Sophie
Sophie Sophie


Vraag nu een
GRATIS
proefnummer aan!

Vraag nu een gratis proefnummer aan!
Missie
Soφie is een uitgave van de Stichting voor Christelijke Filosofie. Zij biedt een intellectuele uitdaging door kritisch na te denken over actuele onderwerpen, geïnspireerd door de christelijke traditie.

Redactie
ing. P. de Boer
dhr. A. Deddens
mevr. drs. E.J. van Dijk
mevr. drs. M. Doornenbal
mevr. drs. R. Ebbers-van Aalst
dr. J. Ester
drs. I.D. Haarsma
prof. dr. J. Hoogland
dhr. A. Janse
dr. ir. R.A. Jongeneel
mevr. drs. D.G. Rots
dr. P.H. Vos
dr. K. van der Zwaag
Kunnen religieuze overtuigingen rationeel zijn? PDF Print Email
Written by   

De apologetische waarde van Alvin Plantinga’s Reformed Epistemology

,,Kom op, geloof je nou echt dat God bestaat? Wat voor bewijs heb je daar dan voor?’’ ,,Het idee dat Jezus Christus uit de dood is opgestaan is volstrekt irrationeel. Zo’n geloof is toch nergens op gebaseerd?’’ ,,Ik vind het prima als je zegt dat je gelooft dat de Bijbel Gods woord is, maar doe niet alsof je dat weet. Zoiets kun je niet weten; je kunt hooguit hopen of erop vertrouwen dat dat zo is.’’ Dit zijn een paar dingen die niet-christenen in een gesprek over geloof in God tegen je kunnen zeggen. Ze hebben gemeenschappelijk dat ze niet direct het bestaan van God ontkennen, maar beweren dat we niet genoeg redenen of bewijs hebben om in God te geloven. Reformed Epistemology[1] geeft ons enkele instrumenten in handen om als christenen op dergelijke opmerkingen te reageren.

In de jaren tachtig en negentig van de twintigste eeuw heeft zich in de Angelsaksische analytische filosofie een stroming ontwikkeld die wel Reformed Epistemology genoemd wordt. Deze stroming, die met name vormgegeven is door de Amerikaanse filosofen William Alston, Alvin Plantinga en Nicholas Wolterstorff, verdedigt de legitimiteit van religieuze en dan in het bijzonder christelijke overtuigingen (beliefs) tegen verschillende bezwaren. Twee belangrijke stellingen die binnen deze stroming onderbouwd worden, zijn de volgende:

(A) Religieuze overtuigingen kunnen rationeel (redelijk, intellectueel verantwoord, cognitief geoorloofd, gerechtvaardigd) zijn.
(B) Religieuze overtuigingen kunnen gevallen van kennis zijn, we kunnen dingen over God weten.

Volgens deze wijsgeren is het dus heel goed mogelijk dat iemands overtuiging dat Jezus uit de dood is opgestaan geenszins irrationeel, achterhaald, achterlijk of anderszins verkeerd is, en dat iemand weet dat de Bijbel het woord van God is.

In dit artikel wil ik kort uiteenzetten hoe Alvin Plantinga, de prominentste figuur binnen deze beweging, these (A) verdedigd heeft, en bezien in hoeverre zijn strategie van waarde is voor de hedendaagse christelijke apologetiek. In een volgend artikel wil ik ingaan op Plantinga’s verdediging van (B). Om Plantinga’s betoog ten gunste van (A) goed te begrijpen, is het noodzakelijk eerst een aantal belangrijke begrippen onder de loep te nemen.

Fundamentele en niet-fundamentele overtuigingen

Vanochtend heb ik bij mijn ontbijt twee boterhammen met leverpastei gegeten. Deze overtuiging van mij is niet gebaseerd op andere overtuigingen: als ik erover nadenk, herinner ik me simpelweg dat dit zo is. Buiten schijnt de zon. Dit is niet iets dat ik geloof omdat ik andere dingen geloof: ik zie direct dat het zo is. Deze en soortgelijke overtuigingen zijn fundamenteel (basic). Dat wil zeggen dat ze niet op andere overtuigingen gebaseerd zijn, dat ze niet het resultaat zijn van een redenering op basis van andere dingen die ik geloof.

