Sophie
Sophie Sophie


Vraag nu een
GRATIS
proefnummer aan!

Vraag nu een gratis proefnummer aan!
Missie
Soφie is een uitgave van de Stichting voor Christelijke Filosofie. Zij biedt een intellectuele uitdaging door kritisch na te denken over actuele onderwerpen, geïnspireerd door de christelijke traditie.

Redactie
ing. P. de Boer
dhr. A. Deddens
mevr. drs. E.J. van Dijk
mevr. drs. M. Doornenbal
mevr. drs. R. Ebbers-van Aalst
dr. J. Ester
drs. I.D. Haarsma
prof. dr. J. Hoogland
dhr. A. Janse
dr. ir. R.A. Jongeneel
mevr. drs. D.G. Rots
dr. P.H. Vos
dr. K. van der Zwaag
De vrije wil: een aangevochten grootheid PDF Print Email
Written by   

De vrije wil staat ter discussie. Niet zozeer in de theologie, maar in de neurologie. We worden aangestuurd door ons brein. Hoezo dan vrije wil? Zijn we niet gedetermineerd door onze omgeving? Het is een debat dat heftig in de media gevoerd wordt. De vrije wil onderscheidt de mens van het dier, maar hij is – vanuit christelijk perspectief – innerlijk gebonden vanwege de zonde en daarom aangewezen op de genade. De vrije wil, een aangevochten grootheid: hoog vanwege zijn schepping, laag vanwege zijn gebreken.

Het onderwerp van de vrije wil beheerst de media. Belangrijke gangmaker van de discussie is de bestseller van de emeritus hoogleraar neurologie Dick Swaab, Wij zijn ons brein (2010). In zijn boek verkent hij de ingenieuze wereld van de hersenen, van de vorming ervan in de baarmoeder tot aan de ziekte van Alzheimer, de invloed van drugs en hormonen, verschijnselen als agressie, autisme, depressie, schizofrenie, hallucinaties. Kernpunt voor Swaab is dat de mens niet meer is dan zijn brein en dat de persoon samenvalt met de chemische processen die zich in zijn hoofd afspelen. Swaab stelt dat de mens geen vrije wil heeft. Hij definieert de ‘vrije wil’ als volgt: ,,de vrije wil is (…) de mogelijkheid om een besluit te nemen zonder dat er interne of externe beperkingen zijn die die keuze bepalen. Bovendien moet je in staat zijn om de consequenties van je handelingen te overzien om van een handeling op basis van vrije wil te kunnen spreken.’’

Swaab is ervan overtuigd dat religie een neurologische en genetische oorzaak heeft. Hij concludeert dat er geen leven is na de dood, dat God niet bestaat, dat godsdienst slechts een evolutionair overlevingsmechanisme is en dat religieuze ervaringen bijproducten zijn van verstoringen in de hersenen. De vrije wil is ‘een plezierige illusie’. Swaab gelooft in predestinatie, niet door Gods eeuwig besluit, maar door het dictaat van de hersenen. Daarom noemt hij zichzelf een ‘neurocalvinist’. Als de hersenen geen prikkelingen krijgen, gaan ze die leegte zelf invullen, aldus Swaab. Zo werd in de eenzaamheid op de berg Mozes’ brein, de temporaalkwab, geprikkeld en ervoer hij dat hij de Tien Geboden van God kreeg. De apostel Paulus kreeg door een epileptische aanval hallucinaties, wat bij hem gepaard ging met extatische ervaringen. Ook de atheïstische filosoof Herman Philipse rekent met deze mogelijkheid bij Paulus. Swaab schrijft religie niet geheel af. Religie heeft veel evolutionaire voordelen gehad, zoals groepsbesef, groepsafbakening en bescherming.

