Sophie
Sophie Sophie


Vraag nu een
GRATIS
proefnummer aan!

Vraag nu een gratis proefnummer aan!
Missie
Soφie is een uitgave van de Stichting voor Christelijke Filosofie. Zij biedt een intellectuele uitdaging door kritisch na te denken over actuele onderwerpen, geïnspireerd door de christelijke traditie.

Redactie
ing. P. de Boer
dhr. A. Deddens
mevr. drs. E.J. van Dijk
mevr. drs. M. Doornenbal
mevr. drs. R. Ebbers-van Aalst
dr. J. Ester
drs. I.D. Haarsma
prof. dr. J. Hoogland
dhr. A. Janse
dr. ir. R.A. Jongeneel
mevr. drs. D.G. Rots
dr. P.H. Vos
dr. K. van der Zwaag
Over de hoop die in ons is PDF Print Email
Written by   

Tweede bijdrage over het eindexamenonderwerp Utopie.

Wij hadden vroeger een hond die zich na een middag draven door het bos behaaglijk uitstrekte voor de haard. Het gebeurde wel eens dat hij in zijn slaap onrustige bewegingen maakte met zijn poten en zijn bek. “Kijk, hij droomt”, zeiden we dan. Zou dat waar zijn? Kunnen dieren dromen? Kwamen in de droom van onze hond de konijntjes voorbij dansen die hij net gemist had?

Ik weet niet of dieren kunnen dromen en wat ze eventueel dromen. Dat mensen dromen, daar weten we allemaal van. Ruwweg zijn er twee soorten dromen: nachtdromen en dagdromen. Nachtdromen heb je in je slaap. Deze hebben, zeggen droomdeskundigen, te maken met wat je beleefd hebt. Verdrongen gedachten en onverwerkte stukjes van je eigen geschiedenis passeren nog eens de revue. Dagdromen zijn anders. Bij dagdromen heb je je ogen open en fantaseer je over iets wat kan komen. Je dagdroomt over het leven in een tropisch paradijs, over een geliefde of over een rit op een mooie zomerdag in een cabriolet. “Dromen zijn bedrog”, zeggen we als we uit onze dagdroom ontwaken. Nachtdromen hebben met ons verleden te maken en reproduceren onze ervaringen nog eens, dagdromen kijken vooruit en scheppen een toekomstfantasie. Dagdromende dieren ben ik overigens slechts in stripverhalen tegengekomen (bijvoorbeeld de grote boze wolf die dagdroomt over biggen in de pan).

Dat mensen dromen en dieren niet (naar wij aannemen), zegt iets over de positie van de mens in de geschiedenis. Mensen hebben een historisch bewustzijn. Wij kunnen de film van ons leven reproduceren, bewust of onbewust. Wij kunnen ons ook verplaatsen in de toekomst en daar beelden bij krijgen. Prediker zegt ergens dat de mens de ‘eeuw in het hart’ heeft (Prediker 3:11). Meestal leven mensen geen eeuw. Toch kunnen mensen over de tijdsgrenzen van hun eigen bestaan heenkijken. Ik kan mij via geschiedenisboeken proberen voor te stellen hoe het was op 10 mei 1940, de dag waarop de Duitsers Nederland binnenvielen. Daar kan ik in mijn geest naar terug, hoewel ik zelf veel later geboren ben. De ervaringen van andere mensen zijn mijn gids hierbij. Ook kan ik me iets proberen voor te stellen over het leven op 10 mei 2040. Ervaringen van andere mensen kunnen hier niet mijn gids zijn. Niemand heeft nog geleefd in 2040. Hoe bedenk je dan zoiets? Ik kan over 10 mei 2040 fantaseren, ik kan dagdromen, ik kan er sciencefiction bijhalen om me voor te stellen in welk technisch paradijs we dan misschien leven. Maar waar het op neerkomt is dat ik erg veel uit mezelf moet halen en heel veel moet aannemen om zo’n beeld over 2040 op te roepen.

