dan ook gericht zijn op waarheid en hij zal functioneren in de omgeving waarvoor God hem bedoeld heeft. Maar dat betekent dat als theïsme waar is en iemand een voldoende sterke overtuiging heeft dat God bestaat, die persoon aan (a) – (e) voldoet, zodat zijn overtuiging waarborg heeft. Maar dat betekent dat als God bestaat, we kunnen weten dat Hij bestaat.

Stel je nu eens voor dat theïsme onwaar is, dus dat God niet bestaat. Als God niet bestaat, dan is de kans heel klein dat we een ingebouwd cognitief mechanisme hebben dat gericht is op waarheid en dat de overtuiging produceert dat God bestaat. Sterker nog, als zo’n cognitief mechanisme zou bestaan, dan zou het niet betrouwbaar kunnen zijn. Want als het betrouwbaar zou zijn, dan zou het in heel wat mogelijke omstandigheden een ware overtuiging produceren. En dat zou betekenen dat God in die mogelijke omstandigheden bestaat. Maar als God in die mogelijke omstandigheden bestaat, dan bestaat Hij ook in de werkelijke omstandigheden, want volgens de klassieke definitie van God is het zo dat als God ooit bestaat, Hij noodzakelijkerwijs bestaat (in alle mogelijke omstandigheden bestaat). Als God niet bestaat, dan hebben onze overtuigingen dus naar alle waarschijnlijkheid geen waarborg.

De conclusie die Plantinga hieruit terecht trekt, is dat de vraag of wij kennis van God kunnen hebben afhangt van de vraag of God bestaat. In het vorige artikel onderscheidde ik tussen de iure en de facto argumenten tegen religieus geloof. De eerste beogen te laten zien dat christelijk geloof niet rationeel kan zijn of geen geval van kennis kan zijn, terwijl de tweede beogen te laten zien dat religieus geloof niet waar is. Als Plantinga gelijk heeft, betekent dit dat de iure argumenten tegen religieus geloof, zoals het wish-fulfillment argument van Sigmund Freud, afhankelijk zijn van de facto argumenten. En dus kan niemand zoiets zeggen als: ,,Ik weet niet of er goede argumenten zijn tegen het bestaan van God, maar we kunnen in ieder geval niet weten dat God bestaat.’’

Een probleem voor het naturalisme

Plantinga laat het hier niet bij. Want zijn analyse van kennis is niet alleen van belang voor negatieve apologetiek (het weerleggen van bezwaren tegen het christelijk geloof). Het is ook van belang voor positieve apologetiek (het argumenteren vóór het christelijk geloof en tegen alle tegenstrijdige levensbeschouwingen).

Laten we naturalisme opvatten als de these dat er geen bovennatuurlijke wezens bestaan, zoals God of engelen. Dan is het naturalisme duidelijk strijdig met bijvoorbeeld het christelijk geloof. De meeste naturalisten zijn tevens aanhangers van de evolutietheorie, de these dat mensen het resultaat zijn van een historisch-biologisch proces van willekeurige mutatie en natuurlijke selectie. Plantinga gebruikt zijn analyse van kennis om te betogen dat niemand op een redelijke manier zowel naturalist als evolutionist kan zijn.

In grote lijnen gaat het argument van Plantinga als volgt. Evolutie selecteert op overtuigingen die voordelig zijn om te overleven, niet op ware overtuigingen. De naturalist en evolutionist heeft dus geen enkele reden om te denken dat de overtuigingen die hij heeft waar zijn. Maar dan heeft hij ook geen enkele reden om te denken dat het naturalisme zelf waar is. De combinatie van naturalisme en evolutietheorie is dus zelfondermijnend (self-defeating).

Dit zijn de grote lijnen, maar over de details valt veel te zeggen. Zo merkt Plantinga op dat er vier mogelijke relaties zijn tussen onze overtuigingen en ons gedrag. (1) Ons gedrag wordt niet veroorzaakt door onze overtuigingen. (2) Onze overtuigingen veroorzaken ons gedrag, maar niet op basis van hun inhoud, maar op basis van bijvoorbeeld hun neurale structuur. (3) Gedrag wordt veroorzaakt door overtuigingen, maar die overtuigingen zijn niet goed evolutionair aangepast. (4) Gedrag wordt veroorzaakt door overtuigingen en die overtuigingen zijn evolutionair goed aangepast. Plantinga beargumenteert voor elk van deze mogelijkheden dat de waarschijnlijkheid dat onze overtuigingen waar zijn gegeven deze situaties laag of onkenbaar is. De vierde optie is misschien nog het populairst. Plantinga merkt terecht op dat het probleem met de vierde optie is dat er voor elke handeling veel verschillende overtuigingen kunnen zijn die die handeling verklaren. Maar in de meeste gevallen zullen die overtuigingen onwaar zijn, hoewel ze voordelig zijn om te overleven. Volgens naturalisten is religieus geloof bijvoorbeeld voordelig om te overleven, hoewel het onwaar is.[5]