Middelbaar onderwijs

De thematiek van de vrije wil is reden om die in twee boeken uit te leggen voor de doelgroep van het middelbaar onderwijs. Het boek van Tjeerd van de Laar en Sander Voerman zet uiteen hoe de vrije wil zich verhoudt tot ons denken over thema’s als verantwoordelijkheid, zelfverwerkelijking en bewustzijn. Ze doen dat heel bevattelijk aan de hand van concrete voorbeelden uit de praktijk (drugsverslaafde, massamoordenaar, terrorist: zijn hun daden met opzet, of zijn ze niet toerekeningsvatbaar?) en teksten van belangrijke filosofen. Het boek is met name geschikt voor het vak filosofie in het middelbaar onderwijs (Van de Laar is zelf docent filosofie).

Het boek is een geslaagde poging om theoretische beschouwingen te verbinden met concrete voorbeelden uit de praktijk, illustratief sterk met cartoons. Het biedt teksten van Socrates tot Sartre. Het idee van vrije wil is volgens de schrijvers helemaal niet zo vanzelfsprekend, maar een product van filosofische ontwikkelingen die nog lang niet voltooid zijn. Het hangt van je filosofische uitgangspunt af of je op grond van hersenonderzoek concludeert dat de vrije wil een illusie is. Het blijkt dat het onderwerp allerminst theoretisch is. Wat is de impact van de sociale media, peilingen en campagnestrategieën op het vermogen om een weloverwogen eigen keuze te maken?

De bundel Hoezo vrije wil?, onder redactie van Maureen Sie, borduurt voort op dit boek en biedt essays van verschillende filosofen en wetenschappers. Maureen Sie merkt op dat er nauwelijks een dag voorbijgaat zonder dat wetenschappers claimen te hebben aangetoond dat de vrije wil niet bestaat. Neurowetenschappers stellen dat lang voordat wij bewust een besluit nemen, uit ons brein af te lezen is wat wij zullen besluiten. Wij zijn het niet die besluiten nemen, maar ons brein.

Maar daarmee lijkt een probleem geschapen te zijn voor het burgerlijk recht of strafrecht, want daar gaat men ervan uit dat wij over een vrije wil beschikken en dus verantwoordelijk zijn voor ons gedrag. Auteurs als Ybo Buruma, Gerben Meynen en Will Tienmeijer betogen dat strafrecht en overheidsingrijpen alleen zin hebben tegen de achtergrond van het feit dat mensen lerende wezens zijn. Als iemand uit vrije wil handelt, dan is dat gebaseerd op het vermogen om op basis van redenen te handelen, en zijn gedrag te reguleren op basis van normen en waarden.

Er zijn in de huidige discussie twee kampen, de zogeheten libertariërs, die volmondig zeggen dat de vrije wil bestaat, en de ‘harde’ deterministen, die dit ontkennen. Beide kampen geloven echter in de onverenigbaarheid van de vrije wil en determinisme, waarom zij ook wel de incompatibilisten (incompatibel = onverenigbaar) genoemd worden. Volgens Maureen Sie nemen beide groepen echter een minderheidspositie in in het hedendaagse debat over de vrije wil. De meerderheid van de filosofen stelt dat determinisme en vrije wil elkaar nodig hebben om moraliteit te begrijpen, zoals in de bundel door Marc Slors, Jan Bransen en Arno Wouters wordt betoogd.

Han van Ruler laat zien hoe in het christendom de nadruk verschoof van het verstandelijke inzicht naar de vrije keuze, van onwetendheid naar onwil. De mens onttrekt zich door zijn vrije wil aan het fatum (noodlot), maar het christendom, met name in het denken van Augustinus, legde paradoxaal genoeg de vrijheid van de wil op allerlei manieren aan banden. De mens is niet langer een potentiële held, zoals de Griekse Oudheid stelt, maar een reële zondaar.

In de calvinistische traditie bleef men echter vasthouden aan het idee van de vrije wil. Leidse studenten werden volgens Van Ruler in de zeventiende eeuw ‘onophoudelijk gedrild’ in het juiste gereformeerde onderscheid tussen de geheel vrije áárd van de menselijke wil en zijn onvrije stáát in het heden. ,,De wil is in beginsel vrij, maar in zijn huidige toestand van zonde totaal onmachtig. We hebben met andere woorden wel een vrije wil, maar kunnen er sinds Adam en Eva geen goed gebruik meer van maken.’’