Utopisch denken lijkt in een aantal opzichten op zo’n toekomstfantasie. Een dagdroom over een wereld die er (nog) niet is. Het interessante van zo’n utopische droom is dat we allerlei factoren kunnen uitschakelen en heel veel kunnen aannemen. In de utopie hebben mensen geen last van elkaar, ze zijn gelukkig, handicap of ziekte lijken voorgoed overwonnen. Het kwaad hoort er niet bij, alle omstandigheden zijn gericht op duurzaam geluk. De spraakmakende utopieën proberen een dergelijk beeld op te roepen. Toch is een utopie veel meer dan een dagdroom. Een utopie is een serieus spel met de mogelijkheden van de geschiedenis. Vandaar dat we het Derde Rijk van Hitler zien als een dictatuur waarin een utopisch idee werd nagejaagd: de wereld zou goed zijn als deze werd bevolkt door het Arische ras. Niet alle utopieën hebben een zware politieke lading, toch is er in de kern dit serieus preluderen op een andere geschiedenis dan die waarin we zelf leven. Dat is ook de kern van Utopia, het oerverhaal uit 1516 van Thomas More. Ontevreden over de politieke en maatschappelijke situatie van het Engeland van zijn dagen, laat hij in zijn vertelling zien dat het ook anders kan: een land met schone steden, een arbeidzame en vredelievende bevolking, een min of meer democratisch bestuur, onderwijs voor iedereen. Utopia is een spiegel in de verte. Een onschuldige vertelling, zo lijkt het, uit de tijd van de ontdekkingsreizen. Maar dit ideale verre eiland, waarover hier verteld wordt, biedt tevens een alternatief, een aanschouwelijke les, een tegenontwerp voor de miserabele geschiedenis van zijn tijd.

Dit spel met de mogelijkheden van de geschiedenis is kenmerkend voor de moderne mens. In de Middeleeuwen leefde men uit het besef dat God de geschiedenis leidt. In de moderne tijd komt de mens als vormer van de geschiedenis centraal te staan. Ineens werd ingezien dat wat er van de wereld worden zal, afhankelijk is van het handelen van de mens. Hij heeft zijn lot in eigen handen. Twee dingen kunnen er gebeuren: of de geschiedenis verandert nooit en de mens blijft aan haar gebonden als een gevangene in een donkere kelder. Of de geschiedenis wordt een verhaal vol bevrijdende en gelukbrengende mogelijkheden. De utopie van Francis Bacon, New Atlantis (1627), droomt dromen over levensverlenging, een eeuwige jeugd, verzachting van pijn, verhoging van genot. De beperkingen van de geschiedenis lijken definitief overwonnen. De utopie is een droom die de geschiedenis in dienst neemt.

Christenen hebben altijd grote reserve gehad bij het utopisch denken. Voor christenen staat de geschiedenis niet uitsluitend en alleen ter beschikking van de mens. De mens is een historisch wezen, maar de geschiedenis is de ruimte waarin God en mens elkaar ontmoeten. De geschiedenis wordt niet alleen door het menselijk handelen bepaald, maar is het werk van Gods leiding en voorzienigheid. Mensen dragen daarin een verantwoordelijkheid, zeker, maar zullen zeker ook falen en in veel dingen mistasten. Het centrale punt is de inschatting van de rol van het kwaad. In de kring van de vroege calvinisten geloofde men niet dat het reëel was over de samenleving te denken, zoals Thomas More dat deed. De jurist Johannes Althusius schreef in een politiek handboek uit 1601 dat hij geen Utopia wilde, maar een samenleving die was aangepast aan de ‘zwakheid van de menselijke natuur’. De visionaire christen-staatsman G. Groen van Prinsterer zei twee eeuwen later over zijn eigen maatschappijbeschouwing: ‘Ik zal u geen utopia schetsen’. En de christen-filosoof J.P.A. Mekkes sprak met enig dédain over een ‘horizon’ van het moderne leven, gevuld met ‘tijdelijke utopieën’. Wat stond hen daarin dan tegen? Ik noem drie dingen.

In het utopisch denken wordt een ideaal geschetst dat wegvoert van het concrete leven. Het is bekend dat er een grote invloed van Plato is uitgegaan op het utopisch denken. In het denken van Plato is het mogelijk de wereld te hervormen aan de hand van theoretische ideaalvoorstellingen. Deze ideeën of idealen zijn ten diepste rationeel van aard en de toepassing ervan vragen een rationele benadering. Vandaar dat we bij Thomas More meer dan eens lezen dat de mensen van Utopia zich laten leiden door de rede. Hierachter ligt de opvatting dat het kwaad, het onvolkomene en mismaakte (dat wat nog gebonden is aan de materiele omstandigheden) kan worden overwonnen door de rede. Christenen geloven niet dat het kwaad op deze manier in een dagdroom over de redelijkheid kan verdwijnen. Het kwaad zal er zijn totdat God ons er definitief van verlost. De droom van de perfecte mens is zeker bedrog.