Theïsme doet het in dit opzicht veel beter. Als God bijvoorbeeld op de nodige momenten ingrijpt in de omstandigheden waarin levende wezens verkeren, kan Hij door middel van een evolutionair proces de geschiedenis van de wereld zo leiden dat er mensen ontstaan met een sensus divinitatis en allerlei andere betrouwbare cognitieve mechanismen. In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, zijn het dus juist theïsme en evolutietheorie die heel goed samengaan, terwijl de combinatie van naturalisme en evolutietheorie onhoudbaar is.

Ten slotte

Aan de kennistheorie van Plantinga en de apologetische relevantie daarvan is in de literatuur zo veel aandacht besteed dat het ongepast zou zijn te proberen hier in zo’n kort bestek iets aan toe te voegen. Daarom wil ik slechts op één ding wijzen. Zoals Plantinga zelf erkent, is het mogelijk dat een overtuiging dat p geen waarborg heeft doordat er defeaters zijn: gegevens die p zelf ondermijnen of het geloof in de betrouwbaarheid van het cognitieve mechanisme dat de overtuiging dat p geproduceerd heeft. Omdat er allerlei dingen in de wereld zijn die geloof in God zouden kunnen ondermijnen – religieus pluralisme, het probleem van het kwaad, Bijbelkritiek, enzovoort – besteedt Plantinga uitgebreid aandacht aan deze bezwaren. Omdat deze potentiële geloofsondermijners de kracht waarmee christenen geloven vaak ondermijnen, zullen zij pas kennis van God hebben als zij een antwoord weten op deze mogelijke bezwaren. De christen zal zich dan moeten verdiepen in argumenten vóór en tegen het christelijk geloof, de facto argumenten. Dit betekent niet dat zijn geloof in God niet langer fundamenteel zal zijn, maar wel dat zijn geloofsovertuiging alleen waarborg zal hebben als hij in staat is de facto argumenten tegen het christelijk geloof voldoende te ontkrachten. De recente opleving van apologetiek, zoals die bijvoorbeeld blijkt uit de verschijning van boeken als Tim Kellers In alle redelijkheid, is wat mij betreft dan ook een welkome ontwikkeling.[6]

 

Rik Peels is aio epistemologie aan het departement wijsbegeerte van de Universiteit Utrecht. Hij werkt onder begeleiding van prof. dr. mr. Herman Philipse aan een dissertatie over The Ethics of Belief. Correspondentie richten aan Rik Peels, Heidelberglaan 8, 3584 CS Utrecht, CLOAKING .

 



[1] Dit artikel is samen met het voorgaande artikel (Beweging 73.4, december 2009, pp. 34-38) bedoeld als beknopte inleiding in de stroming van Reformed Epistemology. Ze zijn mede geschreven voor gebruik bij het filosofieonderwijs op de middelbare school.

[2] Zie Edmund Gettier, “Is Justified True Belief Knowledge?”, Analysis 23 (1963), 121-3.

[3] Voor de kennistheorie van Alvin Plantinga, zie Warrant and Proper Function (New York: Oxford University Press, 1993). Voor het Nederlandse taalgebied, zie René van Woudenberg en Bart Cusveller (red.), De kentheorie van Alvin Plantinga (Zoetermeer: Boekencentrum, 1998).

[4] Zie met name Alvin Plantinga, Warranted Christian Belief (New York: Oxford University Press, 2000).

[5] Aan dit argument van Plantinga is zelfs een heel boek gewijd. Zie James Beilby (red.), Naturalism Defeated? Essays on Plantinga’s Evolutionary Argument against Naturalism (Ithaca: Cornell University Press).

[6] Voor hun waardevolle opmerkingen bij een eerdere versie van dit artikel dank ik Jeroen de Ridder, Jeroen Smid en Marit Smid.

 

 
Sophie