Mijn overtuiging dat 333 x 578 = 192.474 daarentegen is niet-fundamenteel (non-basic). Het is niet zo dat ik simpelweg zie dat 333 x 578 = 192.474. Ik geloof dit omdat ik geloof dat 3 x 8 = 24, 3 x 70 = 210, et cetera. Of – om eerlijk te zijn – ik geloof dit omdat ik geloof dat mijn rekenmachine mij dit vertelt en dat mijn rekenmachine betrouwbaar is.[2] Of neem iemands overtuiging dat de Verenigde Staten Irak niet hadden moeten binnenvallen. Een dergelijke overtuiging zal gewoonlijk gebaseerd zijn op allerlei argumenten, waarin andere overtuigingen als vooronderstellingen gebruikt worden, en zal daarom als niet-fundamentele overtuiging gelden.

Klassiek funderingsdenken

Funderingsdenken (foundationalism) is een bepaalde visie op de rationaliteit van overtuigingen. Funderingsdenken zegt dat een opvatting rationeel is dan en slechts dan als – dat wil zeggen: alleen wanneer, maar ook altijd wanneer – die opvatting op een juiste manier fundamenteel (properly basic) is of op een juiste manier niet-fundamenteel (properly non-basic). De op een juiste wijze fundamentele overtuigingen vormen het fundament van onze cognitie, de op een juiste wijze niet-fundamentele overtuigingen de overige verdiepingen die op dat fundament rusten.

Funderingsdenkers zijn het over ten minste drie dingen eens. Ten eerste, de relatie tussen fundamentele en niet-fundamentele overtuigingen dient asymmetrisch te zijn: als overtuiging A op overtuiging B gebaseerd is, kan overtuiging B niet op overtuiging A gebaseerd zijn. Ten tweede, deze relatie is irreflexief: een overtuiging kan niet gebaseerd zijn op zichzelf, een niet-fundamentele overtuiging moet op een of meerdere andere overtuigingen gebaseerd zijn. Ten derde, deze relatie is evidentieel: een overtuiging die op een juiste manier niet-fundamenteel is, wordt voldoende plausibel gemaakt door overtuigingen die op een juiste manier fundamenteel zijn.[3]

Funderingsdenkers verschillen onderling van mening over ten minste twee dingen. Ze denken verschillend over (a) welke categorieën overtuigingen op een juiste manier fundamenteel (properly basic) zijn en (b) wat precies de evidentiële relatie tussen fundamentele en niet-fundamentele overtuigingen moet zijn, willen de laatste rationeel zijn.

Evidentialisme

Een derde en laatste term die in dit verband belangrijk is, is ‘evidentialisme’. Evidentialisme (afgeleid van het Latijnse evidentia via het Engelse evidence) is de bewering dat men een propositie p (een bewering of stelling) pas mag geloven indien men voldoende bewijs (in de zin van evidence) voor p heeft. De meeste evidentialisten zijn funderingsdenkers: ze geloven dat er bepaalde overtuigingen zijn die op een juiste manier fundamenteel zijn en dat religieuze overtuigingen op de juiste manier uit die fundamentele overtuigingen moeten kunnen worden afgeleid, willen ze rationeel zijn.

Vanaf de Verlichting wordt door sommige filosofen en theologen expliciet gezegd dat christelijk geloof pas rationeel is als het op voldoende bewijs gebaseerd is. Een aantal van deze evidentialisten is christelijk, zoals John Locke, Wolfhart Pannenberg en Richard Swinburne. Maar we vinden onder evidentialisten ook heel wat atheïsten, zoals William Clifford, Brand Blanshard, Bertrand Russell, Michael Scriven en (tot voor kort) Anthony Flew. Het verschil is uiteraard dat de eerste groep gelooft dat het christelijk geloof aan de evidentialistische eis kan voldoen, terwijl de tweede groep dit ontkent.

Natuurlijk zijn er ook christelijke theologen en filosofen in de geschiedenis die heel anders over de rationaliteit van geloof in God gedacht hebben. Zo vinden we bij Søren Kierkegaard de gedachte dat christelijk geloof helemaal niet rationeel kan of zou moeten zijn. Geloof en rede staan in zekere zin tegenover elkaar. Het geloof is nodig om bepaalde geloofswaarheden te omarmen en dit vereist een opoffering van de rede. Deze positie wordt wel fideïsme (van het Latijnse fides) genoemd. De positie die wordt ingenomen door aanhangers van Reformed Epistemology staat op een bepaalde manier tussen het evidentialisme en het fideïsme in: hoewel veel christenen geen bewijs voor het bestaan van God hebben, zijn hun overtuigingen toch rationeel.

