Sophie
Sophie Sophie


Vraag nu een
GRATIS
proefnummer aan!

Vraag nu een gratis proefnummer aan!
Missie
Soφie is een uitgave van de Stichting voor Christelijke Filosofie. Zij biedt een intellectuele uitdaging door kritisch na te denken over actuele onderwerpen, geïnspireerd door de christelijke traditie.

Redactie
ing. P. de Boer
dhr. A. Deddens
mevr. drs. E.J. van Dijk
mevr. drs. M. Doornenbal
mevr. drs. R. Ebbers-van Aalst
dr. J. Ester
drs. I.D. Haarsma
prof. dr. J. Hoogland
dhr. A. Janse
dr. ir. R.A. Jongeneel
mevr. drs. D.G. Rots
dr. P.H. Vos
dr. K. van der Zwaag
Is geloof een vorm van kennis? PDF Print Email
Written by   

Eindexamenonderwerp voor het vwo filosofie: Rede en religie

Is geloof (ook) een vorm van kennis? Het boek Rede en religie. Een verkenning (dat de eindexamenstof en de eindtermen bevat voor het VWO-examen filosofie) tendeert duidelijk naar een negatief antwoord. Auteur Michiel Leezenberg maakt daarin een onderscheid tussen religie als overtuiging, religie als ervaring of beleving en religie als praktijk. Overtuiging heeft te maken met waarheid; ervaring en beleving hebben te maken met zingeving; praktijk heeft te maken met maatschappelijke orde. Het onderscheid is zinvol, al was het om een te eenzijdige opvatting van religie te corrigeren. Maar het brengt wel het risico met zich mee dat gangbare vooronderstellingen als vanzelfsprekend worden aangenomen, bij voorbeeld over de vraag wat kennis is. Ik noem twee vooronderstellingen: 1. Kennis moet in principe wetenschappelijk toetsbaar zijn, omdat zij anders die naam niet verdient. 2. Feiten moeten uitdrukkelijk van waarden worden onderscheiden, anders wordt kennis met zingeving verward. Deze twee vooronderstellingen vormen de basis voor Leezenbergs negatieve houding ten opzichte van geloof als vorm van kennis. Ik zal ze hieronder kritisch bespreken en daarna terugkomen op de gestelde vraag.

Waarneming en ervaring

In de traditionele opvatting van kennis speelt de vraag naar de bronnen een grote rol: waarop baseren we onze kennis?. Vanouds worden twee wegen genoemd:

  1. zelfstandig waarnemen en
  2. kritisch denken.
Het denken of de rede is in het verleden vaak gezien als een zelfstandige bron van kennis omdat we met ons verstand verwant zouden zijn aan de werkelijkheid (die zelf als redelijk wordt opgevat). Er wordt dan een nauwe band aangenomen tussen denken en zijn. De nadruk op de rede in onze tijd heeft daar nog alles mee te maken. Toch is er een verandering opgetreden. Denken op zich leidt gemakkelijk tot speculatie, dat wil zeggen: denken zonder werkelijkheidszin. Daarom moet kennis nu op waarneming worden gebaseerd en, omdat wetenschap het meest nauwkeurig waarneemt, wordt kennis nauw met wetenschap verbonden. Op de wetenschap kom ik straks terug. Eerst wil ik ingaan op het punt van de waarneming. Daarna zeg ik iets over de tweede bron: het denken

 

Waarneming als bron van kennis wordt met de zintuigen verbonden, juist om haar van denken te onderscheiden. Maar is onze waarneming wel zo eenduidig? Hebben we het waarnemen niet geleerd zodat veel van onze kennis daarin al meespeelt? Bezinning op de wetenschap heeft duidelijk gemaakt dat er geen strikt onderscheid mogelijk is tussen theorie en waarneming. De laatste wordt heel sterk door de eerste bepaald. Zo is het ook met onze dagelijkse waarneming. Wij zien wat we kennen. Wij horen geluiden met betekenissen. Met andere woorden, de kennis die we al hebben, bepaalt in belangrijke mate wat wij waarnemen. Los van onze concrete ervaringskennis wordt zintuiglijke waarneming iets heel abstracts.

De reformatorische wijsbegeerte gaat een stap verder en waardeert de ervaring als bron van kennis. Leezenberg onderscheidt waarneming samen met de rede scherp van ervaring. Ervaring is subjectief, waarneming en rede zijn objectief. Maar is dit onderscheid in deze vorm terecht? Onze ervaring heeft een veelheid van aspecten en zij hebben allemaal met de werkelijkheid te maken. Er is zintuiglijke en emotionele ervaring die iets over de werkelijkheid zegt. In het gebruik van taal ervaren we werkelijkheid. Ook de ervaring van recht en onrecht, mooi en lelijk, goed en kwaad, sociaal en asociaal zegt iets over de werkelijkheid en niet alleen over onszelf. Daarbij kunnen we stellig fouten maken, net als bij zintuiglijke waarneming en denken. Dat neemt niet weg dat dit allemaal tot de werkelijkheid behoort. Daarom kunnen alle aspecten van onze ervaring in zekere zin objectief worden genoemd. We beleven de werkelijkheid zoals ze zich geeft in een veelheid van aspecten. Deze behoren tot onze ervaring maar zijn tegelijk aspecten van de werkelijkheid zelf. Zij hebben ook allemaal betekenis voor ons kennen

