Sophie
Sophie Sophie


Vraag nu een
GRATIS
proefnummer aan!

Vraag nu een gratis proefnummer aan!
Missie
Soφie is een uitgave van de Stichting voor Christelijke Filosofie. Zij biedt een intellectuele uitdaging door kritisch na te denken over actuele onderwerpen, geïnspireerd door de christelijke traditie.

Redactie
ing. P. de Boer
dhr. A. Deddens
mevr. drs. E.J. van Dijk
mevr. drs. M. Doornenbal
mevr. drs. R. Ebbers-van Aalst
dr. J. Ester
drs. I.D. Haarsma
prof. dr. J. Hoogland
dhr. A. Janse
dr. ir. R.A. Jongeneel
mevr. drs. D.G. Rots
dr. P.H. Vos
dr. K. van der Zwaag
Vrije wil als zelfverwerkelijking PDF Print Email
Written by   

Het boek Vrije wil van Tjeerd van de Laar en Sander Voerman wordt gebruikt in de examenklassen filosofie. Mij is gevraagd om ‘links’ te leggen met het christelijke denken. In dit artikel geef ik wat handvatten voor leerlingen die het boek bestuderen: het oogmerk is steeds hoe je deze stof kunt verbinden met je geloof in Jezus Christus. Hieronder de tweede aflevering: over hoofdstuk 3, de vrije wil als zelfverwerkelijking.

We herinneren ons nog even: de auteurs onderscheiden drie verschillende vrijheidsbegrippen: vrijheid als verantwoordelijkheid (hoofdstuk 2), als zelfverwerkelijking (hoofdstuk 3) en als bewuste aansturing (hoofdstuk 4). Nu dus de vrije wil als zelfverwerkelijking. De definitie die de auteurs daarvan geven: ,,Een handeling uit vrije wil is een handeling waarin tot uitdrukking komt wat de handelende persoon zelf belangrijk vindt. Om een vrije wil te hebben, moet je een individu zijn met een eigen mening over wat belangrijk voor je is en wat niet. Met ‘vrije wil’ bedoelen we dus het vermogen om op basis van je eigen mening beslissingen te nemen.’’

Luthers ‘hier sta ik, ik kan niet anders’

Er zit in deze definitie een brokje goud dat we niet mogen missen. Wat de auteurs met hun definitie erkennen, is dat de vrije wil een doel heeft! Meestal blijven discussies over vrijheid hangen in de op zich ook erg belangrijke vraag of er vrijheid als een vermogen tot alternativiteit is. Of vrijheid wordt besproken in termen van het recht of de mogelijkheid om vrij te zijn van (honger, overheidsbemoeienis, tradities, knellende moraal, angsten, complexen, Haagse politici). Dat is een eenzijdige benadering. Voor echte vrijheid moet je ook bespreken waartoe je vrij wilt zijn: er zou geen vrijheid zijn, als er geen doelen zijn die wij van harte willen omarmen. Volgens de bovenstaande definitie was Luther echt vrij toen hij zei: ‘Hier sta ik, ik kan niet anders!’ Echte vrijheid is dus niet alleen te pakken in ‘vrij zijn van’, maar is ook altijd een ‘vrij zijn tot’. Het is deze dimensie die de auteurs signaleren in hun hoofdstuk over vrijheid als zelfverwerkelijking: een handeling uit vrije wil is een handeling waarin tot uitdrukking komt wat de handelende persoon zelf belangrijk vindt. Vrijheid is dus verbonden met ergens belang in stellen, met ergens waarde aan hechten. Zonder dat kunnen we het begrip vrijheid niet verstaan. Dit is een brokje goud in de definitie en je kunt van hieruit een lijn leggen naar de christelijke traditie: ook deze traditie wist dat vrijheid te maken heeft met ergens belang in stellen. Maar het gaat dan wel om het Hoogste Goed, om God. Vrijheid is het dienen van God, zei Augustinus! Of, meer filosofisch geformuleerd: de vrije wil is zelfbepaling tot het goede. Natuurlijk ten eerste tot het Hoogste Goed.