Twee klassieke funderingsdenkers: Thomas van Aquino en René Descartes

Laten we van een klassieke funderingsdenker spreken als iemand een middeleeuwse of een moderne funderingsdenker is. Een middeleeuwse funderingsdenker is bijvoorbeeld Thomas van Aquino (1225-1274). Volgens hem is een overtuiging rationeel als die (a) geloof in een zelfevident principe is, (b) geloof is in een propositie waarvan de waarheid evident is voor onze zintuigen, of (c) een overtuiging is die logisch (om precies te zijn, syllogistisch) uit (a) of (b) is afgeleid of daar voldoende waarschijnlijk door gemaakt wordt. Laat me dit met enkele voorbeelden duidelijk maken. De volgende proposities zijn voorbeelden van zelfevidente principes:

(1) 2 + 3 = 5
(2) Geen enkel volledig transparant object heeft een schaduw.
(3) Als een materieel object geheel paars is, is het niet tegelijkertijd geheel groen.

Dit zijn proposities waarvoor geldt dat zodra je ze begrijpt, je ze gelooft. Proposities die op dit moment evident zijn voor mijn zintuigen zijn bijvoorbeeld de volgende:

(4) Op mijn bureau bevindt zich een laptop.
(5) Ik heb het koud.
(6) Er hangt hier een spinaziegeur.

Dit zijn dingen die ik respectievelijk zie, voel en ruik. En omdat ik ze zie, voel en ruik, kan ik niet anders dan ze geloven. Volgens Thomas zouden dus mijn overtuigingen (1) – (6) allemaal gerechtvaardigd zijn, omdat ze op een juiste manier fundamenteel zijn. Maar volgens hem zou voor mij ook geloof in de volgende proposities gerechtvaardigd zijn:

(7) 242 + 963 = 1205
(8) Mijn bureau is niet leeg.
(9) Iemand heeft het koud.

Dit zijn namelijk overtuigingen die deels of geheel volgen uit respectievelijk (1), (4) en (5).[4]

René Descartes (1596-1650) is een moderne funderingsdenker. Volgens Descartes is een overtuiging rationeel of gerechtvaardigd wanneer ze (a) geloof in een zelfevidente propositie is, (b) een onfeilbare overtuiging is, of (c) een overtuiging is die uit zelf-evidente of onfeilbare overtuigingen is afgeleid. Descartes noemt (a) en (b) zekere overtuigingen. Hierboven hebben we al enkele voorbeelden van geloof in zelfevidente proposities gezien. Onfeilbare overtuigingen zijn overtuigingen die, als je ze hebt, niet onwaar kunnen zijn. We kunnen hierbij denken aan geloof in proposities als:

(10) Ik voel pijn.
(11) Ik heb bewustzijn.

En nu we toch over Descartes spreken:

(12) Ik besta.

Als je deze proposities gelooft, dan moeten ze waar zijn. Als je denkt dat je pijn voelt, dan voel je pijn. Je kunt alleen denken dat je bewustzijn hebt als je het hebt. En je kunt alleen denken dat je bestaat (of überhaupt iets denken) als je werkelijk bestaat.

De strategie van Reformed Epistemology

Een veelgehoord bezwaar in de geschiedenis van de filosofie is dat christelijk geloof irrationeel is, omdat er onvoldoende bewijs voor is, omdat proposities als God bestaat noch zelfevident zijn, noch onfeilbaar, noch evident voor de zintuigen, noch volgen uit of voldoende waarschijnlijk gemaakt worden door proposities die zelfevident, onfeilbaar of evident voor de zintuigen zijn. In dit bezwaar zien we dus een manifestatie van zowel het evidentialisme als het klassieke funderingsdenken.