Kennis en wetenschap

Als tweede bron van kennis wordt het denken of de rede genoemd. Maar ook hierbij zijn vragen te stellen. Wie de rede als een aparte bron van kennis ziet, heeft meestal een speciale manier van denken op het oog. Het gaat om kritisch en methodisch redeneren zoals in wetenschap en filosofie. Maar in ons dagelijks leven denken we ook. Het is dan ingebed in wat we doen en beleven. We maken onderscheidingen, we zijn er al of niet op bedacht geen vergissingen te maken, we trekken impliciet bepaalde conclusies. Denken in die zin maakt intrinsiek deel uit van ons omgaan met de werkelijkheid. En net als ons waarnemen met de zintuigen is ook het concrete denken met alle andere aspecten van onze ervaring vervlochten. Er moet daarom onderscheid worden gemaakt tussen 1. denken in de zin van wetenschap en filosofie en 2. denken zoals het deel uitmaakt van ons dagelijks bestaan. Pas in wetenschap en filosofie gaan we in zekere zin tegenover de werkelijkheid staan om van een afstand naar haar te kijken. Daarom is dit denken sterk begripsmatig, methodisch en abstract. Maar het is ten onrechte wanneer denken alleen met deze afstandelijke benadering van de werkelijkheid wordt verbonden. Ook in de dagelijkse praktijk denken we en is zorgvuldig onderscheiden van belang.

Denken krijgt dus een aparte betekenis wanneer het geen deel meer uitmaakt van onze gewone dagelijkse praktijk. De vraag is nu in hoeverre dit specifieke denken de kennis die we in onze concrete ervaring hebben opgedaan, kan vervangen of zelfs maar funderen. Filosofen in het oude Griekenland hebben vaak beweerd dat echte kennis gebaseerd moet zijn op strikt rationele argumenten. Dat betekent dat de concrete ervaring niet meer als uitgangspunt voor ons kennen werd erkend. Het meest extreem heeft Parmenides dit standpunt verdedigd, maar het komt in allerlei vormen in heel de geschiedenis van de filosofie voor. Descartes stelt zich uitdrukkelijk op hetzelfde standpunt. Sindsdien wordt niet meer zozeer de filosofie als wel de empirische wetenschap als fundament van betrouwbare kennis gezien. Maar is dat wel terecht? Kunnen we allerlei noties die van fundamentele betekenis zijn in ons dagelijks bestaan, zoals het onderscheid tussen goed en kwaad en het besef van vrijheid en verantwoordelijkheid, wel wetenschappelijk bewijzen? Het blijkt niet mogelijk te zijn. Niet alleen het onderscheid tussen waar en onwaar wordt in de wetenschap voorondersteld. Hetzelfde geldt voor allerlei intuïties die onmisbaar zijn in ons concrete bestaan. Zij gaan aan de wetenschap vooraf in plaats dat de wetenschap hen kan funderen.

Eerder heb ik geprobeerd te laten zien dat onze concrete ervaring met haar veelheid van aspecten nauw met de werkelijkheid is verbonden. Met al die aspecten is daarom kennis van de werkelijkheid gegeven. Als dit juist is, en bovendien de wetenschap in belangrijke mate hiervan afhankelijk is, dan is duidelijk dat wetenschappelijke toetsbaarheid geen eis kan zijn die aan alle kennis mag worden gesteld. Hoe belangrijk toetsing met wetenschappelijke middelen ook kan zijn op allerlei gebied, essentiële delen van onze kennis blijven zich daaraan onttrekken. Ook de dagelijkse kennis dient te worden getoetst, maar de maatstaven daarvoor zijn niet die van de wetenschap. In principe kun je zeggen, dat elk aspect zijn eigen normen heeft. Voor waarnemen moet je goed kijken en luisteren. Voor denken moet je helder en logisch zijn. Taal moet duidelijk zijn en recht doen aan het onderwerp. Intuïties van recht en onrecht moeten goed ontwikkeld zijn en dan op de juiste manier worden toegepast om te begrijpen wat er gebeurt. Als je je afvraagt of iemand werkelijk van je houdt, kan de wetenschap je daarbij niet helpen. Daar moet je op een andere manier achter zien te komen.