Een verstopt brokje goud

Terug naar het boek: dit brokje goud is wel verstopt in de definitie van de auteurs. Want het woord ‘goed’ komt er eigenlijk niet in voor, het gaat alleen om de vraag ‘wat jij zelf van belang vindt’. Vatten de beide auteurs het hele idee van zelfverwerkelijking dus niet eerder ‘ethisch neutraal’ op? De dimensies van goed en kwaad betreden zij toch niet? Ze zien het eerder als a) iets natuurlijks, zoals bijvoorbeeld slapen, of b) iets als psychotherapie (innerlijke blokkades opruimen), of c) als het najagen van een fraaie carrière. Dan ben je misschien wel een ‘loser’ als je niet werkt aan zelfverwerkelijking, maar je handelt niet moreel verwerpelijk. Hoe dan ook, ik krijg bij de beschrijving van de auteurs niet het idee dat je moreel fout zit als je niet doet aan zelfverwerkelijking. Natuurlijk zullen de beide auteurs erkennen dat iemand die aan zelfverwerkelijking doet, dat op een ethische categorie kan richten. Maar daarmee is zelfverwerkelijking zelf nog geen ethische categorie. Iemand wil bijvoorbeeld zichzelf verwerkelijken in het redden van anderen. Misschien kijken sommige mensen zo tegen Moeder Teresa aan. Zijzelf zou zich in dat beeld niet graag herkennen, denk ik.

Gesteld dat de auteurs zelfverwerkelijking inderdaad zien als iets natuurlijks, als iets ethisch neutraals, is dat wel verdedigbaar? Dat zou je in elk geval moeten onderbouwen, en ik denk dat dit gedoemd is te mislukken. De onlangs gestorven non ‘Moeder Teresa’ zou denk ik niet heel positief denken over het ideaal van zelfverwerkelijking en zou ook zeker niet zeggen dat zij dat ideaal heeft geleefd. Laten we eens een denkbeeldige casus opstellen.

Esmee, een net afgestudeerde studente rechten, gaat naar Calcutta. Ze heeft haar leven tot nu toe ingericht met het ideaal van zelfverwerkelijking, dat ze tot haar eigen verbazing heel goed verwoord vond in haar studieboek filosofie op het vwo. Vanuit die visie heeft ze ook besloten om drie maanden bij Moeder Teresa te gaan werken. Esmee heeft het gevoel dat ze sociaal is ingesteld en dat het in haar proces van zelfreflectie goed past om eens buiten je eigen omgeving te stappen. Na twee maanden bij Moeder Teresa komt Esmee tot een voor haar beschamende conclusie. Ze merkt dat het Moeder Teresa in elk geval niet om zelfverwerkelijking gaat. Het gaat haar echt om de ander, niet om zelfontplooiing. Teresa werkt uit liefde voor de minste, ook als zij zichzelf daarin helemaal niet verwerkelijkt. Moeder Teresa heeft daar zelf nooit wat over gezegd, ze was helemaal niet kritisch op Esmee. Maar Esmee heeft toch het gevoel gekregen dat je met zelfverwerkelijking wel heel erg je eigen ‘ik’ in het middelpunt stelt. Alles draait om jou, zelfs je goede daden naar anderen toe. Op een gegeven moment vroeg ze zich af of zelfverwerkelijking niet eigenlijk een geraffineerd recept voor narcisme en egotripperij was, geschikt voor rijke jongelui zoals zijzelf.

Esmee schiet hier misschien wel wat door, er is ook heel veel positiefs over zelfverwerkelijking te zeggen. Maar het is wel van belang om deze vraag te stellen: wat is eigenlijk de ethische status van zelfverwerkelijking?1 Is dat wel altijd goed? Is iets goed, omdat het zelfverwerkelijking was?

Als een despoot

Laten we om deze vraag te beantwoorden, hun begrip ‘zelfverwerkelijking’ nader onderzoeken. Wat is bijvoorbeeld dat ‘zelf’ en geeft het mensen een bepaald richtsnoer? Is er bijvoorbeeld een wet, een ‘geweten’ in elk hart ingeprent? (vergelijk Rom. 1 en 2). De auteurs lijken in te stemmen met het volgende idee: gesteld dat zelfverwerkelijking mogelijk is, dan moet iedereen zelf uitmaken wat zelfverwerkelijking voor hem of haar is, daar is het nu juist zelfverwerkelijking voor (zie de definitie, en zie de vier aspecten van zelfverwerkelijking, een uitwerking van vier criteria waar zelfverwerkelijking aan moet voldoen, en die alle vier terugbuigen naar het ‘zelf’). Het christelijk geloof zou deze vorm van zelfverwerkelijking niet bijster realistisch vinden, en bovendien veel te autonoom gedacht. De mens is hier gezien als een absolutistisch despoot die zelf alle wetten kan maken en zo kan bepalen wat goed en slecht is. Maar dat is toch niet realistisch? De christelijke traditie gelooft dat het niet aan ons is om te bepalen wat goed en slecht is: wat goed is, dat is voorgegeven. Natuurlijk, er is veel traditie en er is heel veel cultureel bepaald, dat is niet mijn punt. Amerikanen gaan ’s morgens naar de kerk en ’s middags naar de Mall (!), Engelse christenen vinden cremeren heel gewoon (!). Maar ik spreek nu over de echte laatste ankerpunten van de ethiek: bijvoorbeeld God dienen. Dat is niet iets waarin wij volgens het christelijk geloof een keuze hebben. Natuurlijk hebben we een keus om het niet te doen (dan gehoorzamen we niet). Maar wat ik bedoel is dat wij de norm, de wet niet bepalen. Zelfs God heeft hierin geen keus, geloof ik: Hij kan ons veel opdragen, maar Hij kan ons niet opdragen Hem niet te dienen. Er zit hier dus ook een geweldig stuk ‘logica’ in de ethiek: het Hoogste Goed moet noodzakelijkerwijs voor alles gediend worden. In de ‘elk wat wils’-definitie van zelfverwerkelijking van de auteurs komt in wezen de chaos van West-Europa aan het licht, de diepste wortel van onze crisis, de crisis achter elke politieke en financiële crisis: Europa heeft geen ziel.