De strategie van Reformed Epistemology bestaat uit twee stappen. Ten eerste biedt ze argumenten tegen de these van het klassieke funderingsdenken. Bekijk bijvoorbeeld eens de volgende proposities:

(13) Kinderen voor je plezier martelen is moreel verwerpelijk.
(14) Ik heb vanmorgen twee boterhammen met leverpastei gegeten.
(15) Een overtuiging is alleen rationeel als ze zelf-evident, onfeilbaar of evident voor de zintuigen is of voldoende waarschijnlijk gemaakt wordt door een of meerdere overtuigingen die zelfevident, onfeilbaar of evident voor de zintuigen is/zijn.

Ik geloof (13), maar (13) is niet een logische of wiskundige waarheid waarvoor geldt dat als je haar begrijpt je meteen ook ziet dat ze niet onwaar kan zijn. Geloof in (13) lijkt veeleer een overtuiging in een morele these. En mijn overtuiging dat (13) waar is, lijkt me gerechtvaardigd, ook al voldoet zij niet aan de criteria die door de klassieke funderingsdenker geformuleerd zijn. Hetzelfde geldt voor (14): dat ik vanmorgen twee boterhammen met leverpastei gegeten heb, is niet iets dat wel waar moet zijn, noch iets dat evident is voor mijn zintuigen, noch iets waar ik me niet in zou kunnen vergissen. Noch is deze overtuiging van mij gebaseerd op een bepaalde redenering. Veeleer is het zo dat ik me herinner dat dit zo is. Toch lijkt me deze overtuiging volstrekt gerechtvaardigd. Ten slotte, wil het klassieke funderingsdenken coherent zijn, dan zal de these van het funderingsdenken zelf op een juiste wijze fundamenteel of niet-fundamenteel moeten zijn. Maar (15) is noch zelfevident, noch onfeilbaar, noch evident voor de zintuigen. Noch lijkt zij uit een sluitende redenering op basis van op een juiste manier fundamentele vooronderstellingen te volgen. Het klassieke funderingsdenken voldoet dus niet aan zijn eigen eis. Wat deze drie voorbeelden aantonen, is dat er allerlei fundamentele overtuigingen zijn die we normaal gesproken direct als rationeel of gerechtvaardigd zouden beschouwen, maar die niet voldoen aan de eisen die het klassieke funderingsdenken stelt aan fundamentele overtuigingen.[5] Zo blijken er meer fundamentele overtuigingen te zijn dan het funderingsdenken voor mogelijk houdt.

Vervolgens stelt Reformed Epistemology – en dit is de tweede stap – de volgende vraag: maar als allerlei overtuigingen op een juiste wijze fundamenteel kunnen zijn, hoewel ze niet aan de criteria voldoen die het klassieke funderingsdenken geformuleerd heeft, waarom zou geloof in God dan geen overtuiging kunnen zijn die op een juiste manier fundamenteel is? Natuurlijke theologie – dat wil zeggen, het leveren van argumenten voor christelijke geloofswaarheden – is als zodanig niet verkeerd, maar zeker niet noodzakelijk om rationeel in God te kunnen geloven. Een dergelijke benadering van geloof in God is ook onder woorden gebracht door diverse theologen in de gereformeerde traditie, o.a. door Johannes Calvijn, Abraham Kuyper en Herman Bavinck. Calvijn, bijvoorbeeld, spreekt over een ingeschapen Godsbesef (sensus divinitatis) dat op fundamentele wijze gerechtvaardigd geloof in God produceert. Hoewel de naam Reformed Epistemology hiernaar verwijst, is het onjuist om te denken dat Reformed Epistemology hiermee een benadering is die alleen door calvinisten kan worden voorgestaan: ook luthersen, rooms-katholieken en zelfs islamieten hebben goede redenen om een versie van Reformed Epistemology aan te hangen.

Uit het bovenstaande volgt niet dat elke fundamentele overtuiging een op een juiste manier fundamentele overtuiging is. Geloof in Sinterklaas bijvoorbeeld is geen overtuiging die op een juiste manier fundamenteel is. We hebben namelijk simpelweg voldoende bewijs tegen het bestaan van Sinterklaas (probeer voor je lol maar eens in één avond een schimmel een paar miljoen daken op te krijgen). Het betekent ook niet dat geloof in God hoe dan ook gerechtvaardigd is. De rationaliteit van geloof in God kan in sommige gevallen wellicht ondermijnd worden door sterke argumenten tegen het bestaan van God waar men geen raad mee weet. Maar dit zullen dan argumenten tegen de waarheid van het christelijk geloof zijn (en die zijn ook niet zonder reactie gebleven). Ten slotte betekent het niet dat geloof in God zonder grond is. Perceptuele overtuigingen (overtuigingen op basis van wat je ziet) vloeien voort uit een bepaalde visuele input, en overtuigingen op basis van herinnering resulteren uit een bepaalde herinnering. Op dezelfde manier kan geloof in God geproduceerd worden door een ervaring van of ontmoeting met God tijdens het lezen van de Bijbel, het zingen van een lied of het zien van een prachtig stuk natuur. Op deze manier verwerpt Plantinga’s Reformed Epistemology de evidentialistische eis en het klassieke funderingsdenken dat er vaak aan ten grondslag ligt.