Geloof en zingeving

De eerste vooronderstelling van Leezenberg, namelijk dat kennis wetenschappelijk toetsbaar moet zijn, is dus allerminst vanzelfsprekend. Lang niet alle kennis kan wetenschappelijk worden getoetst, terwijl er toch niet aan getwijfeld hoeft te worden dat het echt om kennis gaat. Maar impliciet hebben we ook al iets gezegd over de tweede vooronderstelling: in ons dagelijks leven kunnen we niet zo gemakkelijk een scheiding maken tussen waarden en normen enerzijds en feiten anderzijds. Als goed en kwaad tot de werkelijkheid behoren, heeft deze werkelijkheid (=feit) zelf ook een normatieve dimensie (=norm/ waarde). Zo ervaren we haar ook in ons concrete bestaan. Maar als onze ervaring met haar veelheid van aspecten op deze wijze iets over de werkelijkheid zegt, dan is zingeving niet iets subjectiefs, we ervaren zin die gegeven is. De term ‘zingeving’ is daarom eigenlijk misleidend. Ten diepste geven we geen zin aan de werkelijkheid, alsof die uit naakte feiten zou bestaan. Zin zit in de werkelijkheid zelf en we ervaren die op allerlei manieren – denk aan de veelheid van aspecten – en stuiten juist daarom ook op het probleem van de zinloosheid.

Uiteindelijk heeft zin met geloof te maken. Ook geloof kan worden opgevat als een aspect van onze ervaring. Soms hebben mensen diepe religieuze ervaringen. Maar dat geldt niet van iedereen. We hebben wel allemaal een overtuiging die uiteindelijk het karakter van geloof heeft. Het gaat dan om de oorsprong van de wereld en van onszelf, om de zin van ons leven, hoe we omgaan met lijden en schuld. In deze zin hebben alle mensen een geloof, want het behoort bij ons menszijn om hierover na te denken en er een mening over te hebben. Of liever, in ons leven zelf blijkt wat ten diepste onze overtuiging is, omdat we daaruit (proberen te) leven. Geloven in die zin is niet een theorie, maar iets existentieels: het gaat over mijn diepste levensovertuiging. Als zodanig behoort het tot ons bestaan en maakt het deel uit van de wijze waarop we de werkelijkheid ervaren. Geloof bepaalt het perspectief van waaruit we naar de wereld kijken, haar ervaren en in haar handelen. Dit neemt natuurlijk niet weg dat geloof ook allerlei uitgewerkte opvattingen bevat. Als het goed is staan deze evenwel niet los van de overtuiging waaruit we daadwerkelijk leven.

Maar heeft geloof in deze zin ook met kennis te maken? En is het toetsbaar? Wat het eerste betreft, hoewel geloof tot onze ervaring behoort, gaat het er ook boven uit. We hebben immers geen directe toegang tot de oorsprong van de wereld. Ook als je aanneemt dat alles is ontstaan door een proces van tijd en toeval, is dat niet wetenschappelijk te bewijzen. Wetenschap maakt gebruik van wetten om verklaringen te geven. Waar komen die wetten vandaan? Oorsprong in religieuze zin omvat ook het antwoord op die vraag, evenzeer als op vragen die dichterbij komen en direct de zin van ons leven betreffen. De religieuze vraag naar de oorsprong is alomvattend. Tegelijk is duidelijk dat het antwoord erop kennis claimt. Dat geldt voor het naturalistische antwoord, dat uitgaat van tijd en toeval, maar ook voor de overtuiging dat alles uiteindelijk afhankelijk is van God als schepper. Geloof als levensovertuiging claimt waarheid. Overtuigingen die met elkaar in strijd zijn kunnen daarom niet tegelijk waar zijn.

Maar kunnen we een levensovertuiging ook toetsen? Het zal duidelijk zijn dat dit niet kan met wetenschappelijke middelen. Voor de Big Bang zijn wetenschappelijke argumenten te geven. Maar deze natuurwetenschappelijke theorie betreft niet de oorsprong van alles. Zij vooronderstelt de geldigheid van wetten. Zij verklaart ook niet de oorsprong van het leven of van het bewustzijn, laat staan de zin van ons bestaan. Geloof als levensovertuiging gaat boven een wetenschappelijke theorie uit. Daarom kan het niet wetenschappelijk getoetst worden. Maar het moet wel op de werkelijkheid betrokken zijn. Het moet werkelijkheidsecht en leefbaar zijn. Het moet recht doen aan ons menszijn en onze ervaring. In die zin is geloof toetsbaar aan de werkelijkheid, zonder dat dit betekent dat we het op grond van argumenten ook noodzakelijk eens zullen worden. Geloof is ten diepste iets existentieels. Daarom houdt het ook een keuze in. Maar dat verandert niets aan het feit dat de waarheidsvraag gesteld kan worden. Geloof is dus wel degelijk (ook) een vorm van kennis. Het is op de werkelijkheid betrokken en zegt daar iets over.

 

Literatuur over dit onderwerp

René van Woudenberg, Gelovend denken. Inleiding tot een christelijke filosofie. Amsterdam 2004 (tweede druk). Speciaal het derde hoofdstuk.

H.G. Geertsema, Kennis in reformatorisch wijsgerig perspectief. In Edith Brugmans, (red.), Cultuurfilosofie, Open Universiteit 2002, 419-454.

H.G. Geertsema, Denken over zin en wetenschap (afscheidscollege)

 
Sophie