Zelfkennis door Godskennis

Laten we dan ter afsluiting de definitie eens proberen nader in te vullen vanuit een christelijke visie op de woorden ‘zelf’ en ‘zelfkennis’. Ook de auteurs erkennen dat zelfverwerkelijking te maken heeft met zelfkennis: zij noemen zelfkennis als de vierde conditie voor zelfverwerkelijking. In het christelijke denken is er altijd een nauw verband gezien tussen Godskennis en zelfkennis (Calvijn, Augustinus). Het eerste leidt tot het tweede, en dat leidt weer terug naar het eerste. Zo bezien kunnen we de definitie zo herschrijven:

Vrije wil als christelijke zelfverwerkelijking (definitie):

De gelovige is gaan begrijpen dat hij zijn zelf pas vindt als hij het verliest. Zelfkennis, daarvoor is nodig dat je God vindt en je oude ‘zelf’ verliest. Met dit verliezen wordt bedoeld: dat je het centrum van waarom je de dingen wilt en doet hebt verlegd van jezelf (je oude ‘zelf’) naar het dienen van God. Je ziet dat dát de echte zelfverwerkelijking is (van je nieuwe zelf). Net als de maan: die geeft niet zelf licht, die weerspiegelt alleen het zonlicht. Dat is de christelijke zelfverwerkelijking: je put niet uit jezelf licht, maar reflecteert het licht van Gods liefde. Wie zichzelf vindt, heeft ontdekt dat hij een bedding voor de goedheid van God is. Als je dit nieuwe zelf nu wilt gaan verwerkelijken, zul je daar je vrije wil voor moeten gebruiken; daarbij spelen vier criteria: herkenbaarheid, authenticiteit, reflexiviteit en zelfkennis. De bron moet herkenbaar zijn, het moet authentiek uit Hem komen, daarover moet je ook willen reflecteren, iets dat tot steeds diepere zelfkennis leidt (je gaat steeds scherper je oude en nieuwe zelf ontwaren).

Uit vrije wil

Tot slot: wat we nu voorbij hebben zien komen kun je mooi toepassen op de groepering die zich tooit met de naam ‘Uit Vrije Wil’. Uit Vrije Wil is de naam van een initiatiefgroep die zich inzet voor de stervenshulpverlening aan ouderen met een voltooid leven. Vanuit het christelijk geloof roept deze naam echter bedenkingen op. Formuleer ze zelf, en kom met een andere naam voor de initiatiefgroep!

Volgende keer: geloven christenen dat er ‘libertaristische’ vrijheid is?

Noot

1 De auteurs bespreken wel de mogelijkheidsvoorwaarden voor zelfverwerkelijking. Zo geven ze aan dat sommige filosofen menen dat zelfverwerkelijking onmogelijk is. Denk bijvoorbeeld aan Hume. Hume ziet ‘het zelf’ als een tuin, maar er is geen tuinman: de ‘drives’, de bloemen, zijn er gewoon, en in onze ziel is er niemand om te wieden. Van de sceptische denkers Haidt en Gray kan hetzelfde gezegd worden. Ik zou nog kunnen aanvullen: volgens een boeddhist is het zelf een illusie, dus hoezo zelfverwerkelijking? Maar aldus zijn de alternatieven die de auteurs overwegen of zelfverwerkelijking wel of niet kan. In deze tekst vragen ze zich niet af: als het kan, is het dan ethisch neutraal, goed of kwaad?

 
Sophie