Augustinus

Met name Augustinus heeft wegen gewezen die ook tegenwoordig nog voluit actueel zijn. Hij geloofde in zijn vroege jaren (onder invloed van het manicheïsme) dat er geen vrije wil bestaat, maar dat het kwaad terug te voeren is op een onafhankelijke kosmische macht waarvoor de mens niet verantwoordelijk is. Later ontdekte hij het concept verantwoordelijkheid, ook ten aanzien van God, de Schepper van de mens. Zonde huist niet in het stoffelijke, de materie, maar in de mens, in zijn wil, die (door genade) omgebogen moet worden naar God. Het zijn met name deze noties die wezenlijk zijn voor een christelijk-filosofisch mensbeeld.

Augustinus definieert de menselijke wil als volgt: ,,De wil is een beweging van de ziel zonder dwang van buitenaf met het oog op iets te behouden of te verkrijgen.’’ De wil van de mens bezit een vrije keuzemogelijkheid, welke spontaan is in de zin van: gemotiveerd van binnenuit. De wil is een ‘neutrale kracht’ (vis media of medium bonum) die zich in ongeloof óf in geloof kan uitdrukken. Vrije wil en dwang sluiten elkaar uit.

Augustinus maakt onderscheid tussen de staat van de mens voor en na de zondeval. Daaraan beantwoordt een tweeërlei visie op de menselijke wil en vrijheid. Augustinus stelt de vrijheid (libertas arbitrii) tegenover de vrije wil (liberum arbitrium), respectievelijk de wilsvrijheid en de keuzevrijheid. De eerste betreft de oorspronkelijke vrijheid ten goede (zoals deze aanwezig was in het paradijs), de tweede het natuurlijk vermogen waardoor de mens zich onderscheidt van het dier. De eerste vrijheid is door de zonde verloren gegaan, de tweede vrijheid is behouden, omdat de mens toch mens (schepsel) is gebleven.

Voor Augustinus betekende de zondeval het verlies van de vrijheid ten goede. Hierdoor komt de menselijke wil in een geheel ander daglicht te staan. ,,De wil is wel altijd in ons vrij, maar niet altijd is hij goed’’, zo formuleert hij. Tussen willen en vermogen is een groot verschil. Een wil om het goede te kiezen of te willen (voluntas boni) is nog niet hetzelfde als een goede wil (voluntas bona). Willen (velle) en kunnen (posse) zijn tweeërlei. God maakt de mensen eerst goed, opdat zij vervolgens het goede ook kunnen doen. Hij toont niet alleen wat te doen is, maar helpt ook dat realiseren wat Hij de mens aanwijst.

Het was met name door de komst van Pelagius dat Augustinus zich systematisch met de vragen van vrijheid en genade ging bezighouden. Wezenlijk voor het gedachtegoed van Pelagius was zijn geloof in de goede Schepper, die de mens de mogelijkheid heeft gegeven om te kiezen voor de gerechtigheid of de zonde. Tegenover de manicheïsche leer van de natuurlijke noodzakelijkheid van de zonde verklaarde hij dat de zonde substantie ontbeert en daarom de menselijke natuur niet kan schaden. Volgens Augustinus is het absolute verschil met Pelagius dit: God geeft het willen zódanig dat de mens ook daadwerkelijk vervult wat hij wil. Hij schenkt niet alleen de mogelijkheid, maar ook de werkelijkheid van het geloof.

De kerkvader moest zich regelmatig verdedigen tegen beschuldigingen van determinisme of fatalisme, als zou zijn verkiezingsleer een noodlotsleer zijn en alle menselijke activiteiten overbodig maken. Het feit dat God alles van tevoren weet, betekent echter niet dat aan de keuze van mensen niets meer wordt overgelaten. ,,Ook ons willen maakt immers deel uit van de voor God vaststaande en door zijn voorkennis omvatte opeenvolging van oorzaken, aangezien de wilsbewegingen van de mensen mede de oorzaken zijn van de menselijke daden.’’