Apologetische waarde

Wat is de waarde van Reformed Epistemology voor de apologetiek, dat wil zeggen voor de intellectuele verdediging van het christelijk geloof?

Ten eerste is wat ik hiervoor behandeld heb niet in de strikte zin van het woord een verdediging van (A), de bewering dat religieuze overtuigingen rationeel kunnen zijn. Het is veeleer de weerlegging van een belangrijk argument tegen (A). Met het bovenstaande is dus niet vastgesteld dat geloof in God rationeel is, hooguit dat, voor zover we weten, geloof in God heel goed rationeel zou kunnen zijn.[6] Met het bovenstaande in de hand kunnen we in gesprek met niet-christenen dus niet hard maken dat geloof in God rationeel is. Wel kunnen we een belangrijk bezwaar tegen die gedachte ontzenuwen, namelijk het bezwaar dat er onvoldoende bewijs voor bijvoorbeeld het bestaan van God is om rationeel in Hem te kunnen geloven.

Ten tweede is het bovenstaande vooral een respons op een bezwaar dat in de geschiedenis van de filosofie op veel plaatsen wordt aangetroffen. Ik denk dat bezwaren tegen de rationaliteit van christelijk geloof ook in onze tijd vaak een evidentialistische vorm zullen aannemen, maar er is geen enkele reden om te denken dat achter iedere evidentialist een klassiek funderingsdenker schuilgaat. Toch denk ik dat Plantinga’s strategie hier van waarde is. Immers, de meeste mensen zullen denken dat je voor bepaalde overtuigingen – sommige logische, wiskundige overtuigingen, perceptuele of morele overtuigingen – geen bewijs nodig hebt. Maar als dat zo is, blijft het een vraag waarom dit voor religieuze overtuigingen wel zo zou zijn.

Ten derde gaat Reformed Epistemology alleen in op de jure bezwaren tegen het christelijk geloof, dat wil zeggen bezwaren die de rationaliteit of rechtvaardiging van christelijk geloof betreffen en niet de waarheid daarvan (dat zouden de facto bezwaren zijn). Hiermee hangt samen dat Plantinga’s Reformed Epistemology een voorbeeld is van negatieve apologetiek: het weerlegt een bezwaar tegen het christelijk geloof. Het is geen geval van positieve apologetiek: het levert geen argumenten ten gunste van de waarheid van het christelijk geloof.

Deze beperkte waarde is mijns inziens geen enkel probleem voor Reformed Epistemology. Net zomin als we afzien van het gebruik van een auto omdat je er geen broodjes mee kunt bakken of van het gebruik van een stofzuiger omdat je er geen e-mail mee kunt versturen, dienen we af te zien van het gebruik van Reformed Epistemology omdat we er geen positief argument voor het christelijk geloof mee kunnen construeren. Het is bedoeld als weerlegging van een specifiek veelgehoord argument tegen het christelijk geloof en op die gronden dienen we het mijns inziens dan ook te beoordelen.

Reformed Epistemology geeft de gelovige een stuk ontspanning: hij hoeft zich niet te verdiepen in allerlei argumenten voor het bestaan van God om rationeel in Hem te kunnen geloven. Tegelijkertijd spoort Reformed Epistemology de gelovige aan om goed na te denken over de bezwaren die tegen het christelijk geloof ingebracht worden; als de gelovige op veel van deze bezwaren geen goede respons heeft, kan zijn overtuiging aan rationaliteit inboeten of zelfs irrationeel worden. Maar zelfs bij dat laatste is nog sprake van een stuk ontspanning: het is mogelijk dat het fundamentele geloof in God zo sterk is dat het rationeel is, zelfs als men geen raad weet met heel wat bezwaren tegen het christelijk geloof.