In het utopisch denken wordt veel verwacht van het handelen van de mens. De geschiedenis is maakbaar, de samenleving is maakbaar, de mens is maakbaar. ‘Utopian engineering’ is dit wel genoemd. De utopische traditie is rijk aan blauwdrukken en verhalen van geslaagde missies om een betere wereld te realiseren. Vooral in ‘progressieve’ politieke milieu’s is dit maakbaarheidsdenken sterk geweest. ‘Links scheidt utopieën af, zoals de alvleesklier insuline afscheidt’, zei de Zweedse socialist Olof Palme eens. Voor een christen is het overmoed te zeggen dat de geschiedenis het project is van de mens. Wie van de mens een albesturende god maakt, begaat de ernstigste misstappen. Wat voor kwaad is er niet verricht uit naam van een ‘betere toekomst’ of een ‘voorhoede’ van verlichte geesten? De geschiedenis van ideologische dictaturen is in bloed geschreven.

Het utopisch denken houdt iets van een dagdroom: wegdromen van de beperkingen in het hier en nu. De utopie is een poging te ontsnappen aan wat ons niet bevalt aan de actualiteit. Is het niet veel aantrekkelijker ons te richten op een wereld waarin we meer geluk ervaren dan in de wereld waarin we nu leven? Op deze manier kan de utopie een vlucht zijn voor onze verantwoordelijkheden. Voor onze relaties, ons werk, de macht van de gewoonte, de greep die de geschiedenis nu eenmaal op ons heeft. Christenen kunnen dit moeilijk accepteren als een aanvaardbare levenshouding. Is het niet onderdeel van de christelijke roeping onze verantwoordelijkheid op ons te nemen juist daar waar wij een roeping hebben ontvangen? Dus: temidden van onze relaties en juist in dit leven, zoals het is, hier en nu.

Hoe moeten we de utopische traditie nu beoordelen? Kunnen we dan slechts naar de utopie kijken als een idealistische roes, waarmee mensen zich benevelen die zich slechts gebonden weten door hun historisch lot? Is de utopie niet ook juist een poging verder te kijken dan de geschiedenis? Voedt de utopie niet de meest edele aspiraties die we kunnen hebben? Inderdaad: een wereld ontheven aan de macht van het kwaad en het lijden? Gaat het in de utopie dan niet om een legitieme hoop op een betere wereld?

Inderdaad, we zouden de essentie missen als we in de utopie niet het principe van de hoop opmerken. Hans Achterhuis herinnert daar in het eindexamencahier aan – sterker dan hij in eerdere boeken deed. Mensen hopen hartstochtelijk op een betere wereld, een rechtvaardige samenleving, een wereld zonder oorlog. “I had a dream”, zei de zwarte dominee Martin Luther King, maar hij had het over de hoop op een samenleving waarin blank en zwart gelijk zouden zijn. De hoop geeft een basis voor het denken en dromen over de toekomst. De hoop is een houvast voor mensen die zich gebonden weten en vaak weinig aan hun omstandigheden kunnen veranderen. 

De hoop is een christelijk motief. In 1 Korinthe 13 wordt de hoop als centrale deugd van het christelijk leven gezien, samen met geloof en liefde. Petrus zegt dat christenen altijd bereid moeten zijn rekenschap te geven van de ‘hoop die in hen is’ (1 Petrus 3: 5). Het gaat nog verder: christenen zelf moeten een toonbeeld zijn van een nieuw leven, een ‘levende hoop’ zijn. Bij de utopie, zo kan men zeggen, ligt het object van die hoop in de geschiedenis zelf. Iemand sprak eens over de geschiedenis als het ‘experiment van de hoop’ (J. Moltmann). De toekomst ligt open en de mens heeft tal van mogelijkheden het gebeuren te beïnvloeden. Maar zou het lukken die hoop te realiseren binnen de kaders van onze eigen wereld? Of wordt dat een ‘experiment van de wanhoop’, een dystopie?

Hopen op een betere geschiedenis is zeker legitiem, zeker wanneer het leven lijden is. Maar het object van de christelijke hoop ontstijgt (transcendeert) de geschiedenis om ons van ons historisch lot te bevrijden. Die hoop is Jezus Christus zelf (1 Tim. 1:1). Dat is de hoop die werkelijke bevrijding brengt van de omstandigheden van de geschiedenis. De zin van ons bestaan wordt aan ons onthuld door Jezus Christus. Daar is de christelijke hoop op gericht. De utopie echter is de geseculariseerde hoop van de moderne mens. Een hoop die ons terugwerpt op onszelf en ons eigen lot. Toch blijft de mens hopen, hij is een ‘animal sperans’ – een hopend wezen. Maar die hoop leidt tot niets als de mens zichzelf najaagt in de geschiedenis. Voor je het weet wordt het beest in ons wakker gemaakt en wordt de utopie een ‘animal farm’ vol dagdromende dieren die onwerkelijk voor het vuur liggen te trekkebenen.

 
Sophie