Augustinus doet er alles aan om twee zaken in een spanningsvolle eenheid vast te houden: de genade en de vrije wil, dat wil zeggen: de laatste in creatuurlijke zin. Genade en vrije wil zijn niet antithetisch. God bereidt de wil voor, maar zowel geloven als handelen is een zaak van menselijke toestemming. De vrije keuze van de wil is noodzakelijk opdat mensen kunnen gehoorzamen aan wat God verbiedt als kwaad en wat Hij beveelt als goed. Enerzijds zegt hij dat de mens verkeert onder de gewoonte (consuetudo), ja zelfs ‘een zekere dwang’ (necessitas) van zondigen. De zonde werd als straf een tweede natuur, waardoor de mens een slaaf en knecht van de zonde werd. Het vermogen dat hij in het paradijs bezat, namelijk om niet te zondigen, heeft hij verloren. Anderzijds is het alleen door de vrije wil dat de mens zondigt. ,,Want de wilsvrijheid is in de zondaar niet zozeer verloren gegaan, als hij veelmeer door haar zondigt’’, zegt Augustinus treffend.

Geen reductionisme

Het boeiende is dat Augustinus op die manier recht wil doen aan de problematiek van de vrije wil die hij niet ontkent vanuit een materialistisch reductionisme, noch verheft tot een bovenmenselijke prestatie los van goddelijke ondersteuning. God heeft deze vrije wil de mens gelaten, opdat hij daardoor niet te verontschuldigen zou zijn. Zonder het bestaan van deze vrije wil hebben de geboden Gods geen zin, geboden die de mens immers gegeven zijn om hem alle onschuld te benemen, zegt Augustinus. Als we die niet zouden bezitten, waren we ook niet verantwoordelijk meer voor onze daden. Wie de creatuurlijke vrijheid ontkent, maakt zowel van de zonde als de genade een lot, namelijk als iets wat je overkomt en waarvoor je niet verantwoordelijk bent. Zoals de eerste christenen moesten strijden tegen heidens fatalisme (bijvoorbeeld in de gnostiek), is tegenwoordig de uitdaging om tegenover materialistische neurologie en deterministische filosofieën de mens als beelddrager van God te poneren.

De mens is verheven door zijn rede en vermogen tot denken, zei Pascal ooit, maar verachtelijk door zijn gebreken. Dat zou ook van toepassing kunnen zijn op de wil. Bert Keizer schrijft in de bundel Hoezo vrije wil? dat mensen van reductie houden. Hij doelt onder meer op de neuro-reductie die stelt dat ‘willen’ eigenlijk een kwestie is van neuronale impulsen. ,,Scans zijn onleesbaar tenzij de hersenbewoner gevraagd wordt wat er door hem heen gaat tijdens het vervaardigen van de scan.’’ Het is volgens hem tot op de dag van vandaag nog steeds niemand gelukt om op samenhangende wijze te spreken over de relatie tussen ons geestelijk leven (bedoeld is de mens als vrije, unieke persoonlijkheid) en de gebeurtenissen in onze hersenen. Psychiater Herman van Praag betoogde recent in Trouw: ,,Wat leert breinkennis ons over onze hoop, ons verdriet, onze liefde, onze moraal, kortom: onze geest? Bitter weinig.’’

Er is inmiddels breed verzet gekomen tegen het feit dat er materialistische verklaringen te vinden zijn voor verschijnselen als altruïsme, egoïsme, passie, liefde, kunstzinnigheid en religieus gevoel. Is de neurologie in staat om de hersenen tot in alle hoeken te verklaren met absolute uitspraken?