Ik denk dat Reformed Epistemology niet alleen van belang is voor christenen, maar ook voor niet-christenen. Stel je voor dat God werkelijk een mechanisme of meerdere mechanismen ingeschapen heeft in de mens (direct of door middel van een evolutionair proces of hoe dan ook), zodat de mens in bepaalde omstandigheden de overtuiging vormt of een begin daarvan dat God bestaat of dat God hem liefheeft. Het lijkt me dan heel goed mogelijk dat allerlei niet-christenen op verschillende momenten in hun leven zo’n ervaring hebben. Nu zou een dergelijk begin van geloof in God om allerlei redenen al snel kunnen verdwijnen en een van die redenen is dat de persoon in kwestie het zelf als onzin afdoet, omdat hij of zij er onvoldoende bewijs voor heeft. Bekendheid met de strategie die Reformed Epistemology voorstaat, zal hem of haar wellicht meer open doen staan voor de cognitieve werking van God in zijn of haar leven. Sommige overtuigingen hebben tijd en ruimte nodig om sterker te worden en zodoende een rol te gaan spelen in iemands leven.

Ten slotte

Laat ik eindigen met enkele vragen die je bij Plantinga’s theorie zou kunnen stellen.

Ten eerste, is het niet zo dat in het Nieuwe Testament, met zijn beroep op wat de oudtestamentische profeten voorzegd hebben, het getuigenis van mensen die Jezus persoonlijk gekend hebben en Gods werkzame aanwezigheid in de wereld bewijzen in de totstandkoming van geloof in God een veel belangrijker plaats innemen dan door Plantinga erkend wordt? Ten tweede, als een bepaalde christen alleen rationeel in God kan blijven geloven als hij een afdoende antwoord weet op de tegenwerpingen waarmee hij geconfronteerd wordt, is zijn geloof in God dan niet in ieder geval deels op die argumenten gebaseerd en daarmee niet meer (volledig) fundamenteel? Ten derde en ten laatste, ondermijnt het feit dat het merendeel van de mensheid er andere opvattingen over God op nahoudt dan christenen niet het geloof in een betrouwbaar mechanisme dat geloof in God produceert?[7]

 

Rik Peels is aio epistemologie aan het departement wijsbegeerte van de Universiteit Utrecht. Hij werkt onder begeleiding van prof. dr. mr. Herman Philipse aan een dissertatie over doxastische verantwoordelijkheid.

voetnoten

[1] Dit artikel en het vervolgartikel zijn bedoeld als beknopte inleiding in de stroming van Reformed Epistemology. Ze zijn mede geschreven voor gebruik bij het filosofieonderwijs op de middelbare school.

[2] Er zijn misschien wiskundig uitzonderlijk begaafde mensen die wel direct kunnen inzien dat 333 x 578 = 192.474. Voor hen is deze overtuiging wel fundamenteel.

[3] Het is ook mogelijk dat overtuigingen die op een juiste wijze niet-fundamenteel zijn, gebaseerd zijn op andere niet-fundamentele overtuigingen. Willen overtuigingen echter op een juiste wijze niet-fundamenteel zijn, dan zullen ze uiteindelijk – mogelijkerwijs via een aantal andere niet-fundamentele overtuigingen – op overtuigingen gebaseerd moeten zijn die op een juiste wijze fundamenteel zijn.

[4] (4) en (5) impliceren respectievelijk (8) en (9). (1) impliceert alleen in combinatie met een aantal andere overtuigingen (7).

[5] Hetzelfde geldt dan ook voor de niet-fundamentele overtuigingen die op die fundamentele overtuigingen gebaseerd zijn.

[6] Plantinga en anderen hebben elders wel verdedigd dat geloof in God rationeel is door erop te wijzen dat mensen geen directe controle over hun overtuigingen hebben en het zo lijkt te zijn dat veel christenen verder geen intellectuele verplichtingen (die vooral bestaan uit het vergaren van evidence) schenden.

[7] Voor hun waardevolle opmerkingen bij een eerdere versie van dit artikel dank ik Ieke Haarsma, Jeroen de Ridder, Jeroen Smid en Marit Smid.

 
Sophie