Volgens Saskia Beugel, oprichter van Rishis for Free Souls (die zich onder meer toelegt op yoga en spiritualiteit), getuigt het boek van Swaab van een beperkte tunnelvisie van een hersenonderzoeker. Het sluit een meer holistische visie op heling uit. Naar haar mening is het ‘de beperkte visie van een westerse medicijnman’. ,,Het biedt geen échte diepgaande inzichten en het verklaart alles vanuit de hersenen, bestempelt alles wat afwijkt, draagt geen perspectief of oplossingen aan en bovendien spreekt uit zijn boek toch ook een zekere arrogantie.’’

Zij geeft hier het kernpunt aan van de ‘hersenspinsels’ van Swaab die zich laten omschrijven als een materialistisch reductionisme. Wij zijn méér dan ons brein, wij zijn een persoon. Een persoon is meer dan een klomp neuronen. Klaarblijkelijk is een mens in staat om, dankzij zijn verstand, beslissingen te nemen die niet gebaseerd zijn op zijn driften, wensen en verlangens. Het zwakke punt van Swaabs materialisme is dat hij de fysieke eigenschappen van de hersenen identificeert met de reikwijdte van het menselijk denkvermogen. De mens handelt op basis van driften, impulsen, wensen, verlangens en intelligentie. Wie de mens als slechts een complexe machine ziet, berooft hem van zijn ‘ik’ en daarmee van zijn grandeur, zijn waarde, zijn ziel.

Christenwetenschappers hebben in het huidige debat een wilsvrijheid te verdedigen die enerzijds de zonde honoreert, en anderzijds tegen welk determinisme dan ook (binnen of buiten de wetenschap) de wil als wil redt. Het christelijk perspectief bewaart het evenwicht tussen optimisme en pessimisme. Het leert dat de vrije wil kenmerkend is voor de mens als persoon en schepsel, maar ook dat zijn innerlijke ontworteling zo groot is dat hij bevrijd moet worden. Want in Gods vrijheid, gedragen door een onvoorwaardelijke liefde, ligt ook de vrije wil. Of zoals Augustinus het uitdrukte: heb lief, en doe wat je wilt. Dat is pas een vrije wil!

N.a.v. Tjeerd van de Laar & Sander Voerman, Vrije wil. Discussies over verantwoordelijkheid, zelfverwerkelijking en bewustzijn; uitg. Lemniscaat, Rotterdam, 2011; 216 blz.; ISBN 978 90 477 0330 3; € 24,95;

Maureen Sie (red.), Hoezo vrije wil? Perspectieven op een heikele kwestie; uitg. Lemniscaat, Rotterdam, 2011; 216 blz.; ISBN 978 90 477 0331 3;
€ 19,90.

Een aantal jaren achtereen is het thema Rede en Religie het speciale examenonderwerp geweest voor leerlingen van het voortgezet onderwijs (vwo) met filosofie in hun pakket. Het thema blijkt raak te zijn geschoten. Het is door diverse universiteiten aangegrepen voor symposia en congressen. Ook filosofische magazines en tijdschriften vulden hun rubrieken ermee. Zo heeft het blad Beweging in ruime mate aandacht geschonken aan het examenonderwerp in boekbesprekingen, interviews en opiniërende artikelen.

Vanaf het examenjaar 2012 tot en met 2015 staat de Vrije Wil centraal en zullen filosofieleerlingen en hun docenten zich verdiepen in allerlei filosofische vragen en opvattingen over dit onderwerp. Wie de media volgt, zal kunnen bevestigen dat het opnieuw om een actueel en boeiend thema gaat dat beslist niet alleen voer voor filosofen is, integendeel. Wie weet pakken universiteiten en tijdschriften het onderwerp op. Sofie weet wat ze wil – de komende jaren zal ze regelmatig over de vrije wil publiceren.

Een eerste bijdrage is geschreven door Klaas van der Zwaag. Hij recenseert twee boeken die vermoedelijk door vele vwo-leerlingen en docenten gebruikt zullen worden als voorbereiding op de filosofie-examens. Beide boeken zijn zo geschreven dat ze voor velen informerend en een prikkel tot filosoferen kunnen zijn.

 
Sophie